Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

LINDEN, Joannes van der, jurist en publicist (Zuid-Scharwoude 23-2-1756 – Amsterdam 1-8-1835). Zoon van Johannes van der Linden, gereformeerd predikant, en Petronnella van den Boogaart. Gehuwd op 6-8-1781 met Helena Outhuys (1751-1801). Na haar overlijden (27-4-1801) gehuwd op 25-4-1806 (ondertrouw) met Geertruijda Kragt. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Joannes van der Linden groeide op in het Noord-Hollandse Zuid-Scharwoude, waar zijn vader van 1752 tot 1763 gereformeerd predikant was. Vanaf 23 februari 1770 studeerde hij rechten aan de universiteit van Leiden en hij volgde er colleges bij de hoogleraar rechtsfilosofie Frederik Willem Pestel en de hoogleraar Romeins en hedendaags recht Dionysius Godefridus van der Keessel. Hij promoveerde op 1 maart 1774 op het proefschrift De iure viduarum (Over het recht der weduwen). De belangstelling voor de rechtspositie van weduwen en wezen zou hij als advocaat blijven behouden, getuige zijn veelvuldig optreden voor de Amsterdamse Weeskamer en de Desolate Boedelkamer. Hij liet zich op 3 mei 1774 als advocaat inschrijven bij het Hof van Holland en Zeeland en vestigde zich aanvankelijk in Den Haag, waar hij de praktijk leerde. Tevens trad hij op als juridisch adviseur van de baljuw en schout van deze stad en was hij van 1794 tot 1795 als leenman belast met de criminele justitie van de heerlijkheden Rhoon en Pendrecht ten zuiden van Rotterdam.

Van der Linden had zich inmiddels onderscheiden als publicist van juridische handboeken. Hij had een fabuleuze talenkennis: hij vertaalde van en naar het Latijn, Frans en Duits. Al twee jaar na zijn promotie schreef hij samen met de juristen Didericus Lulius en Pieter en Reinier van Spaan twee compendia op Hugo de Groots Inleydinghe tot de Hollandsche rechtsgheleerdheyd uit 1631, te weten Honderd rechtsgeleerde Observatien … (1776) en samen met Lulius het vierdelige Rechtsgeleerde Observatien …(1776-1778). Ook publiceerde hij in 1793 een supplement op het in 1716 door de rechtsgeleerde Johannes Voet uitgegeven Commentarius ad Pandectas. Het vormde het begin van een groot oeuvre waarmee Van der Linden naam maakte als praktijkjurist.

Van der Lindens belangrijkste werk in deze jaren was de tweedelige Verhandeling over de judicieele practijcq, of form van procedeeren voor de Hoven van Justitie in Holland gebruikelijk (1794, 1798) – opgedragen aan zijn leermeester Van der Keessel – over het procesrecht voor het Hof van Holland en Zeeland, dat tot 1811 zou blijven gelden. De grote kracht van deze Verhandeling lag in de heldere en systematische uiteenzetting van het geldende recht, zonder al te zeer te vervallen in wetenschappelijke beschouwingen. Ofschoon bedoeld voor jonge advocaten, zou het al snel het procesrechterlijke standaardwerk worden voor iedereen die zijn brood verdiende in de rechtspraktijk.

Ondertussen had Van der Linden zich in 1797 als advocaat definitief gevestigd in Amsterdam, waar hij naast de praktijk onverdroten doorging met publiceren. Daartoe bouwde hij een zo omvangrijke bibliotheek op, dat hij een pakhuis in de stad moest huren om zijn boekenverzameling in onder te brengen. De populariteit van zijn geschriften werd vanwege hun praktische gerichtheid door sommigen in de wetenschappelijke wereld met enig dedain bekeken, temeer daar Van der Linden zich zelf nogal kritisch uitte over de weinig praktische juridische opleiding aan de universiteiten hier te lande. De Amsterdamse hoogleraar Hendrik Constantijn Cras liet zich in dit verband eens ontvallen: ‘De man spreekt nogal op hoge toon, terwijl het mij voorkomt, dat hij niet veel wetenschap bezit, en daarom zich tegen het wetenschappelijke verklaart’ (Nat. Arch., Coll. Elout VIII, inv.nr. 90).

