Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

GREEF, Jan de, architect (Dordrecht 4-7-1784 (doop) – Amsterdam 2-12-1834). Zoon van Bastiaan de Greef, timmerman en houthandelaar, en Johanna van Dalen. Gehuwd op 5-3-1817 met Maria van Volkom (1788-1871). Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 2 dochters geboren, van wie 1 zoon jong overleed.

Jan de Greef, de oudste zoon uit een gereformeerd gezin van zes kinderen, werd al op jonge leeftijd – geheel volgens het gebruikelijke patroon binnen de ambachtelijke beroepen – door zijn vader in het timmervak opgeleid. Overdag zal hij werkzaam zijn geweest voor het bedrijf dat zijn vader samen met zijn zwager, de timmerman en bouwmeester Jacobus van Dalen in Dordrecht leidde. Daarnaast kreeg Jan tekenles van zijn achterneef, de Dordtse zeeschilder Martinus Schouman. Dankzij dit onderricht ontwikkelde de jongen een uitzonderlijke tekenvaardigheid, waarmee hij gedurende zijn carrière roem zou oogsten.

Van 1798 tot 1799 volgde de jonge De Greef in de wintermaanden een avondopleiding in het bouwkundig tekenen aan het in 1774 opgerichte ‘Teekengenootschap Pictura’ in zijn woonplaats. Hij kreeg hier les van zijn oom Jacobus van Dalen, de latere auteur van het boek De bouwkunstenaar (1806). Bij de prijsvraag die ‘Pictura’ jaarlijks voor elke klas organiseerde, werd in 1799 een inzending van De Greef voor het departement Bouwkunde – een weergave van een poort in de Dorische orde – met een tweede prijs bekroond. In hetzelfde jaar, na voltooiing van de cursus in het bouwkundig tekenen, werd hij op vijftienjarige leeftijd werkend lid van ‘Pictura’.

In 1801 won De Greef een voor de leden van ‘Pictura’ uitgeschreven prijsvraag met een weergave van een staande man. Een jaar later wordt als zijn beroep kuiper vermeld; hij moet dit ambacht niet lang hebben beoefend, dit in tegenstelling tot zijn jongere broer Cornelis. In 1805 volgde hij zijn oom Jacobus van Dalen op als docent in de bouwkunst bij ‘Pictura’. Dit deed hij slechts één jaar; al in 1806 bedankte hij voor de functie. In hetzelfde jaar betaalde hij patentbelasting als werkgezel, mogelijk in het timmerbedrijf van zijn vader en oom. Op 26 november 1806 werd hij – na met succes bij het Hof van Holland een examen te hebben afgelegd – geadmitteerd als landmeter. Hierop volgde op 13 maart 1807 een aanstelling in deze functie bij de Verponding, de voorloper van het kadaster.

Inmiddels was Napoleons broer, Lodewijk Bonaparte, koning van Holland geworden. Toen De Greef kennis nam van diens voornemen om – naar het Franse voorbeeld van de ‘Prix de Rome’ – veelbelovende beeldend kunstenaars en architecten op staatskosten in buitenland te laten studeren, wendde hij zich in maart 1808 tot Johan Meerman, de directeur-generaal van Schone Kunsten en Wetenschappen. Een studiereis naar Parijs en Rome, die uitzicht bood op prestigieuze opdrachten van het koninklijk hof, leek hem de uitgelezen mogelijkheid de positie van ambachtsman te ontstijgen.

Meerman droeg De Greef bij de Koning voor, en deze benoemde hem op 11 april 1808 tot ‘kwekeling’. Dit betekende dat hij voor de periode van vier jaar naar het buitenland mocht gaan. Het hoofddoel was het bestuderen van de monumenten uit de klassieke Oudheid in Rome. De grote waarde die hieraan werd gehecht, hield verband met de allesoverheersende rol van het classicisme in de kunsten. De Romeinse overblijfselen dienden als voorbeeld  voor de contemporaine paleizen en openbare gebouwen in Frankrijk, die Lodewijk ook in zijn koninkrijk wilde verwezenlijken.

