Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

IMMERZEEL [Jr.], Johannes, ondernemer en schrijver (Dordrecht 2-7-1776 – Amsterdam 9-6-1841). Zoon van Johannes Immerzeel, koopman-grutter, en Elizabet Steenbus. Gehuwd omstreeks 1798 met Adelaïde Louise Françoise Charlotte Cera (1781-1850). Uit dit huwelijk werden 5 zoons en 4 dochters geboren, van wie 2 dochters jong overleden.

‘Een burgermanskind van Dordrecht, waarin een buitengewone aanleg stak, en dat door overgrooten ijver en oefening aan eene zeer beperkte opvoeding zoodanig eene uitbreiding wist te geven, dat hy op zyn achttiende jaar de Fransche, Engelsche, Hoogduitsche en Italiaansche talen met gemakkelijkheid kon spreken en schryven; geen onaardig muzikant was, en een meer dan middelmatig talent als Schilder en Teekenaar, by een gelukkigen aanleg voor de Dichtkunst openbaarde’. Aldus de postume schets die de dichter en schrijver Nicolaas Beets van zijn uitgever en vriend na diens overlijden gaf (Beets, 167). Johannes Immerzeel heeft zijn hele leven geprobeerd deze kunstzinnige aanleg te combineren met de uitgeverij en de boekhandel.

Samen met twee oudere broers en een jongere zuster groeide Johan op in het gereformeerde gezin van een Dordtse middenstander. In zijn jonge jaren kreeg hij teken- en schilderlessen van de plaatselijke kunstschilder Pieter Hofman, maar hij kon deze weg – hoe veelbelovend ook – niet vervolgen wegens oogproblemen. In 1795 werd de Patriotsgezinde Immerzeel secretaris van de Dordtse Krijgsraad. Toen deze functie eind 1798 kwam te vervallen, moest hij omzien naar een andere betrekking. Inmiddels was hij getrouwd met Adelaïde Cera, een Française van Italiaanse afkomst.

Op 5 juli 1799 kreeg Immerzeel op aanbeveling van leidende Dordtse Patriotten een aanstelling als ‘commies ter secretarie’ bij het agentschap – een voorloper van de latere ministeries – van Nationale Oeconomie van de Bataafse Republiek. Zijn chef werd de agent Johannes Goldberg, met wie hij zijn leven lang bevriend zou blijven. Met het oog op deze nieuwe functie vestigde het echtpaar Immerzeel zich in de zomer van 1799 in Den Haag. Nadat het nieuw aangetreden Staatsbewind op 7 december 1801 het Agentschap van Nationale Oeconomie had opgeheven en Goldberg was ontslagen, werden de ‘economische zaken’ onderdeel van de Raad van Binnenlandse Zaken. Tijdens het Raadpensionariaat van Rutger Jan Schimmelpenninck ressorteerden zij van mei 1805 tot juni 1806 onder de Secretaris van Staat voor de Binnenlandse Zaken. Gedurende het daaropvolgende Koninkrijk Holland, ten slotte, behoorden de ‘economische zaken’ tot het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Tijdens al deze regime- en naamswisselingen behield Immerzeel zijn functie van commies.

Had Immerzeel als lid van de Dordtse sociëteit ‘Tot Behoud van Vrijheid en Gelijkheid’ in 1795 al enkele kleine politiek getinte teksten geschreven, in 1801 liet hij zijn pro-Franse gezindheid wederom blijken in Dichtgedachten op den agttienden van wijnmaand 1801, verjarende de gesloten capitulatie tusschen de Gallo-Bataafsche en Anglo-Russische legers in den jare 1799 (1801) en in De algemeene vrede (1802). Het laatste gedicht betrof zijn inzending op een prijsvraag, uitgeschreven door een Gezelschap van Vaderlandslievende Ingezetenen.

Inmiddels had Immerzeel een dubbele werkkring, want vanaf mei 1804 was hij voorzichtig met een uitgeverij annex boekhandel begonnen. Het eerste werkje dat hij uitgaf, was een door hemzelf op verzoek van de Haagse schouwburgdirectie vervaardigde Dichtmatige aanspraak by het openen van den nieuwen schouwburg in Den Haag, op den 30. van Grasmaand 1804. Behalve met enkele vertalingen en gelegenheidsuitgaven profileerde Immerzeel zich onder meer met de uitgave van het – aanvankelijk onregelmatig verschijnende – tijdschrift Schouwburg van in- en uitlandsche letter- en huishoudkunde (1805-1810). Aan dit tijdschrift werkte ook zijn latere zakenpartner de Haagse medicus Jacob Lodewijk Kesteloot mee.

