Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

LAMSWEERDE, Gerardus Wilhelmus Josephus baron van (Baron de l’Empire bij Keizerlijk Decreet van Napoleon I d.d. 27-1-1813; opgenomen in de Nederlandse adel met het predicaat jonkheer bij Besluit van de Soeverein Vorst d.d. 28-8-1814, nr. 14; verheven tot baron bij recht van eerstgeboorte bij KB d.d. 27-9-1817, nr. 63; bij KB d.d. 24-6-1832, nr. 14 werd deze titel van toepassing verklaard op al zijn afstammelingen) (‘Huis te Eerbeek’, Brummen 22-8-1758 – Den Haag 2-12-1837), bestuurder en hoffunctionaris. Zoon van Willem Gerhard Victor baron van Lamsweerde, heer van Eerbeek, luitenant der cavalerie in Staatse dienst, en Maria Lucia Josepha barones van der Heyden tot Baak. Gehuwd op 4-11-1789 met Maria Cornelia barones van Dorth tot Medler (1760-1836). Uit dit huwelijk werden, behalve 1 jong overleden dochter, 6 zoons en 3 dochters geboren.

Gerrit Willem van Lamsweerde stamde uit een geslacht van rooms-katholieke edelen die zich in 1732 de baronnentitel hadden aangemeten. Zowel zijn vader als zijn grootvader diende als cavalerieofficier in het Staatse leger. Hij werd geboren en bracht – samen met een oudere halfzuster en jongere zuster – zijn jeugd door in het ‘Huis te Eerbeek’ bij Brummen op de Veluwe. Na in 1771 op dertienjarige leeftijd wees te zijn geworden, werd hij opgenomen in het gezin van een tot voogd benoemde oom in Doetinchem. Hij bezocht een kostschool, maar deed geen academische studie.

Eind 1789 trouwde Van Lamsweerde met zijn geloofsgenote freule ‘Mietje’ van Dorth. Het was een huwelijk uit liefde, na jarenlange verkering, en bovendien een financieel voordelig echtverbintenis, omdat de pas vaderloos geworden bruid een grote erfenis was toegevallen. Het voortaan als ‘redelijk gefortuneerd’ bekend staande echtpaar vestigde zich in Zutphen, waar tussen 1790 en 1801 hun tien kinderen zouden worden geboren. Als rooms-katholieke edelman uitgesloten van de ridderschap en daardoor van bestuursambten, bleven Van Lamsweerde’s werkzaamheden beperkt tot het beheer van zijn bezittingen.

De Bataafse omwenteling van begin 1795 bracht hierin verandering. Meteen viel Van Lamsweerde een groot aantal vertegenwoordigende en bestuurlijke functies ten deel. Zo werd hij op 25 februari van dat jaar gekozen tot lid van de twaalfkoppige municipaliteit van Zutphen, waarin hij tot 2 april 1798 zitting zou hebben. Tegelijkertijd was hij namens zijn woonplaats van februari tot juli 1795 afgevaardigde in de Vergadering van Provisionele Representanten van het Kwartier van Zutphen, alsook ter Vergadering van Provisionele Representanten van Gelderland.

Ook op nationaal niveau werd Van Lamsweerde nu politiek actief. Eerst was hij van 13 augustus 1795 tot eind februari 1796 gedeputeerde ter Staten-Generaal. Aansluitende nam hij van 1 maart 1796 tot en met 31 augustus 1797 voor het kiesdistrict Doetinchem zitting in de Eerste Nationale Vergadering. Hij gold hier als ‘één der beste en meest gematigde Federalisten’ (geciteerd in: Lindeijer, 105). Dit was waarschijnlijk de reden dat Van Lamsweerde, toen hij opnieuw voor de Tweede Nationale Vergadering werd gekozen, bedankte voor de eer om tot dit door Unitariërs gedomineerde gezelschap toe te treden.

Sindsdien beperkte Van Lamsweerde zijn bestuurlijke werkzaamheden tot Gelderland. Van 3 juli 1798 tot 8 november 1802 had hij opnieuw zitting in de municipaliteit van Zutphen. Aansluitend maakte hij tot juli 1805 deel uit van het College van Financiën van het Kwartier Zutphen. In januari 1806 werd hij opziener van ’s Lands Middelen over het ressort Zutphen, maar dit ambt stond hem zodanig tegen dat hij begin november verzocht hiervan te worden ontheven.

