Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

LÉMON, Hartog de Hartog (ook bekend onder de namen Hertz ben Hirsch Wiener en Herz Levi Rofé), medicus en politicus (Amsterdam 15-3-1755 – Amsterdam 5-12-1823) Zoon van Hartog Marcus Lémon [ook: Wiener], koopman, en Marianne Joseph Boas. Gehuwd op 28-2-1783 met Vrouwtje [ook: Femmetje] Israël Cohen (ca. 1762-1790). Uit dit huwelijk werden waarschijnlijk 4 kinderen geboren, van wie er 3 (?) jong overleden.

Het leven van Hartog de Hartog Lémons voorouders, zijn eigen jeugd, volwassenheid en nakomelingen zijn grotendeels in nevelen gehuld. Het is bekend dat hij, samen met een broer en vijf zusters, opgroeide in Amsterdam als het oudste kind van een niet onbemiddelde koopman. Maar waarin deze precies handelde, is onduidelijk. Vanaf 4 november 1774 studeerde Hartog in Leiden ruim drie jaar lang medicijnen, het enige vak waarin joden zich vóór 1795 aan universiteiten in de Republiek mochten bekwamen. Tijdens deze jaren betaalde vader Lémon voor zijn oudste zoon kost en inwoning bij een wetsgetrouwe joodse familie. Op 21 januari 1778 promoveerde hij bij Frederik Bernard Albinus en Eduard Sandifort op een proefschrift over stuipen en epilepsie: Historia morbi convulsivi.

Aangenomen mag worden dat Lémon in de jaren direct na zijn promotie er op een of andere manier een beginnende praktijk als huisarts in Amsterdam op na hield. In 1781 vestigde Lémon zich als huisarts in de sterk antisemitische Noord-Duitse stad Emden. Twee jaar later trouwde hij met Vrouwtje Cohen, mogelijk een familielid van de bekende Amersfoorts-Amsterdamse tabaksplanter en bankier Benjamin Cohen.

In 1788 verliet Lémon Emden en keerde hij met zijn jonge gezin terug naar Amsterdam. Zijn vrouw zou hier overigens al twee jaar later, op hooguit 28-jarige leeftijd, overlijden. Als huisarts verwierf hij zich bij zijn joodse en christenpatiënten al snel een uitstekende reputatie. Zijn prakrijk breidde zich uit, en zijn inkomen nam toe. Daarnaast was hij vanaf 17 september 1788 één van de armendokters in dienst van de plaatselijke Hoogduits Joodse gemeente. Als zodanig was hem een wijk toegewezen in de oude jodenbuurten van de stad, waar hij gezondheidszorg gaf aan de daar wonende paupers.

Welke politieke standpunten Lémon in deze jaren van restauratie na de roerige Patriottentijd huldigde, is niet bekend. Het is waarschijnlijk dat hij – in tegenstelling tot zijn joodse stadsgenoten – geen Orangist was. Dat blijkt alleen al uit het feit dat hij begin 1789 zijn vertaling uit het Duits treurspel Bella van Friedrich Ludwig von Korff liet verschijnen bij de Amsterdamse uitgever Willem Holtrop, een fervente Patriot.

Van grote betekenis voor Lémons ontwikkeling tot verlicht politiek denker zou zijn deelname zijn aan de door Benjamin Cohen in diens Amsterdamse woning georganiseerde bijeenkomsten van jonge joden met een zekere intellectuele ontwikkeling. Dit gezelschap volgde sinds het begin van de Revolutie van 1789 met grote belangstelling de politieke ontwikkelingen in Frankrijk. Hoewel Cohen zelf van huis uit een trouw aanhanger van de Oranjes was, werden de grotendeels aan hem geparenteerde bezoekers onder zijn auspiciën weldra overtuigde aanhangers van de staatkundige ideeën die ten grondslag lagen aan de Revolutie. Van doorslaggevende betekenis voor de standpunten van de kring rondom Cohen was de verklaring van de Franse Wetgevende Vergadering van 1 oktober 1791 dat – op grond van de twee jaar eerder afgekondigde Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger – joden beschouwd dienden te worden als gelijkberechtigde burgers van de Franse staat. Bovendien werd hun religie op grond van de volledige scheiding van Kerk en Staat een zuivere privé-aangelegenheid.

