Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

GOLDBERG, Jhr. Johannes (verheven in de Nederlandse adel bij KB d.d. 19-3-1818, nr. 75) ondernemer en bestuurder (Amsterdam 3-5-1763 – Huize ‘Allemansgeest’ bij Voorschoten 25-4-1828). Zoon van Arnout Goldberg, makelaar, en Hedewig Lucia Beckmans. Gehuwd op 10-8-1788 met Sophia Helena Menkema (1767-1811). Uit dit huwelijk werden 4 dochters geboren. Na haar overlijden (4-2-1811) gehuwd op 8-8-1827 met Geertruij Maria Jongkindt (1793-1869). Vóór dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

Johannes Goldberg werd geboren als de oudste van zeven kinderen. Zijn vader was afkomstig uit het Duitse graafschap Meurs in het westelijk Ruhrgebied en vestigde zich in 1761 te Amsterdam. Een jaar later trad hij hier toe tot het makelaarsgilde, waarbinnen hij meermalen bestuursfuncties vervulde. Johannes genoot goed lager onderwijs en ontwikkelde zich verder in de praktijk van het leven. Hij werd in 1779, op zestienjarige leeftijd, toegelaten tot het makelaarsgilde. Aanvankelijk werkte hij op het kantoor van zijn vader en na diens dood, in december 1782, als firmant samen met zijn jongere broer Willem.

In 1788 trouwde Goldberg met Sophia Menkema, de dochter van een Amsterdamse effectenmakelaar. In 1793 verliet hij de familiefirma en begon hij een eigen assuradeursbedrijf onder de naam Fa. Goldberg & Co, omdat hij zich meer tot het eigenlijke assurantiewerk voelde aangetrokken. Hij zou dit bedrijf blijven uitoefenen tot kort voor zijn dood, zij het dat in tijden van grote politieke activiteit collega-makelaars en assuradeurs de belangen behartigden.

Door afkomst en werkkring behorend tot de van bestuursfuncties uitgesloten gegoede burgerij ontwikkelde Goldberg zich vanaf de jaren tachtig en negentig tot een overtuigde Patriot. Hij werd een democraat in hart en nieren en een groot voorstander van de eenheidsstaat met een krachtig en vooral deskundig bestuur, in het bijzonder op financieel en economisch gebied.

In 1794 maakte hij samen met onder anderen Isaäc Jan Alexander Gogel en Willem Irhoven van Dam deel uit van het Amsterdamse Comité révolutionaire dat plannen beraamde voor een Patriotse machtsgreep. Aangezien daartoe ook in Goldbergs huis wapens zouden zijn ondergebracht, voelde deze zich gedwongen in oktober 1794 de wijk te nemen naar Bremen. Pas in februari 1795 keerde hij in Amsterdam terug. Goldberg was zodoende afwezig toen de Patriotten hier op 18 januari 1795 het stadsbestuur overnamen, wat overigens niet verhinderde dat hij hierin weldra een plaats kreeg: van 8 april tot 19 juni was hij lid van de Provisionele Representanten van het Volk van Amsterdam.

Goldberg werd ook op provinciaal niveau actief: van april 1796 tot maart 1797 was hij lid van het Provinciaal Bestuur van Holland. In deze kwaliteiten heeft hij zich vooral met financiële aangelegenheden bezig gehouden. Zo rapporteerde hij onder meer in mei 1795 over de zorgwekkende toestand van de Amsterdamse stadsfinanciën. De hierbij opgedane kennis zal de reden zijn geweest hem in juli 1795 met nog twee anderen te benoemen tot lid van de ‘Personeele Commissie tot het onderzoek naar den Staat der Finantiën in de provincie Holland’. Tot december 1797 zou hij hiervan deel uitmaken. De commissie was ingesteld om helderheid te brengen in de toestand van de provinciale geldmiddelen en om daardoor te bezien hoe aan de financiële verplichtingen ten opzichte van de Fransen kon worden voldaan.