Immerzeel liet zich in deze jaren kennen als een politiek geëngageerd en vooruitstrevend man. Ook in letterkundige zin deed hij van zich horen in tal van Haagse verenigingen, zoals het Dichtgenootschap ‘Kunstliefde spaart geen Vlijt’, en het Toneeloefenend Gezelschap ‘Tot onderling Vermaak’, waarvan hij lid was. Hier moet Immerzeel in contact zijn gekomen met literatoren als de dichter Pieter Leonard den Beer, de romancier Bruno Daalberg en de toneelschrijver Maarten Westerman, van wie hij in deze jaren werk uitgaf. Sinds mei 1807 maakte hij tevens deel uit van de Haagse vrijmetselaarsloge ‘Les Vrais Bataves’.

Na vanaf mei 1804 parttime bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken te hebben gewerkt besloot Immerzeel na tweeënhalf jaar volledig voor de boekhandel-uitgeverij te kiezen. Hij associeerde zich toen met de eerdergenoemde Kesteloot, met wie hij onder de firmanaam Immerzeel & Comp. vanaf 1 januari 1807 een boekhandel-uitgeverij begon. In de daaropvolgende jaren breidden zij hun activiteiten gestaag uit. Aan de Haagse vestiging voegde Immerzeel een eigen drukkerij toe. Ook vonden er de eerste boekveilingen plaats. Zij profileerden zich steeds meer als leveranciers van vooral het uit Frankrijk geïmporteerde boek. Voor een snelle verspreiding ervan openden ze in 1808 filialen in Amsterdam en Rotterdam. Immerzeel vestigde zich – na een verblijf van een half jaar in Amsterdam – in november 1809 in Rotterdam, waar hij ook een leesmuseum met Franse, Engelse en Nederlandse boeken opende.

In 1808 gaf hij zijn eerste werken uit van Willem Bilderdijk, onder andere diens Treurzang van Ibn Doreid (‘tweede en gezuiverde druk’), Willem van Holland, een tweede vermeerdere druk van Vaderlandsche oranjezucht en Najaarsbladen. De eveneens in Rotterdam woonachtige verfhandelaar Hendrik Tollens vertrouwde hem de uitgave van het eerste deel van zijn Gedichten toe. In 1809 volgde het eerste deel van Gedichten van Jan Fredrik Helmers en De overstrooming van Bilderdijks vrouw Katharina Schweickhardt. Duidelijk is dat Immerzeel in het letterkundige circuit vaste voet aan de grond had gekregen.

Daarnaast tekende zich als ander zwaartepunt van Immerzeel & Comp. de aandacht voor juridische werken af. De groeiende bemoeienis vanuit Parijs met de Noordelijke Nederlanden, die uiteindelijk in juli 1810 tot inlijving bij het Napoleontische Frankrijk leidde, zorgde voor een verhevigde belangstelling voor de Franse codificatie van zowel het burgerlijk als het strafrecht. De firma kon – getuige hun Catalogue raisonné d’un choix de livres de droit les plus nécessaires … (1810) – de noodzakelijke titels uit voorraad leveren. Daarnaast bood zij van belangrijke wetboeken ook de door haar verzorgde Nederlandse vertalingen aan.

Tot eind 1810 liepen de zaken van Immerzeel & Comp. voorspoedig, maar daarna sloeg het noodlot toe. Medefirmant Kesteloot bleek op den duur geen betrouwbare partner. Om een schuld aan zijn schoonvader – die flink wat geld in het bedrijf had uitstaan – te kunnen betalen, liet Kesteloot beslag leggen op de boekenvoorraad, wat per 21 mei 1811 het faillissement betekende voor de firma.

Gedurende de afwikkeling van het faillissement wist Immerzeel zijn boekhandel, gecombineerd met een leesbibliotheek, voort te zetten op naam van zijn schoonzuster. Van de drie romans die hij in deze periode schreef, verschenen De blindeman (1812) en Koenraad Rozendal (1813) nog bij de Rotterdamse collega-uitgeverij Van der Bol en Van Conynenburg. Maar zijn Balthazar Knoopius (1813) bracht hij alweer zelf op de markt, gevolgd door zijn beide dichtbundels Hugo van ’t Woud (1813) en Voor opgeruimden van geest (1813). In politieke zin nam hij in 1813 in geschrifte afstand van het tanende Napoleontische regime en begon hij de kant van Oranje te kiezen. In het bijzonder verdienen vermelding zijn opruiende stukken in het Rotterdamsch Avondblad (eind 1813) en de door hem opgestelde anti-Franse Proclamatie van 26-11-1813.

