Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

FOKKE [Simonsz.], Arend, schrijver en voordrachtskunstenaar (Amsterdam 3-7-1755 – Amsterdam 15-11-1812). Zoon van Simon Fokke, graveur, en Cornelia Sieuwertz. Gehuwd op 6-1-1782 met Catharina Brinkman (1764-1826). Dit huwelijk bleef kinderloos.

Arend Fokke Simonsz, geboren in de Utrechtsedwarsstraat te Amsterdam, groeide op in een artistiek milieu. Hij was vernoemd naar zijn grootvader, de bekende Amsterdamse acteur Arend Fokke. Ook zijn tante en oom, Catharina Elisabeth Fokke en Jan Punt, waren toneelspelers van naam. Arends vader, Simon Fokke, kreeg bekendheid als graveur van politieke en historische prenten.

Arend was een zoon uit het tweede huwelijk van zijn vader, die in 1747 weduwnaar was geworden en ruim vier jaar later hertrouwde met de makelaarsdochter Cornelia Sieuwertsz. Van de vijf kinderen die zij kregen, stierven er vier binnen het eerste levensjaar. Alleen Arend, hun tweede kind, bleef in leven. Om verwarring met zijn neven te voorkomen zou deze later het patroniem ‘Simonsz.’ aan zijn achternaam toevoegen. Vader Fokke leidde zijn beide zoons, Arend en diens halfbroer Jan, zelf op tot graveur. Daarnaast kreeg Arend privé-onderwijs van de Duitse geleerde C.J. Albrecht von Pfortzheim, die hem de klassieke talen en andere vakken bijbracht.

In 1768 werd Fokke, dertien jaar oud, leerling bij de boekverkoper en uitgever Steven van Esveldt. Diens boekhandel in de Kalverstraat bood hem een ideale plek om zich naast zijn werk te ontwikkelen op allerlei kennisterreinen. Mogelijk vervaardigde hij evenals zijn vader, ook gravures voor de door Van Esveldt uitgegeven werken. Zo’n zes jaar later besloot Fokke voor zichzelf te beginnen, nadat hij zich op 22 september 1774 had laten inschrijven als poorter (: inwoner) van Amsterdam en vier dagen later was opgenomen in het plaatselijke boekverkopersgilde. Er is wel gesuggereerd dat hij werd verjaagd door Willem Holtrop, die met Van Esveldts dochter trouwde en in 1777 de zaak van zijn overleden schoonvader voortzette. Er zou jaloezie en wedijver in het spel zijn geweest, maar bewijzen ontbreken (Frijlink, 69).

Fokkes eerste uitgave, een gelegenheidspamflet, getiteld Vreugdezang, op het tweede eeuwfeest van het ontzet der stad Leyden, dateert uit 1774 en is voorzien van het adres ‘in de Bergstraat’. Vermoedelijk verwees dit naar zijn ouderlijk huis. Het jaar erop was zijn boek- en kunsthandel gevestigd op ‘de hoek van de St. Luciensteeg en Weessluis’. Hij gaf onder meer de gravures van zijn vader uit die behoorden bij de Vaderlandsche Historie van Jan Wagenaar, en werk van zijn leermeester Von Pfortzheim. Ook verscheen tussen 1778-1793 jaarlijks bij Fokke De nieuwe vaderlandsche almanach, waaraan hij zelf ook bijdragen leverde. In 1779 verscheen zijn eerste zelfstandige uitgave, een grafdicht op zijn oom Jan Punt, getiteld Lyk-cypressen, gestrooid op het graf van Joannes Punt. Dit gelegenheidsvers is vermoedelijk zijn debuut als dichter.

Begin 1782 trouwde Fokke met zijn achternicht Catharina Brinkman, de dochter van een 25 jaar oudere nicht. Twee ooms, die als voogden van de aanstaande bruid optraden, tekenden bezwaar aan het tegen het huwelijk vanwege de nauwe familieband, maar dit protest werd ongegrond verklaard door de ‘Commissarissen van de Huwelijkse zaaken’. Het echtpaar verhuisde omstreeks 1783 naar de Kalverstraat, waar ook de boekhandel werd gevestigd.