Vooral het eindrapport van de ‘Personeele Commissie’ heeft Goldberg bekendheid gebracht. Naar zijn zeggen schitterden zijn medecommissieleden vooral door inactiviteit en afwezigheid en kwam het werk merendeels op hem neer. Goldberg stelde vast dat alle financiële bescheiden in goede orde werden aangetroffen, dat de afzonderlijke provinciale administraties eerlijk waren gevoerd en dat er geen sprake was van fraude. De inrichting van de boekhouding was echter zeer onduidelijk en omslachtig, algemene staten of balansen ontbraken, betalingen waren onder verkeerde hoofden geboekt etcetera. Dit alles om te verhinderen een algemeen overzicht van de provinciale geldmiddelen te verkrijgen: de reputatie van Hollands rijkdom moest worden gehandhaafd.

Het rapport onderscheidt zich van soortgelijke rapporten door de sterk cijfermatige inslag. Het bestaat hoofdzakelijk uit gedetailleerde tabellen. Deze exacte benadering zou Goldberg blijven kenmerken. Gezien de in zijn archief aanwezige stukken zal hij zich hebben laten inspireren door Franse voorbeelden. Hij behoorde daarmee in de Noordelijke Nederlanden tot de pioniers van de statistische methode, dat wil zeggen het bijeenbrengen van gegevens op nationaal niveau als hulpmiddel voor het voeren van overheidsbeleid: meten is weten!

Met de staatsregeling van 1798 werden er acht agentschappen in het leven geroepen, die zijn te beschouwen als de directe voorlopers van de huidige ministeriële departementen. Op 31 mei 1799 liet Goldberg zich benoemen tot agent van Nationale Oeconomie. Overigens aanvaardde hij deze functie na aanvankelijke weigering, aangezien hij besefte dat onder de toenmalige ongunstige politieke en economische situatie het agentschap weinig zou kunnen uitrichten en omdat geen juiste gegevens over ‘volksgetal, rijkdom en bedrijf’ voorhanden waren. ‘Nationale Oeconomie’ als zodanig bestond tot dusver niet. Goldberg had grootse plannen en wilde het agentschap laten uitgroeien tot het zenuwcentrum van alle economische overheidsactiviteiten in de Bataafse Republiek.

Vanwege zijn nieuwe betrekking verhuisde Goldberg in januari 1800 van Amsterdam naar Den Haag, waar hij het ‘Huygenshuis’, de monumentale stadsvilla aan het Plein had gekocht. Omdat er op het Binnenhof voor hem geen plaats was, werd het agentschap inclusief het personeel in de woning van de agent ondergebracht.

Goldberg was de vaste overtuiging toegedaan dat de handel de bron vormt van alle welvaart en dat deze daarom zo weinig mogelijk dient te worden belast. In sommige gevallen achtte hij overheidsingrijpen echter wel gerechtvaardigd, bijvoorbeeld om economisch zwakke sectoren als de nijverheid met premies en subsidies te ondersteunen. In dit streven werd Goldberg echter tegengewerkt door het Uitvoerend Bewind (1798-1801), dat vanwege de hachelijke situatie van de staatsfinanciën zijn begrotingsbedragen tot een fractie van het gevraagde terugbracht, waardoor er nauwelijks sprake kon zijn van steun aan noodlijdende sectoren. Om zo goed mogelijk op de hoogte te zijn van de situatie ter plaatse en om informatie voor zijn beleidsvoornemens te verzamelen maakte Goldberg tussen juni en november 1800 een grote inspectiereis door het land.

Aan Goldbergs activiteiten als agent kwam een abrupt einde op 2 oktober 1801. Hij en de agent van Financiën Isaäc Jan Alexander Gogel waren het oneens met de door de Franse machthebber Napoleon Bonaparte gewenste verandering van de staatsregeling. Zij werden daarom door de meerderheid van het Uitvoerend Bewind ontslagen wegens ‘verregaande desobediëntie en wederstreving van des Bewinds bevelen’.