In deze jaren bracht Immerzeel slechts mondjesmaat wat werkjes op de markt. Bovendien moest hij zich daarbij voornamelijk bepalen tot gelegenheidstukken als de Opwekking aan mijne landgenooten, in november 1813 van J.L. Nierstrasz jr. en zijn eigen Hulde aan Alexander I, Keizer van Rusland, bij zijne intrede in Parijs (1814). Het enige meer substantiële werk betrof het tweede deel van Tollens’ Gedichten (1813), dat eerder door de Franse censuur was opgehouden.

Langzaam maar zeker wist Immerzeel zijn boekhandel opnieuw tot bloei te brengen. Hij verbond aan zijn nering ook weer een uitgeverij en een kunst- en prenthandel. Zijn initiatief om in navolging van de omringende landen, waar al veel eerder letterkundige almanakken verschenen, een eigen Nederlandsche Muzen-Almanak te beginnen, bracht Immerzeel in één klap terug in de letterkundige wereld van die tijd. De eerste jaargang verscheen in 1819. Ook zijn beslissing de dichtwerken van eigentijdse auteurs als ‘volksuitgave’ – dus in een klein formaat – op de markt te brengen, legde hem geen windeieren. Van Tollens’ drie delen Gedichten maakte hij in 1822 bijvoorbeeld een tweedelige uitgave, waarvan hij tienduizend exemplaren liet drukken. Zij was een groot succes en werd spoedig gevolgd door soortgelijke uitgaven van de dichtwerken van Helmers, Bilderdijk en Rhijnvis Feith en die van hemzelf.

De jaren hierna nam het werk zelfs zo toe dat Immerzeel het in 1824 rustiger aan ging doen. Hij stootte de boekwinkel en de leesbibliotheek af en keerde begin mei 1826 terug naar Den Haag. Daar ging hij zich – behalve op het uitgeven van boeken – veel meer dan voorheen richten op de handel in tekeningen en schilderijen, alsmede op het houden van boek- en kunstveilingen. Hij afficheerde zich ook nadrukkelijk als commissionair in schilderijen. Immerzeel bleef nog wel als uitgever en redacteur actief, vooral van de jaarlijkse afleveringen van zijn Nederlandsche Muzen-Almanak en van nieuwe werken van Bilderdijk en Tollens, maar de kunsthandel gaf hij prioriteit.

De Belgische Opstand had een duidelijke malaise in de handel tot gevolg. Immerzeel werd er eveneens door getroffen, en 1830 bleek ook voor hem een zeer slecht jaar. Hoewel hij zijn zaak verder voortzette, deed hij ook pogingen het gehele door hem opgebouwde fonds te verkopen. ‘Tot den publieken verkoop van mijn fonds heb ik geen lust. Ik zou het ook zeer gaarne bij elkander blijven en in goede handen zien’, schreef hij aan de Leeuwardense uitgever G.T.N. Suringar (geciteerd in: Dongelmans, 92). De laatstgenoemde kon het fonds voor 40.000 gulden met en voor 30.000 gulden zonder de Nederlandsche Muzen-Almanak kopen, maar hij ging niet op het aanbod in.

Immerzeel was zodoende gedwongen zijn gehele magazijnvoorraad mee te nemen naar Amsterdam, waar hij in mei 1832 met zijn gezin naartoe verhuisde. Daar zorgde de voorbereiding van de 120 pagina’s tellende veilingcatalogus van de boekerij van de eind 1831 overleden Bilderdijk, voor drukke maanden. Deze veiling – op 6 augustus 1832 – was een van de laatste hoogtepunten uit Immerzeels werkzame leven. Zijn carrière als uitgever sloot hij af toen hij er in 1835 uiteindelijk toch toe overging zijn gehele fonds publiekelijk onder zijn collega-boekverkopers te gelde te maken. Op 24 en 25 maart 1835 wisselden ruim 55.000 exemplaren van werken die tot Immerzeels fonds hadden behoord van eigenaar. De Nederlandsche Muzen-Almanak hield hij nog buiten deze veiling. Van ‘het troetelkind mijner ambitie’ – zoals hij het in een brief aan Suringar noemde (geciteerd in: Dongelmans, 222) – zou hij pas in 1839 afstand doen.