Alvorens zich in Rome te vestigen dienden de Hollandse kwekelingen zich verplicht twee jaar lang in Parijs te laten onderrichten door gerenommeerde Franse leermeesters. Zodoende vertrok De Greef in mei 1808 vanuit Dordrecht naar de Franse hoofdstad, vijf maanden later gevolgd door Zeger Reijers, de tweede kwekeling in de bouwkunst. Het lijkt erop dat zij hier aanvankelijk aan hun lot werden overgelaten. Maar in de zomer van 1809 ontfermde de jonge bouwkundige Louis-Hippolyte Lebas zich over hen, onder toeziend oog van Charles Percier, toentertijd een van de succesrijkste Franse architecten. Lebas gaf ook les aan Jan David Zocher jr, die – eveneens met een beurs van koning Lodewijk – in het najaar van 1809 in de Franse hoofdstad arriveerde.

De Hollandse kwekelingen tekenden de schetsen van Lebas over en maakten eigen ontwerpen. Zij konden gebruikmaken van de portefeuille vol afbeeldingen waarmee hun leermeester kort daarvoor uit Italië was teruggekeerd. Naast het onderwijs op het ’atelier’ van Lebas volgden de Hollandse kwekelingen theoretisch onderricht aan de École spéciale d’Architecture, in onder meer de architectuurgeschiedenis, architectuurtheorie, constructieleer, stereonomie, perspectiefleer en mathematica. Vanzelfsprekend bestudeerden zij ook eigentijdse bouwwerken, onder anderen die van Percier en diens compagnon Pierre-François-Léonard Fontaine. Deze twee architecten ontwikkelden voor de aankleding van paleizen en overheidsgebouwen de ‘style empire’. Kenmerkend hiervoor is de combinatie van elementen ontleend aan de Romeinse, Griekse en Egyptische oudheid met militaire attributen en overwinningssymbolen.

Van de werkstukken die De Greef in Parijs vervaardigde, zijn de onderwerpen bekend; de tekeningen zijn helaas niet bewaard gebleven. Zo maakte hij in 1809 een ontwerp voor een openbare bibliotheek. Het bestond uit een plattegrond, doorsnede, opstand en een detail van een van de vertrekken. Eind 1809 verzocht koning Lodewijk De Greef – die van de drie kwekelingen de beste werd geacht – een arsenaal voor Amsterdam te ontwerpen. De jonge architect in opleiding werkte het plan uit tot een – naar verluidt – grandioos maritiem complex, bestaande uit een admiraliteitsgebouw, kazernes en een strafinrichting. Meerman was hierover vol lof en oordeelde dat De Greef zich in de bouwkunst ‘op eene bijzonder gunstige wijze onderscheidt’ (geciteerd in: Krabbe, Droomreis, 256, noot 112). Beide ontwerpen zouden in 1810, samen met werkstukken van andere kwekelingen, op een in Amsterdam ingerichte expositie worden getoond.

In 1811 verruilde De Greef Parijs voor Rome, waar hij in juli arriveerde. Hier vond hij, samen met de andere Hollandse kwekelingen, onderdak in de Villa Medici, sinds 1803 de zetel van de ‘Académie de France à Rome’. Er is weinig bekend over De Greefs tijd in Rome. Evenals de Franse Prix de Rome-winnaars zal hij zich in hoofdzaak hebben beziggehouden met het bestuderen en het minutieus opmeten van gebouwen uit de Oudheid.

In augustus 1812 keerde De Greef uit Rome terug naar zijn vaderland, dat inmiddels was ingelijfd bij het Franse keizerrijk. Kort voor of na het herstel van de onafhankelijkheid volgde zijn benoeming tot opzichter der gebouwen van het Zeewezen in Rotterdam. Vervolgens trad hij in dienst bij de Waterstaat, een organisatie die onder meer was belast met het beheer van de landsgebouwen. De Greefs eerste grote opdracht was de verbouwing van het jachtslot Soestdijk (1815-1821) bij Baarn, dat kroonprins Willem – de latere koning Willem II – als dank voor zijn moedige optreden in de slag bij Waterloo in 1815 ten geschenke had gekregen van de Nederlandse Staat.