Vanaf 1782 werd Fokke zeer actief in de Amsterdamse genootschapswereld. Hij was lid van minstens twaalf sociëteiten, waaronder de Maatschappij der Verdiensten onder de zinspreuk ‘Felix Meritis’ (1782-1812), de twee Amsterdamse departementen van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (1785-1812), het Amsteldamsch Dicht- en Letteroefenend Genootschap’ (1784-1800) en het Leesgezelschap ‘Doctrina et Amicitia’ (circa 1800-1808). Dit drukke genootschapsleven stelde Fokke in staat zijn klandizie snel uit te breiden. Zo ging hij werk van sociëteitsleden uitgeven, onder wie dat van Petronella Moens, Adriana van Overstraten en Gerrit Brender à Brandis. Ook was hij vanaf circa 1790 tot 1793 één van de drie officiële uitgevers van de twee Amsterdamse departementen van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen.

Het actiefst was Fokke voor het ‘Nut’ en ‘Felix Meritis’. Van beide genootschappen was hij meer dan 25 jaar lid, en hij vervulde er verschillende bestuursfuncties. Als lid van het schoolbestuur van de Amsterdamse Nutsschool werkte hij mee aan plannen voor onderwijsverbetering. Bij ‘Felix Meritis’ bouwde Fokke een reputatie op als gevierd spreker. Hij specialiseerde zich in het genre van de komische vertogen, waarmee hij het publiek op professionele wijze wist te bespelen. Twee sociëteiten, ‘Felix Meritis’ en ‘Doctrina et Amicitia’, betaalden Fokke enkele malen een jaargeld – variërend tussen honderd en driehonderd gulden – omdat hij zo vaak inviel bij opengevallen spreekbeurten.

De meeste spreekbeurten die Fokke hield, gaf hij ook uit en zijn opgedragen aan ‘Felix Meritis’. Tot zijn eerste publicaties behoren Zede- en dichtlievende mengelingen, bestaande in redevoeringen en mengeldichten (1783) en De verscheidene tijdperken des menschelijken levens, geschetst in een zestal redevoeringen [...] (1786). In 1788 publiceerde Fokke een Verhandeling over den lach en het lachwekkende, die grotendeels geïnspireerd was op de theoretische geschriften van de Schotse wijsgeer en dichter James Beatty en de Franse geleerde Louis Poinsinet de Sivry. Hij definieerde daarin het contrast of de contrastwerking als het belangrijkste middel om lach op te wekken.

Fokke vestigde definitief zijn reputatie als humoristische en kritische observator van zijn tijd in 1792 met Het toekomend jaar 3000. Een mijmering en De moderne Helicon. Een droom. In Het toekomend jaar 3000 fantaseerde hij dat dijken in de toekomst niet meer zouden bestaan, omdat het onderhoud ervan te duur was, en dat slavernij en onderdrukking afgeschaft zouden zijn. In De moderne Helicon bekritiseerde Fokke het lage peil van de eigentijdse dichtkunst, in het bijzonder het toen modieuze sentimentalisme. Het verhaal gaat over de Griekse god Apollo, die een winkel in poëzie heeft geopend. Schrijvers komen van heinde en verre om daar poëtisch taalgebruik, metaforen en flesjes met tranen te kopen. Het werk sloeg zo aan dat het drie herdrukken beleefde en door anderen – onder wie Pieter Gerardus Witsen Geysbeek – werd geïmiteerd. Fokke schreef zelf ook een vervolg, nu om de radicale uitwassen van de Bataafse omwenteling van 1795 te kritiseren, namelijk Apollo, sergeant van de gewapende burgermagt, dat door hem werd voorgedragen in 1797 en gepubliceerd in 1802.

Hoewel het komische in zijn werk voorop stond, werkte Fokke vanaf 1784 enkele jaren aan een intellectueel uitdagend eenmansproject: de Catechismus der weetenschappen, kunsten en fraaije letteren. In deze encyclopedie worden door hem verscheidene wetenschappen – zoals theologie, rechtsgeleerdheid, geneeskunde, filosofie, geschiedenis, kunst en letterkunde – behandeld. Tussen 1788 en 1794 zouden hiervan tien delen verschijnen. Het werken aan de Catechismus mag Fokke zelf voldoening hebben gegeven, winstgevend was het werk allerminst. Het speelde mogelijk een rol in het besluit zijn activiteiten als uitgever en boekhandelaar omstreeks 1793 te staken. De integrale herdruk van de Catechismus – vermeerderd met een register – vond daarom tussen 1794 en 1802 plaats bij een andere uitgever.