Kort nadat de Bataafse omwenteling zich met steun van het Franse revolutionaire leger had voltrokken, richtten op 6 februari 1795 een aantal Amsterdamse joden – grotendeels behorend tot de kring rondom Cohen – de sociëteit ‘Felix Libertate’ op. Deze politieke club stelde zich als belangrijkste doel joden en niet-joden te overtuigen van de noodzaak om op basis van de Verklaring van de Rechten van de Mens en Burger te erkennen dat ook de in de Bataafse Republiek gevestigde joden dezelfde rechten en plichten hadden als hun christelijke landgenoten. De voornaamste woordvoerders van ‘Felix Libertate’ werden de jurist Mozes Asser en Lémon, die respectievelijk als voorzitter en secretaris optraden. Zij en hun geestverwanten beschouwden gelijkberechtiging als eerste voorwaarde voor de materiële en geestelijke verheffing van het – vooral in Amsterdam – in bittere armoede en onwetendheid levende talrijke joodse proletariaat.

Het bevechten van burgerrechten voor joden bij de nieuwe machthebbers was overigens niet de enige strijd die ‘Felix Libertate’ moest leveren. Het streven naar vernieuwing maakte namelijk ook binnen de eigen groep sterke tegenkrachten los. Al direct kwam het tot een heftige confrontatie tussen de leden van ‘Felix Libertate’ en de conservatieve bestuurders van de Hoogduitse en Portugese gemeentes in Amsterdam. Deze parnassim weigerden hun geloofsgenoten bekend te maken met de op 31 januari 1795 aanvaarde Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger, vooral omdat zij vreesden, dat het hierin opgenomen artikel betreffende de godsdienstvrijheid de weg zou vrijmaken voor assimilatie en afvalligheid. Het geschil liep zo hoog op dat de parnassim strafmaatregelen namen tegen de tot ongehoorzaamheid aanzettende dissidenten van ‘Felix Libertate’. Secretaris Lémon – die de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger in de synagoge had willen voorlezen – werd op 30 maart 1795 door de leiding van de Hoogduits Joodse Gemeente als armendokter ontslagen.

De inspanningen van ‘Felix Libertate’ droegen er mede toe bij dat de Nationale Vergadering op 2 september 1796 instemde met de ‘Gelykstaat der Jooden’. Na afkondiging van dit emancipatiedecreet hadden de parnassim in Amsterdam hun kerkelijke reglementen in overeenstemming met de nieuwe situatie moeten brengen. Tot ongenoegen van de leden van ‘Felix Libertate’ weigerden zij echter pertinent ook maar iets van hun onevenredig grote macht over hun gemeentes prijs te geven. Uiteindelijk kwam het op 26 maart 1797 tot een breuk: 21 leden van de Amsterdamse Hoogduits Joodse Gemeente – de kern van ‘Felix Libertate’ – scheidden zich af en stichtten enkele dagen later een nieuwe – slechts zo’n vijfhonderd zielen tellende – gemeente, genaamd ‘Adath Jeschurun’. Lémon aanvaardde hiervan onmiddellijk het voorzitterschap.

Vrijwel gelijktijdig was Lemon ook lid was geworden van de eind maart 1797 opgerichte Amsterdamse sociëteit ‘Voor Een- en Ondeelbaarheid’; Op 8 augustus van dat jaar, toen de verkiezingen voor een nieuwe Nationale Vergadering werden voorbereid, was Lémon er zelfs voorzitter van geworden. De leden van deze politiek-radicale club namen in de sterk gepolariseerde verhoudingen in de jonge Bataafse Republiek een Unitaristisch standpunt in. Zij streefden naar een sterk centraal gezag en stonden daarbij lijnrecht tegenover de Federalisten, die zoveel mogelijk de autonomie van stedelijke en provinciale besturen wilden handhaven.

In de nieuwe volksvertegenwoordiging namen op 1 september 1797 voor het eerst twee joodse afgevaardigden zitting, te weten de arts Lémon, en de voormalige Surinaamse planter Herman Bromet, evenals zijn collega een uitgesproken Unitarist. Lémon nam actief deel aan de parlementaire besprekingen, maar de bejaarde Bromet kwam nauwelijks aan het woord.

Na de verkiezingen was de verhouding tussen Unitaristen en Federalisten in de Nationale Vergadering niet zodanig dat een van beide de tegenpartij haar wil kon opleggen. Al spoedig concludeerden leidende Unitaristen – hoewel niet allen – dat alleen een staatsgreep het verzet van hun tegenstanders tegen de invoering van een relatief democratische grondwet kon breken. Ook Lémon toonde zich een warm voorstander van een dergelijke ingrijpen. Hij was zelfs een van de tien parlementariërs, die in het diepste geheim op de hoogte werden gehouden van voorbereidingen van de coup die op 22 januari 1798 zonder bloedvergieten plaatshad. Lémon behield zijn zetel in de nieuwe ‘Constitueerende Vergadering representeerende het Bataafsche Volk’, die zich op 4 mei van dat jaar omvormde tot Vertegenwoordigend Lichaam.