Met de verbouwing – die was begroot op 330.000 gulden maar uiteindelijk bijna 450.000 gulden bedroeg – liet De Greef Soestdijk een ware metamorfose ondergaan, zowel van binnen als van buiten. Hij handhaafde het oude gebouw als middendeel, waarop hij een belvedère als bekroning plaatste. Aan beide zijden van het middendeel ontwierp De Greef imposante zijvleugels, waarvan de kwartcirkelvormige colonnades het meest in het oog springen. In het ontwerp kon hij de vruchten plukken van zijn buitenlandse leertijd in Parijs en Rome. Evenals in het geval van Lebas en Percier dienden de paleizen en villa’s van de Italiaanse Renaissance – met name die van de zestiende-eeuwse Italiaanse architect Andrea Palladio in de omgeving van Venetië – De Greef als voorbeeld. De overeenkomsten, zoals de toepassing van de gebogen colonnade, werden indertijd al opgemerkt.

De Greef droeg tevens zorg voor de aankleding en inrichting van de interieurs van Soestdijk. Beperkte de ornamentiek aan de buitenzijde van het paleis zich tot een minimum, in het interieur is van enige vorm van terughoudendheid in de afwerking geen sprake. Zo paste De Greef de verfijnde empirestijl toe voor het decoratieve stucwerk, de meubels en de schoorsteenomlijstingen. Het is op zijn minst opmerkelijk dat deze vormentaal, die was gecreëerd ter glorificatie van Keizer Napoleon, is gebruikt in een gebouw dat de overwinning op de Franse heerser bij Waterloo memoreerde.

De Greef, die vanaf september 1815 was belast met de werkzaamheden aan het paleis, werd een jaar later door Willem I met een andere taak belast. Op 22 augustus 1816 kreeg hij de opdracht leiding te geven aan de al in 1814 begonnen verbouwing van het Oude Hof of Paleis Noordeinde, de residentie van de Koning. De Greef kon zodoende geen toezicht houden op de werkzaamheden in Soestdijk. Met deze taak werd Reijers belast. Aangezien Zocher bemoeienis had met de tuinaanleg, waren alle drie voormalige architectuurstudenten van koning Lodewijk betrokken bij de transformatie van Soestdijk.

Kort voordat De Greef met de verbouwing van Noordeinde werd belast, was Bartholomeus Wilhelmus Henricus Ziesenis, de ‘architect der paleizen en ’s lands gebouwen’, die hieraan tot dan toe uitvoering had gegeven, op non-actief gesteld. De Greef, afgeschrikt door de vele eisen van de Koning, de onderbezette bouwkundige dienst en de lotgevallen van zijn voorganger, probeerde zonder succes onder de opdracht uit te komen. Onder zijn leiding kreeg Paleis Noordeinde – waaraan tot omstreeks 1830 zou worden gewerkt – zeer rijke interieurs in empirestijl, met de balzaal als middelpunt. Dergelijke decoraties werden ook aangebracht in Paleis Kneuterdijk. Met de verbouwing van dit voormalige woonhuis van de adellijke familie Van Wassenaer-Obdam tot het Haagse stadspaleis van kroonprins Willem werd De Greef in 1818 belast, wederom ten koste van Ziesenis. Hij verbouwde het trappenhuis en voegde een vestibule en balzaal toe.

In 1819 ontwierp De Greef de Nederlands-hervormde kerk in ’s-Hertogenbosch. Een kerkgebouw voor de plaatselijke hervormde gemeente was noodzakelijk omdat Koning Willem I in 1816 de door Keizer Napoleon bewerkstelligde restitutie van de middeleeuwse Sint-Janskerk aan de katholieken had bekrachtigd. De bouw van de nieuwe kerk werd door de Nederlandse Staat gefinancierd. De bemoeienis van de Koning en het feit dat De Greef al werkzaamheden voor de rijksoverheid verrichtte, vormen de verklaring voor de keuze van De Greef als ontwerper van dit gebouw. De kerk, met haar vlakke ongelede gevels zonder ornamentiek, zou op 6 januari 1822 in gebruik worden genomen.