Tijdens het daaropvolgende Staatsbewind (1801-1805) bekleedde Goldberg geen officiële functies, hoewel hij daarvoor wel onderhands door het zittende regime werd gepolst. Hij richtte zich in deze jaren volledig op zijn assuradeursbedrijf, overigens met wisselend succes. Evenals vele andere assuradeurs leed hij na het verbreken van de vrede van Amiens tussen Groot-Brittannië en Frankrijk en zijn bondgenoten, in mei 1803, zware verliezen. Van augustus 1803 tot januari 1804 ondernam hij als particulier – en mogelijk als vertegenwoordiger van een groep politieke geestverwanten – een geheime missie naar Parijs om de intenties van Eerste Consul Napoleon Bonaparte met betrekking tot de Bataafse Republiek te vernemen. Als zodanig werd hij ook ontvangen, maar verdere bijzonderheden over dit onderhoud zijn niet bekend.

Intussen bleven Goldberg en Gogel met elkaar contact onderhouden over staatszaken, zeker aan de vooravond van het aantreden van Rutger Jan Schimmelpenninck als Raadpensionaris eind april 1805. Deze benoemde Goldberg op 1 mei 1805 tot lid van de zevenkoppige Staatsraad. Zelf had hij overigens gehoopt op een aanstelling als secretaris van staat voor de Binnenlandse Zaken. In de Staatsraad toonde Goldberg zich een warm voorstander van alle maatregelen die tot een grotere centralisatie zouden leiden, zoals het nieuwe stelsel van belastingen en de vermindering van bevoegdheden van de departementale besturen. Van 10 tot 17 januari 1806 zond Schimmelpenninck hem naar Brabant om ongenoegen over het nieuwe fiscale stelsel weg te nemen en een dreigend belastingoproer in de kiem te smoren, wat hem inderdaad gelukte.

In de lente van 1806 was het duidelijk dat het bewind van de Raadpensionaris ten einde liep. In een buitengewone vergadering van alle secretarissen van staat, staatsraden en leden van het Wetgevend Lichaam onder leiding van Schimmelpenninck moest worden besloten over de eisen van de inmiddels Keizer geworden Napoleon: een Bonaparte als koning of annexatie bij Frankrijk. Alleen Gogel en Goldberg waren voor een directe inlijving. Voor Goldberg gaven uitsluitend economische motieven de doorslag: het wegvallen van de Franse tolmuren en de toetreding tot de Franse markt zouden grote voordelen opleveren voor de Bataafse handel, koloniën en scheepvaart. Goldbergs woorden ‘Wij kunnen nog eenmaal weder de voornaamste vragtvaarders van geheel de waereld worden’, kon zijn gehoor niet waarderen (Geciteerd in: Zappey, 70).

Tijdens het Koninkrijk Holland (1806-1810) bleef Goldberg lid van de Staatsraad. In 1806 en 1807 was hij achtereenvolgens voorzitter van de secties financiën en koophandel/koloniën geweest. Koning Lodewijk heeft hem daarnaast in 1807 meermalen op diplomatieke missies naar Napoleon gestuurd, onder meer – met twee anderen – voor de ondertekening op 11 november van het verdrag van Fontainebleau, waarbij het Koninkrijk Holland Vlissingen afstond aan Frankrijk in ruil voor Oost-Friesland. Onder meer om de annexatie van dit gebied te regelen werd Goldberg vervolgens op 2 december 1807 aangesteld als buitengewoon gezant en zaakgelastigde in Berlijn. Gelijktijdig met deze benoeming werd zijn gewoon lidmaatschap van de Staatsraad omgezet in een buitengewoon lidmaatschap.