Na 1793 moest Fokke op een andere manier aan inkomsten komen. Een van zijn belangrijkste werkzaamheden vormde het geven van privé-onderwijs aan jongeren bij hem thuis. Tot zijn leerlingen behoorden de later lutherse predikant Joannes Decker Zimmerman en – zeer waarschijnlijk – de bibliothecaris van ‘Felix Meritis’ Barend Klijn Bz. Daarnaast had Fokke van 1795 tot 1803 een betrekking als redacteur en corrector bij het Dagblad van de Vergaderingen der Representanten van het Volk van Amsterdam en de opvolgers van deze periodiek. Na 1803 was hij in enkele andere functies op het stadhuis werkzaam, waaronder die van ‘beambte bij het Bureau van de Stadsgriffie’ en na 1806 was hij redacteur van de Koninklijke Almanak.

Intussen ging Fokke onverminderd voort met het houden en publiceren van voordrachten, waaronder de zevendelige Boertige reis door Europa (1794-1806), de driedelige Proeve van een ironiesch comiesch woordenboek van verouderde, vernieuwde en nieuw uitgevondene woorden en spreekwijzen in de Nederduitsche taal (1797-1798) en De antieke Helicon (1803). In het laatstgenoemde werk stelde hij onomwonden dat de klassieken als maatstaf voor de dichtkunst moesten gelden, opdat de literatuur niet verder in verval zou raken.

Dit ideaal stond intussen ver af van Fokkes eigen praktijk als schrijver, waarin hij zich hoofdzakelijk door pragmatische en financiële motieven liet leiden. Zo vervaardigde hij een groot aantal vertalingen van Franse en Duitse toneelstukken – met name van August von Kotzebue – om verzekerd te zijn van een goede afzet. Ook leverde hij geregeld bijdragen aan tijdschriften, waaronder de Vaderlandsche Letteroefeningen, Recensent, ook der Recensenten en de Algemene Konst- en Letterbode en redigeerde hij de almanak Ernst en Boert voor de XIXe eeuw, of Almanach van beschaafde Kundigheeden (1801-1807).

Ook wat zijn politieke opstelling betreft, nam Fokke – wellicht bewust – een pragmatische houding aan. Met zijn redacteurswerk bij het Dagblad der Vergaderingen van het Amsterdamse stadsbestuur schaarde Fokke zich onmiskenbaar aan de zijde van de Bataven, maar in zijn overige geschriften koos hij zelden openlijk partij. Veeleer kroop hij in de huid van de onafhankelijke humoristische toeschouwer. Uitzonderingen in zijn oeuvre zijn de hiervoor genoemde Apollo, sergeant van de gewapende burgermagt en het gelegenheidsspel Het vredesfeest (1802), waarin hij de Vrede van Amiens tussen Frankrijk en Groot-Brittannië, en met name de Franse Eerste Consul Bonaparte als held en vredestichter bejubelde. Dit positieve oordeel over Napoleon zou al snel in het tegendeel omslaan, zeker toen de Noordelijke Nederlanden steeds meer onder gezag van Frankrijk kwamen te staan.

Tot 1804 woonde het kinderloze echtpaar Fokke op de Zwanenburgwal. In dat jaar vestigde het zich echter buiten de stad, aan het Noordelijk Zaagpad. Terwijl Fokke overdag zijn werkzaamheden had op het stadhuis, wijdde hij zich ’s avonds aan letterkundige activiteiten. Eveneens in 1804 richtte hij een genootschap op dat bij hem thuis bijeenkwam, ‘Rustificatio’ (: Landleven) genaamd.

In deze jaren werd Fokke steeds vaker gekweld door ziekte, waardoor hij gedurende langere perioden geen voordrachten kon geven. In Dorus of het wonderkind (2 dln.; 1808) – zijn eerste lezing voor ‘Doctrina et Amicitia’ na lange afwezigheid – sprak hij van ‘eene mij lang bijgeblevene verzwakking van krachten en denkvermogen’ als gevolg van galkoorts (I, p. 1). Het op en neer reizen naar Amsterdam kwam zijn gezondheid niet ten goede en was bovendien nadelig voor zijn inkomsten. Het leidde ertoe dat Fokke en zijn echtgenote hun buitenhuis moesten verlaten. In 1810 verhuisden zij terug naar een bescheiden huisje op de Prinsengracht.