Aan Lémons parlementaire loopbaan kwam een einde met een nieuwe staatsgreep op 12 juni 1798 die de gematigde Unitaristen aan de macht bracht. Met enkele andere afgevaardigden werd hij overgebracht naar Huis ten Bosch, waar hij tot 12 juli gevangen werd gehouden. Een poging om bij de daaropvolgende verkiezingen wederom in het Vertegenwoordigend Lichaam te worden gekozen, werd effectief gedwarsboomd door de parnassim van de Hoogduits Joodse Gemeente, die ervoor zorgden dat hun kandidaat zegevierde. Voortaan wijdde Lémon zich weer volledig aan zijn bloeiende huisartsenpraktijk. Wel bleef hij actief in het bestuur van ‘Adath Jeschurun’.

Pas tijdens het Koninkrijk Holland (1806-1810) ging Lémon opnieuw een rol spelen in het openbare leven. Zo was hij één van de drie afgevaardigden van ‘Adath Jeschurun’ die van 12 februari tot en met 9 maart 1807 als buitenlandse toehoorders de vergaderingen bijwoonden van het Groot Sanhédrin, dat op initiatief van keizer Napoleon in Parijs bijeenkwam. Verder was Lémon waarschijnlijk de auteur van een begin 1807 – mogelijk op verzoek van koning Lodewijk – opgesteld rapport, ‘Recherches sur l’état des Juifs en Hollande’. Hierin zet hij uiteen wat de voornaamste oorzaken van de schrijnende armoede en onwetendheid onder het joodse proletariaat waren en waarin hij aangaf welke maatregelen een betere integratie en acceptatie van joden in de samenleving konden bevorderen.

Voor koning Lodewijk stond vast dat alvorens toe te komen aan de maatschappelijke en geestelijke verheffing van de joden in zijn Koninkrijk eerst de onderlinge geschillen binnen de joodse gemeenschap moesten worden bijgelegd. Aldus kwam het op 2 september 1808 – na moeizame onderhandelingen – eerst tot een hereniging van ‘Adath Jeschurun’ met de Hoogduitse Joodse Gemeente, en vervolgens, tien dagen later, tot de oprichting van het ‘Opper-Consistorie der Hollandsche Hoogduitsche Joodsche of Israëlitische Gemeente in het Koninkrijk Holland’. Het dagelijks bestuur van dit overkoepelende lichaam werd benoemd door de Koning en was gevestigd in Amsterdam. Bij toerbeurt trad een van bestuursleden een half jaar lang op als voorzitter. Lémon vervulde deze functie niet alleen vaker dan zijn collega’s. Hij trad binnen het Opper-Consistorie bovendien op als voorzitter van belangrijke subcommissies, zoals de werkhuiscommissie en de commissie van armenscholen, die in overleg met de Koning ambitieuze hervormingsplannen uitwerkten. Van alle mooie plannen kwam heel weinig terecht, alleen al omdat koning Lodewijk zich door de economische malaise niet aan zijn belofte kon houden de beoogde hervormingen financieel te steunen. Nadat diens koninkrijk in juli 1810 bij Napoleons keizerrijk was ingelijfd, viel het doek voor het Opper-Consistorie. In februari 1811 werd de inmiddels failliete organisatie onderdeel van het in Parijs gevestigde ‘Consistoire central’.

Nu Lémons bestuurlijke rol was uitgespeeld, richtte hij zich weer geheel op zijn medische professie. De zorg voor zijn particuliere patiënten combineerde hij vanaf mei 1809 opnieuw met een aanstelling als armendokter. Daarnaast verdiepte hij zich in nieuwe ontwikkelingen op zijn vakgebied, waarover hij voordrachten hield en brochures en artikelen publiceerde. Zo toonde hij zich een hartstochtelijk pleitbezorger van de koepokvaccinatie. Had hij in 1808 al een Verhandeling over de genezing der koude koortsen door tourniquets gepubliceerd, in 1811 maakte hij naam met een Proeve eener beknopte en letterkundige geschiedenis, van het stelsel van Brown. Verder was Lémon vanaf 1810 tot kort voor zijn overlijden redacteur en medewerker van de door het artsengenootschap ‘Arti Salutiferae’ uitgegeven Bijdragen tot theoretische en practische geneeskunde (1810-1813), de Jaarboeken der genees-, heel- en natuurkunde (1812-1818) en Geneeskundige Mengelingen (1818-1824).