Voor de bewezen diplomatieke diensten was koning Lodewijk Goldberg bijzonder erkentelijk, en als blijk van waardering schold hij hem diens – na 1803 tot een bedrag van 72.000 gulden opgelopen – schulden, waarvan de bewijzen in een geheime kas van het Mortificatiefonds waren ondergebracht, kwijt. Op 22 december 1808 werd Goldberg gerappelleerd. Bij terugkeer in het vaderland bleek in de relatie met de Koning echter om onduidelijke redenen een verkoeling te zijn opgetreden. Pas in juli 1810, nadat Lodewijk zijn Koninkrijk voorgoed had verlaten, had hij nog enkele weken – tot de opheffing op 1 augustus – als gewoon lid zitting in de Staatsraad.

De inlijving van de ‘Hollandse departementen’ bij het Franse Keizerrijk (1810-1813) juichte Goldberg toe. Toch was het voorzitterschap van de Rechtbank van Koophandel in Den Haag, waartoe hij in november 1812 werd benoemd, de enige functie die hem in deze jaren ten deel viel. Dat hij als bewonderaar van de Keizer niet op een post met meer aanzien is benoemd, heeft hem altijd zeer verdroten. De oorzaak moet waarschijnlijk worden gezocht in het feit dat hij zich in Berlijn heeft ingelaten met zaken die hem niet aangingen, zoals de door Pruisen aan Frankrijk te betalen oorlogsschatting. In zijn privé-leven kreeg Goldberg eveneens een tegenslag te verwerken, door de dood van zijn eerste echtgenote begin februari 1811.

Het herstel van de nationale onafhankelijkheid na het vertrek van de Fransen in november 1813 bracht nieuwe kansen. Evenals vele anderen bood ook Goldberg de uit ballingschap teruggekeerde Prins van Oranje zijn diensten aan. Op voorspraak van Gijsbert Karel van Hogendorp benoemde de Souverein Vorst hem in april 1814 tot één van de zes leden en plaatsvervangend voorzitter van de Raad van Koophandel en Koloniën bij het gelijknamige departement. Vanaf 14 september 1814 stond hij aan het hoofd van dit departement met als titel ‘Staatsraad in buitengewone dienst, belast met de portefeuille’. Sinds 16 september 1815, na de samenvoeging van de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden, werd hij officieel directeur-generaal van het departement, rechtstreeks onder de inmiddels koning geworden Willem I. In deze hoedanigheid heeft Goldberg zich intensief bezig gehouden met de overname en inrichting van de koloniën, handelsverdragen, de Rijnvaart en plannen om te komen tot de Nederlandsche Bank, maar dan voornamelijk als technisch uitvoerder van ’s Konings directieven.

Door een departementale herverdeling raakte de inmiddels 55-jarige Goldberg op 19 maart 1818 zijn functie kwijt. Om de bittere pil te vergulden benoemde de Koning hem tegelijkertijd tot lid van de Raad van State, waarvan hij al vanaf 6 april 1814 lid in buitengewone dienst was. Bovendien verhief hij hem – de oude Patriot – in de Nederlandse adelstand met het predicaat jonkheer. Op 1 juni 1819 werd hij toegelaten tot de Ridderschap van Holland.

Wegens toenemende gezondheidsklachten verzocht en verkreeg Goldberg met ingang van 1 januari 1827 eervol ontslag als staatsraad en werd hem een pensioen toegekend. Zijn laatste levensjaren waren weinig voorspoedig. Financieel ging het hem slecht. Goldberg moest leningen afsluiten, zijn kostbare diplomatieke geschenken belenen en zijn omvangrijke boekerij – circa 2.500 stuks – verkopen. Op 8 augustus 1827 trouwde hij voor de tweede maal met een dertig jaar jongere vriendin met wie hij al in 1824 een dochter had gekregen. Bij het huwelijk werd dit kind gelegitimeerd. Goldberg deed tegenover de dochters uit zijn eerste huwelijk ten onrechte voorkomen dat zijn nieuwe echtgenote tot een vooraanstaand geslacht behoorde.