Daarna ging het snel bergafwaarts. Toen keizer Napoleon – op rondreis door zijn een jaar tevoren ingelijfde ‘Hollandse departementen’ – van 9 tot 24 oktober 1811 een bezoek bracht aan Amsterdam, werd Fokke uit voorzorg twee weken lang gevangengezet op last van de commissarissen van de politie Willem Holtrop en Bernardus Antonius Fallée. Er is wel gesuggereerd dat de vermeende oude vete met Holtrop, die 35 jaar eerder de boekhandel van Van Esveldt had overgenomen, daarbij een rol speelde (Frijlink, 70-73).

Het lijkt er echter veeleer op dat Fokke preventief werd vastgehouden, omdat hij op verschillende terreinen de grenzen van het toelaatbare had overschreden. Zo was hij op 26 augustus 1808 als lid van ‘Doctrina et Amicitia’ geroyeerd naar aanleiding van een voordracht over verschillende preekstijlen, ‘Eenige bedenkingen over den onderscheiden stijl van kerkelijke redevoeringen, voorgesteld in eene mijmering of droom’ (zonder deze titel gepubliceerd als het tweede deel van Dorus of het wonderkind). Ook een optreden, gehouden in het eerste Amsterdamse departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen in april 1810, veroorzaakte opschudding. In zijn voordracht ‘Het Hollandsche spreekwoord “Elk meent zijn uil een valk te zijn"” zoölogiesch, ironiesch komiesch en ekonomiesch verklaard’ had hij – tegen de genootschapswetten in – gerefereerd aan de politieke situatie van het land.

Daarnaast kunnen Fokkes publicaties de autoriteiten ertoe hebben gebracht hem scherp in de gaten te houden. Expliciete kritiek op de Fransen is hierin weliswaar niet te vinden, maar sommige werken kunnen ook allegorisch worden geïnterpreteerd, zoals De drie gebroeders alverwoesters (1810), Het psycho-chemisch geheim om van den nood eene deugd te maken (1810) en Het horoskoop der statistische, politieke en oeconomische wereld (in 1810 geschreven en in 1814 gepubliceerd). En dan was er nog de anoniem uitgegeven maar door Fokke geredigeerde Narrensteinsche Courant (1807-1811), die in een opruiende, provocerende en satirische stijl was geschreven. In februari-maart 1811 werd het blad ter controle naar Parijs gestuurd, omdat het kritiek op het keizerlijke regime zou bevatten. In augustus 1811 verscheen het laatste nummer, maar ook na Fokkes dood zou het zijn reputatie behouden, dankzij herdrukken van afleveringen, verschillende navolgingen en een herdruk in 1829.

Voor Fokke waren de gevolgen van de hechtenis desastreus: na zijn vrijlating wilden uitgevers zijn werk niet langer uitgeven, waardoor hij nauwelijks inkomsten had. Daarbij kwam dat de algehele boekenmarkt als gevolg van de strenge censuurmaatregelen stagneerde. Fokkes gezondheid ging intussen snel achteruit. Hij stierf eind 1812, op 57-jarige leeftijd in kommervolle omstandigheden.

Arend Fokke Simonsz. is het best te omschrijven als een humoristische observator van zijn tijd. Hij speelde een belangrijke rol in het Amsterdamse genootschapsleven en heeft met zijn komische vertogen bijna dertig jaar lang zijn toehoorders en lezers vermaakt. Als spreker en schrijver voegde hij zich bewust naar ‘de smaak des volks’ om zichzelf van een publiek te verzekeren. Achter dit pragmatisme ging echter ook een ernstige, ambitieuze en vooral maatschappijkritische schrijver schuil. Daarvan getuigen zijn eenmansencyclopedie, wijsgerig getinte verhandelingen en de Narrensteinsche Courant. Na zijn dood raakte hij al snel in de vergetelheid.

Publicaties:

Literatuur:

Portret:
Gravure (1805) door L. Portman naar een tekening ‘naar het leven’ door H.W. Caspari. (beschikbaar via: Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren).

Lotte Jensen

laatst gewijzigd: 12/11/2013