Met het aantreden van Lodewijk Napoleon als Koning van Holland, in juni 1806, ging de carrière van de inmiddels 47-jarige Van Lamsweerde opnieuw in een andere en bovendien sterk opwaartse richting. Welbewust plaatste de vorst de rooms-katholieke edelman op 8 mei 1807 als landdrost aan het hoofd van het departement Gelderland, wat onder de oude protestantse families ongenoegen veroorzaakte. Opmerkelijk was dat hem zes dagen na deze benoeming tevens de post van kwartierdrost van Arnhem – ondergeschikt aan de landdrost – werd toevertrouwd. Terwijl hij laatstgenoemde functie tot 4 maart 1808 zou uitoefenen, legde hij het landdrostschap al op 4 november 1807 neer.

Vanwege zijn administratieve en financiële talenten meende Lodewijk Napoleon dat Van Lamsweerde voor hem van meer nut zou zijn in de directie van zijn hofhouding, toen hij er eind 1807 plotseling toe overging deze ingrijpend te reorganiseren. Op 15 november 1807 benoemde hij hem daarom in de nieuw gecreëerde functie van intendant-generaal van ’s Konings Huis, waarbij hem het beheer van de paleizen met hun inboedel en de domeinen, alsmede de financiële administratie van de hofhouding toeviel. Terzelfder tijd kreeg Van Lamsweerde op 14 november 1807 zitting in de Staatsraad, het voornaamste adviescollege van de Koning. Wederom vanwege zijn deskundigheid had hij hier – afwisselend in gewone en in buitengewone dienst – meestentijd zitting in de sectie financiën. Het uitoefenen van deze betrekkingen bracht langdurige afwezigheid uit Zutphen, waar zijn echtgenote en kinderen bleven wonen, met zich mee. Het koninklijk hof en de Staatsraad resideerden namelijk vanaf oktober 1807 in Utrecht en vanaf april 1808 in Amsterdam. Op 1 januari 1809 verliet Van Lamsweerde de hofhouding en de Staatsraad, toen de Koning hem benoemde tot directeur-generaal der Posterijen binnen het ministerie van Financien, met opnieuw Amsterdam als standplaats.

Had Lodewijk Napoleon Van Lamsweerde reeds op 13 februari 1807 als ridder opgenomen in zijn Orde van de Unie, op 24 april 1808 werd hij hierin verheven tot commandeur. Een andere gunst viel de intendant-generaal op 16 januari 1808 ten deel, toen zijn zeventienjarige oudste zoon Maurits tot een van de twaalf pages van de Koning werd benoemd.

Aan Van Lamsweerdes verblijf nabij het centrum van de macht kwam een einde toen – na het vertrek van koning Lodewijk Napoleon begin juli 1810 – de Hollandse departementen werden ingelijfd bij het Franse keizerrijk. Voorlopig bleef Van Lamsweerde als directeur-generaal der Posterijen gehandhaafd, maar op 1 april 1811 werd hij naar zijn oude woonplaats Zutphen ‘verbannen’. Hier moest hij genoegen nemen met een aanstelling als juge de paix over het gelijknamige kanton. Tevens was hij van 1811 tot 1813 lid van zowel de conseil municipal van Zutphen als die van die van Gorssel. In laatstgenoemde gemeente bezat Van Lamsweerde namelijk sinds 1799 de buitenplaats ‘Het Elze’ met landgoederen te Eefde. Tegelijkertijd maakte hij van 12 juni 1811 tot 1813 deel uit van de conseil général van het departement Yssel supérieur. Vanaf maart 1812 was hij bovendien president van de conseil cantonal van het kanton Zutphen en sinds 25 mei 1812 trad hij op als plaatsvervanger van de sous-préfet van het arrondissement Zutphen..