Behalve met enkele incidentele uitgaven, waaronder werken van auteurs als Beets, W.J. Hofdijk en Adriaan van der Hoop jr., vulde Immerzeel zijn laatste jaren onder meer als freelance medewerker aan De Avondbode. In dit sinds november 1837 verschijnende dagblad schreef hij over schilderkunst en recenseerde hij nieuw verschenen boeken. Het grootste deel van de tijd besteedde hij echter aan het schrijven van duizenden biografische artikelen over beeldend kunstenaars, waarvoor hij de bouwstoffen al zijn leven lang had verzameld. Het prospectus voor dit biografisch woordenboek was al gemaakt, toen de dood Immerzeel in 1841 op 64-jarige leeftijd overviel. In 1842-1843 zouden twee van zijn zoons postuum alsnog de uitgave verzorgen van het driedelige De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters, van het begin der vijftiende eeuw tot heden. Zijn uitgebreide bibliotheek, waarin volgens het voorwoord van de veilingcatalogus de overledene ‘als t’ware een afdruksel van zijnen geest [heeft] nagelaten’ (p. iii), kwam op 11 april 1842 onder de hamer.

Als uitgever heeft Johannes Immerzeel jr. in de eerste helft van de negentiende eeuw een belangrijke rol gespeeld. In totaal gaf hij zo’n 280 titels uit, waarvan het merendeel bestond uit werken van letterkundigen, van wie Bilderdijk en Tollens de meest vooraanstaanden waren. Met zijn Nederlandsche Muzen-Almanak heeft hij jaarlijks een staalkaart van poëtisch Nederland voor het voetlicht weten te brengen. Zij geeft in die zin een goede doorsnede van dichtend Nederland tussen 1819 en 1839. Aan de verspreiding van de dichtkunst hebben Immerzeels volksuitgaven vanaf 1822 zonder twijfel een grote bijdrage geleverd. In kunsthistorische kring geldt zijn De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders… – in 1857 herzien door Christiaan Kramm – nog steeds als standaardwerk.

Archivalia:
  • Een bedrijfsarchief is niet bewaard gebleven. Gegevens over het bedrijf zijn voornamelijk te vinden in de bibliotheek van de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak (KVB) bij de afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam.
  • Omvangrijke correspondentie, voornamelijk bestaande uit brieven aan Immerzeel, in de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage.
  • Bescheiden betreffende het postuum verschenen De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders… in het Prentenkabinet van het Rijksmuseum te Amsterdam.

Publicaties:
Een fondslijst en beschrijving van de uitgaven van J. Immerzeel jr. en de firma Immerzeel & Comp. is opgenomen in de hierna onder ‘Literatuur’ genoemde publicatie van Dongelmans, pp. 321-415.

Literatuur:
  • Catalogus van eene aanzienlijke verzameling van ongebonden boeken, of kopijen; uitmakende het geheele fonds van den heer J. Immerzeel, junior, boekhandelaar te Amsterdam... (Amsterdam 1835).
  • [Nicolaas Beets,] ‘Johannes Immerzeel, Junior’, in: Nederlandsche Muzen-Almanak XXIV (Amsterdam 1842) 167-170.
  • Catalogus eener hoogst belangrijke bibliotheek bevattende eene groote en veelzins eenige verzameling van werken der nieuwere Hollandsche dichters ... alles geheel en alleenlijk nagelaten door ... Johannes Immerzeel, jr. ... (Amsterdam 1842).
  • R. Zuidema, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek VI (Leiden 1924) 829-830.
  • W.M. Zappey, De economische en politieke werkzaamheid van Johannes Goldberg (1763-1828) (Alphen aan den Rijn [etc.] 1967).
  • B.P.M. Dongelmans, ‘Johannes Immerzeel Junior., een veelzijdige negentiende-eeuwer’, Voortgang: Jaarboek voor de Neerlandistiek 4 (1983) 141-164.
  • B.P.M. Dongelmans, Johannes Immerzeel junior (1776-1841). Het bedrijf van een uitgever-boekhandelaar in de eerste helft van de negentiende eeuw (Amstelveen 1992).
  • Annemieke Hoogenboom, ‘De stand des kunstenaars’. De positie van kunstschilders in Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw (Leiden 1993).
  • Korrie Korevaart, Ziften en zemelknoopen. Literaire kritiek in de Nederlandse dag-, nieuws- en weekbladen, 1814-1848 (Hilversum 2001).
  • André Hanou, ‘De “Schouwburg van in- en uitlandsche letter- en huishoudkunde” (1805-1810)’, in: Periodieken en hun kringen. Een verkenning van tijdschriften en netwerken in de laatste drie eeuwen. Onder red. van Hans Bots en Sophie Levie (Nijmegen 2006) 148-181.

Portret:
Gravure door Phillippus Velijn naar een tekening door H. Breukelaar jr. (beschikbaar via: Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren).

B.P.M. Dongelmans

laatst gewijzigd: 12/11/2013