Goldberg overleed in 1828 op 64-jarige leeftijd op de sinds het voorjaar van 1827 door hem gehuurde buitenplaats ‘Allemansgeest’ (tegenwoordig: ‘Berbice’) te Voorschoten. Als de belichaming van de vaardige en deskundige bestuurder-administrateur met vooral belangstelling voor praktische problemen heeft hij mede zijn stempel gedrukt op de financiële en economische ontwikkeling van de Noordelijke Nederlanden na 1795. Uit verscheidene contemporaine bronnen komt Goldberg naar voren als een man die zijn kwaliteiten nogal eens wilde overschatten en zich gefrustreerd voelde als zijn denkbeelden niet of slechts ten dele werden overgenomen. Hij was niet vrij van ijdelheid en gevoelig voor vleierij. In het maatschappelijk leven na 1813, waar vertegenwoordigers van het ancien régime en homines novi met elkaar moesten samengaan, schijnt hij zich onzeker te hebben gevoeld, wat zich nu eens uitte in een te hooghartig gedrag dan weer in een te onderdanig optreden. Een apart trekje was zijn voorkeur om steeds in de rust en de stilte van de nacht te werken.

Archivalia:
  • Archief van jhr. J. Goldberg (1795-1827) en Supplement in het Nationaal Archief te ‘s-Gravenhage.
  • Brieven van Goldberg aan Johannes Immerzeel jr. in de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage.
  • Brieven van Goldberg aan Johan Valckenaer in de Universiteitsbibliotheek te Leiden.

Publicaties:
  • Des vrais intérêts de la France, relativement à la Hollande (Parijs 1795).
  • Rapport der commissie tot het onderzoek naar den staat der finantiën, van Holland. Op den 14 December 1797 ter vergadering van het provinciaal bestuur uitgebragt (3 dln.; ’s-Gravenhage [1799]).
  • ‘Journaal der Reize van den Agent van Nationale Oeconomie der Bataafsche Republiek’ [1800], in Tijdschrift voor Staathuishoudkunde en Statistiek 18 (1859) 194-217, 241-254, 313-337, 337-392, 441-459 en Ibidem 19 (1860) 1-19, 57-74, 121-141, 185-199, 249-263.

Literatuur:
  • Catalogue de livres et manuscrits en langues française, anglaise, allemande et hollandaise, ... formant la bibliothèque de monsieur J. Goldberg ... : dont la vente publique se fera ... le 22 avril 1828 et jours suivans par J. Immerzeel jr. (’s-Gravenhage 1828).
  • J.G. Ramaer, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek VIII (Leiden 1918) 621-622.
  • W.M. Zappey, De economische en politieke werkzaamheid van Johannes Goldberg, 1763-1828 (Alphen aan den Rijn [etc.] 1967).
  • J.M.F. Fritschy, De Patriotten en de financiën van de Bataafse Republiek. Hollands krediet en de smalle marges voor een nieuw beleid (1795-1801) (’s-Gravenhage 1988).
  • Henk Boels, Binnenlandse Zaken. Ontstaan en ontwikkeling van een departement in de Bataafse tijd, 1795-1806. Een reconstructie (’s-Gravenhage 1993).
  • Tom Pfeil, ‘Tot redding van het vaderland’. Het primaat van de Nederlandse overheidsfinanciën in de Bataafs-Franse tijd, 1795-1810 (Amsterdam 1998).
  • The statistical mind in a pre-statistical era. The Netherlands, 1750-1850. Onder red. van Paul M.M. Klep en Ida Stamhuis (Amsterdam 2002).
  • Een vriendschap in het teken van ’s Lands financiën. Briefwisseling tussen Elias Canneman en Isaac Jan Alexander Gogel, 1799-1813. Uitgeg. door Mieke van Leeuwen-Canneman (’s-Gravenhage 2009).

    Portret:
    Mezzotint door Charles Howard Hodges (detail); Collectie Rijksmuseum te Amsterdam (afgebeeld in: Nederland’s Adelsboek 83 (1993) 310).

    Henk Boels

laatst gewijzigd: 12/11/2013