Intussen was De Greef in 1817 op 32-jarige leeftijd in Den Haag getrouwd met Maria van Volkom uit Dordrecht. Van de zes kinderen die uit dit huwelijk werden geboren, zou de oudste zoon Bastiaan – die op 9 februari 1818 in het verbouwde Paleis Noordeinde het levenslicht zag – als architect in zijn voetsporen treden

Naast zijn drukke werkzaamheden als architect was De Greef van 1818 tot 1820 tevens docent in de ‘architecture en teeken-kunsten’ aan de Koninklijke Artillerie- en Genieschool te Delft. Verder werd hij in deze jaren lid van verschillende genootschappen. Toen in 1819 in Amsterdam de Maatschappij tot Aanmoediging der Bouwkunde werd opgericht, nam De Greef zitting in het bestuur van dit genootschap. Van 27 juni 1820 tot aan zijn dood was hij lid van de Vierde Klasse van het Koninklijk Nederlandsch Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten. Verder beoefende hij, behalve zijn eigenlijke vak, graag de teken- en (landschap)schilderkunst.

In de zomer van 1819 werd De Greef benoemd tot assistent van de Amsterdamse stadsarchitect Abraham van der Hart. Toen deze een jaar later overleed, werd hij op 31 mei 1820 diens opvolger. Deze aanstelling tot ‘Directeur der stadswerken en gebouwen’ betekende de kroon op zijn loopbaan: het ambt van stadsarchitect in de hoofdstad gold namelijk als een van de meest prestigieuze overheidsfuncties op bouwkundig gebied. Voordat De Greef aantrad, was een wijziging in de organisatie van de Amsterdamse Stadsfabricage – de dienst Publieke Werken -  doorgevoerd: het aantal ‘departementen’ was van drie tot twee teruggebracht. Tot de taken van het ‘eerste departement’ – waarover De Greef de leiding kreeg – behoorden de stadswerken en -gebouwen, terwijl het ‘tweede departement’ de stadswaterwerken omvatte. Het werd zijn taak ontwerp- en werktekeningen te maken en bestekken en begrotingen op te stellen. Tevens was hij verantwoordelijk voor het onderhoud van de stedelijke gebouwen en de infrastructuur. De Greef verhuisde met zijn jonge gezin naar Amsterdam, waar hij een aan de stad toebehorend huis nabij de ‘Stadstimmertuin’ aan de Amstel betrok.

De Greefs eerste belangrijke opdracht als stadsarchitect was de herbouw (1823-1826) van de in september 1822 – op de muren na – afgebrande Ronde Lutherse Kerk aan het Singel, een gebouw van Adriaen Dortsman uit 1668. De Greef maakte de plannen samen met de Vlaming Tilleman François Suys, die op dat moment directeur Bouwkunst was aan de Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. De Greef en Suys respecteerden het oorspronkelijke gebouw. In het interieur vervingen zij echter de door Dortsman ontworpen Dorische zuilen door Ionische, die ze meer geschikt voor een kerkinterieur achtten. Verder voorzagen beide architecten de koepel van een cassetteplafond.

De belangrijkste creatie van De Greef als stadsarchitect van Amsterdam is het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht (1825-1831), een ingrijpende verbouwing van het Aalmoezeniersweeshuis uit 1666. Het definitieve ontwerp was in 1826 gereed. In dit gebouw, waarvan de kosten bijna 300.000 gulden bedroegen, manifesteerde de invloed van eigentijdse Franse architectuur zich in een nadruk op de horizontaal. Om dit effect te bereiken verwijderde De Greef de twee frontons van het zeventiende-eeuwse weeshuis en bracht hij een zwaar afsluitend hoofdgestel aan. Verder voorzag hij het gebouw van drie risalieten met ieder een kolossale pilasterorde. Naar analogie met de door hem verbouwde koninklijke paleizen ontwierp hij voor dit gebouw rijke interieurs, die slechts ten dele zijn bewaard.