Inmiddels was Lémon in de nacht van 12 op 13 februari 1813 door de Franse autoriteiten gearresteerd op verdenking van betrokkenheid bij de plannen van kapitein August Maas om, zodra de situatie daartoe rijp was, een gewapende opstand tegen de Fransen te ontketenen. Op 22 februari 1813 werd hij door de Franse militaire rechtbank in Amsterdam voor vermeende ‘politieke schuld’ veroordeeld tot een geldboete en twee jaar gevangenisstraf. Op bevel van Napoleon werd hij vervolgens opgesloten eerst in het Kasteel van Ham bij Saint-Quentin, waar zich al meer politieke gevangenen bevonden, en daarna in de militare kazerne van Amiens. Op 6 april 1814, een week na de inname van Parijs door de geallieerden, werd Lémon door het nieuwe Franse bewind vrijgelaten en kon hij naar Amsterdam terugkeren.

Om zijn goede naam te zuiveren publiceerde Lémon vervolgens de brochure Iets over de nooit plaats gehad hebbende zamenzwering te Amsterdam in februarij 1813 (1814). Dat hij nooit van plan was geweest mee te werken om een gewapende opstand tegen de Franse bezettingsmacht te ontketenen, zo lang deze nog stevig in het zadel zat, is evident; in zoverre was er inderdaad geen sprake van een samenzwering. Geloofwaardiger is echter de verklaring van de ten slotte ter dood veroordeelde kapitein Maas, dat Lémon tegenover hem er voor had gepleit bij een spoedig te verwachten invasie van het Britse leger en een gedwongen terugtocht van de Fransen, onmiddellijk de als onverdachte republikein bekend staande Johan Valckenaer tot staatshoofd uit te roepen. Zo kon worden voorkomen dat de Engelsen met steun van Nederlandse Orangisten de zoon van de laatste Stadhouder aan de macht zouden helpen. Dit strookte grotendeels met wat Lémon tijdens zijn verhoor had toegegeven, namelijk ‘zich te hebben bezonnen op middelen om weerstand te bieden aan de Orangisten – die hij altijd als een 'parti persécuteur' had beschouwd – en aan de Engelsen, wanneer de laatstgenoemden op de Hollandse kusten zouden landen, welk gerucht alom de ronde deed’ (In het Frans geciteerd in: Bloemgarten, 380). Aangezien de uit ballingschap teruggekeerde Prins van Oranje in november 1813 tot Soeverein Vorst was uitgeroepen, leek het Lémon kennelijk verstandig om niet langer als een felle anti-Orangist bekend te staan.

Na 1814 trad Lémon nauwelijks nog in de openbaarheid: noch binnen de joodse gemeenschap noch in politiek of bestuur vervulde hij toen een functie. Ongetwijfeld heeft zijn gevangenschap in Frankrijk zowel Lémons aanzien als ook zijn inkomen geschaad, getuige zijn verhuizing van de Nieuwe Keizersgracht naar een bescheidener woning in de nieuwe Hoogstraat, waar hij zijn dokterspraktijk voortzette tot kort voor zijn dood eind 1823 op 68-jarige leeftijd.


Publicaties:
Behalve de in de tekst genoemde publicaties:
  • Aanspraak, uitgesproken in de kerk der nieuwe Joodsche gemeente binnen Amsterdam, ter gelegenheid der inwyding derzelve, op den 23 Juny 1797 ... (z.pl. 1797).

Literatuur:
  • J. Zwarts, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek VI (Leiden 1924) 930-931.
  • M.E. Bolle, De opheffing van de autonomie der Kehilloth (Joodse gemeenten) in Nederland, 1796 (Amsterdam 1960)
  • Gerrit Arie Lindeboom, Dutch medical biography. A biographical dictionary of Dutch physicians and surgeons, 1475-1975 (Amsterdam 1984) 1171-1172.
  • A.J. Hanou, Sluiers van Isis. Johannes Kinker als voorvechter van de Verlichting, in de Vrijmetselarij en andere Nederlandse genootschappen, 1790-1845 (2 dln.; Deventer 1988).
  • Jozeph Michman, The history of Dutch Jewry during the emancipation period, 1787-1815. Gothic turrets on a Corinthian building (Amsterdam 1995).
  • E.J. Vles, Een joodse arts in de Bataafse tijd. Hartog de Lemon c. 1754-1823 (Rhoon 2000).
  • Salvador Bloemgarten, Hartog de Hartog Lémon 1755-1823. Joodse revolutionair in Franse Tijd (Amsterdam 2007).

Portret:
Hartog de Hartog Lémon; gravure (1807) door een anonieme kunstenaar naar een verloren gegane pastel (anoniem).


Salvador Bloemgarten

laatst gewijzigd: 29/04/2015