Dat Van Lamsweerde zich tijdens de Inlijving tot lokale en regionale ambten moest beperken, betekende allerminst dat hij door de machthebbers in Parijs werd genegeerd of vergeten. Zo werd hij op 29 februari 1812 begunstigd met het commandeurskruis in de Ordre de la Réunion, terwijl hij en zijn zes zoons op 27 januari 1813 – evenals overigens vele andere Noord-Nederlandse edelen – de titel Baron de l’Empire ontvingen. Tijdens de Inlijving behoorde hij tot de 600 hoogstaangeslagenen in Gelderland.

Toen er eind november 1813 een einde kwam aan het Franse Keizerrijk, schaarde Van Lamsweerde zich aan de zijde van het Oranjebewind. Op 29 maart 1814 behoorde hij tot de 474 met zorg geselecteerde aristocraten, die in de Grote Vergadering van Notabelen te Amsterdam hun stem mochten uitbrengen over een nieuwe grondwet. Vanwege zijn grote bestuurservaring benoemde koning Willem I hem vervolgens op 6 april 1814 tot lid van de Raad van State. Hij zou tot aan zijn dood zitting hebben in de Raad van State en daar meermaals als plaatsvervangend vicepresident optreden.

Op 28 augustus 1814 benoemde de Koning Van Lamsweerde tot lid van de nieuw ingestelde Ridderschap van Gelderland. Hiermee werd officieel erkend dat hij en zijn geslacht tot de Nederlandse adel mochten worden gerekend. Hieraan was het recht verbonden het predicaat jonkheer te gebruiken. De door zijn familie van oudsher gevoerde titel van baron werd hem pas op 27 september 1817 verleend. Maar tot groot ongenoegen van Van Lamsweerde gebeurde dit slechts bij recht van eerstgeboorte, een besluit dat door hem in een vijftien jaar durende juridische strijd werd aangevochten. Pas op 24 juni 1832 werd bepaald dat ‘aan al zijn kinderen en afstammelingen de titel van baron en barones in alle officieele stukken’ moest worden gegeven.

In april 1814, toen Van Lamsweerde zitting kreeg in de Raad van State, waren hij en zijn echtgenote van de Rode Toorenstraat in Zutphen naar een herenhuis aan de Haagse Prinsengracht verhuisd. Sindsdien voerde hun zoon Theodoor in Zutphen het beheer over de Gelderse familiebezittingen. Na meer dan vier decennia lang onder snel wisselende regimes bestuursfuncties op lokaal, provinciaal en nationaal niveau te hebben vervuld, overleed Van Lamsweerde eind 1837 op 79-jarige leeftijd.

Archivalia:

Familie-archief Van Lamsweerde (0472) in Het Gelders Archief te Arnhem.

Literatuur:

J.C. Ramaer, ‘Gerrit Willem Joseph baron van Lamsweerde’, in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek VIII (Leiden 1930) 1006.

E.A.B.J. ten Brink, Geschiedenis van het Nederlandse Postwezen, 1795-1810 (Den Haag 1950).

H.J. Wijers, ‘Het stadsbestuur van Zutphen in de periode 1795-1802, in: Oud-Zutphen 2 (1983) 1 (maart) 1-7.

O. Schutte, De Orde van de Unie (Zutphen, 1985) 88, 143.

A.M. Elias en P.C.M. Schölvinck, m.m.v. H. Boels, Volksrepresentanten en wetgevers. De politieke elite in de Bataafs-Franse tijd, 1796-1810 (Amsterdam 1991) 146-147.

P.W. van Wissing (red.), De eerste volksvertegenwoordigers van Gelderland in 1795 (Amsterdam 1996) 145-146.

‘Van Lamsweerde’, in: Nederland's Adelsboek 87 (Den Haag 1998) 24.

Marc Lindeijer s.j., Tussen kasteel en kerk. De katholieke Gelderse adel, 1765-1827 (Aalten 2014).

‘Gerardus Wilhelmus Josephus baron van Lamsweerde’, in: Repertorium van ambtsdragers en ambtenaren, 1428-1861 [online database].

Portret:

Gerrit Willem Joseph baron van Lamsweerde met om de hals de keizerlijke Ordre de la Réunion. Pastel door Theodorus Bohres (1812); Particuliere collectie (beschikbaar via: RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis).

A.J.C.M. Gabriëls

laatst gewijzigd: 25/03/2021