In 1827-1830 werd De Greef belast met de bouw van een Rijks-Entrepot – een douanevrije opslagplaats van nog niet-geïmporteerde goederen – op het Kadijkseiland. Hij maakte in zijn plannen gebruik van de reeds aanwezige pakhuizen. De vormgeving van de nieuwe, door De Greef ontworpen opslagruimten is weinig opvallend: het zijn sobere bakstenen gebouwen met een rechte lijst als afsluiting. Alleen het kantoor- en poortgebouw aan het Kadijksplein kreeg enige allure. Tot de niet-uitgevoerde ontwerpen van stadsarchitect De Greef behoren een beursgebouw (1825) en een rooms-katholieke kathedraal op de Nieuwmarkt (tussen 1828 en 1830).

Jan de Greef overleed na een lang ziekbed op vijftigjarige leeftijd in 1834. Zijn vroegtijdige dood droeg ertoe bij dat hij zijn ontwerpvaardigheid, die tot zijn aanstelling als Amsterdams stadsarchitect had geleid, maar in klein aantal gebouwen heeft kunnen demonstreren. Een belangrijker oorzaak was echter dat het stadsbestuur in die tijd slechts over beperkte financiële middelen beschikte, als gevolg van een sterke economische neergang. Niettemin behoort de verbouwing van het Aalmoezeniersweeshuis tot Paleis van Justitie, samen met de verfraaiing van de paleizen Soestdijk en Noordeinde, tot de belangrijkste bouwprojecten in de eerste vier decennia van de negentiende eeuw in Nederland.


Archivalia:
  • Nationaal Archief Den Haag, Archief van het departement van Binnenlandse Zaken, 1795-1813: inv.nrs. 904, 905 en 911 [Over De Greefs studiereis].
  • Stadsarchief Amsterdam, Archief van Stadswerken en Gebouwen (1752, 1812-1855, 1883).

Literatuur:
  • Roeland van Eynden en Adriaan van der Willigen, Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst, sedert de helft der XVIII eeuw III (Haarlem 1820) 255.
  • Johannes Immerzeel jr., De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters, van het begin der vijftiende eeuw tot heden I (Amsterdam 1842) 293.
  • J.L. van Dalen, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek IV (Leiden 1918) 674.
  • Ellinoor Bergvelt [e.a.], Reizen naar Rome. Italië als leerschool voor Nederlandse kunstenaars omstreeks 1800 [Tentoonstellingscatalogus Teylers Museum Haarlem] (Rome 1984).
  • Martijn de Moor, ‘De beperkte mogelijkheden voor een stadsarchitect. Het Amsterdamse oeuvre (1820-1834) van Jan de Greef’, in Kunstlicht 11 (1990), nr. 1, 20-25.
  • Thomas von der Dunk, Een kathedraal voor Amsterdam. De voorgeschiedenis van de Mozes en Aäronkerk aan het Waterlooplein (Zutphen 2003).
  • Coert Peter Krabbe, ‘Een royal gebaar’, in: Paleis Soestdijk. Drie eeuwen huis van Oranje. Onder red. van R. van Zoest (Amsterdam 2009) 174-183.
  • Paul Rem, ‘Van laat-empire tot vele neo-stijlen. Het negentiende-eeuwse interieur’, in: Paleis Soestdijk. Drie eeuwen huis van Oranje. Onder red. van R. van Zoest (Amsterdam 2009) 184-217.
  • Paul Rem, ‘Heldenverering. Soestdijk, pantheon van Oranje’, in: Paleis Soestdijk. Drie eeuwen huis van Oranje. Onder red. van R. van Zoest (Amsterdam 2009) 218-223.
  • Coert Peter Krabbe, Droomreis op papier. De Prix de Rome en de Nederlandse architectuur (1808-1851) (Leiden 2009).
  • Erica van Dooremalen, ‘Architect Jan de Greef (Dordrecht 1784 – Amsterdam 1834)’, Oud-Dordrecht 27 (2009), nr. 3, 14-20.

Coert Peter Krabbe

laatst gewijzigd: 12/11/2013