Het was overigens niet Van der Lindens ambitie een wetenschappelijk rechtsgeleerde te zijn; veeleer wilde hij als praktijkjurist het bestaande recht helder en systematisch uitleggen. Dat verhinderde overigens niet dat hij – zij het op de achtergrond – na de politieke omwenteling van 1795 werd ingeschakeld bij de codificatiewerkzaamheden in de Bataafse Republiek. In 1798 werd een commissie van twaalf juristen ingesteld onder voorzitterschap van Cras, die het burgerlijk, straf- en procesrecht moest codificeren. Deze ‘Commissie van Twaalf’ zou uiteindelijk niet slagen in haar opdracht, onder meer door het leerstellige karakter van haar ontwerpen. Het enige wetboek dat zij afleverde, was de Algemeene manier van procedeeren in civiele en crimineele zaaken, dat op 22 augustus 1799 door het Vertegenwoordigend Lichaam – het toenmalige Bataafse parlement – werd vastgesteld. Van der Linden was van deze commissie secretaris en verzorgde ook het uitgebreide register. Vermoedelijk heeft hij ook een belangrijke inhoudelijke bijdrage aan dit Wetboek geleverd. Een van de commissieleden, Jan Lodewijk Farjon, wist zelfs te melden dat het burgerlijk procesrecht geheel het werk was van Van der Linden (Nat. Arch., Coll. C.F. van Maanen 1900, inv.nr. 236).

In 1806 verscheen Van der Lindens uitgave van het Regtsgeleerd, practicaal en koopmans handboek, waarmee hij zijn reputatie als practicus nog eens kracht bijzette. Het is het laatste eigentijdse overzichtswerk van het toen nog geldend oud-vaderlands recht, in het bijzonder van het handelsrecht, en zou van 1859 tot 1901 in Zuid-Afrika gelden als het Wetboek van Koophandel voor de Zuid-Afrikaanse republiek Transvaal. De naam Van der Linden was dan ook ‘a household word with law students in South Africa’ (Cerutti (1965), 40).

Toen Lodewijk Bonaparte in juni 1806 de troon van het Koninkrijk Holland besteeg, was de codificatiearbeid blijven steken in enkele voorontwerpen, die vanwege de leerstelligheid geen genade vonden bij de Koning en bij het Hoog Nationaal Gerechtshof, dat ze eind 1806 definitief afkeurde. Lodewijk beval nu een andere aanpak. Waarschijnlijk gaf hij omstreeks de jaarwisseling van 1806/1807 Van der Linden in het geheim opdracht zo snel mogelijk een burgerlijk wetboek – waaronder ook het handelsrecht – te ontwerpen. De keuze was op de Amsterdamse advocaat gevallen, niet alleen vanwege zijn kennis van het geldende recht en zijn praktische werkwijze, maar ook omdat hij al enige werken van de achttiende-eeuwse Franse jurist Robert-Joseph Pothier op het gebied van het handelsrecht had vertaald en becommentarieerd en zodoende ook het Franse recht goed kende.

Dankzij zijn grote werkdrift presteerde Van der Linden het om het Burgerlijk Wetboek voor het Koningrijk Holland (1807-1808) in nog geen twee jaar te voltooien. Wel zag hij zich daarbij gedwongen zich tijdelijk uit zijn drukke advocatenpraktijk terug te trekken. Bovendien had hij speciaal voor de codificatiearbeid buiten de stad een huis gehuurd, waarheen hij zijn juridische bibliotheek had laten overbrengen om daar ongestoord te kunnen werken. Van der Linden kon daarbij weliswaar steunen op de ontwerpen van de ‘Commissie van Twaalf’, maar maakte daarvan kritisch en zelfstandig gebruik. De vrees van ex-voorzitter Cras dat de advocaat met zijn ontwerpen aan de haal zou gaan, was derhalve onterecht. Van der Lindens ontwerp bestond uit een algemene inleiding en vier boeken: het personenrecht, het zakelijk recht, het verbintenissenrecht en het procesrecht. In de toelichting op de inleiding en het eerste boek liet hij niet na zich af te zetten tegen de meer leerstellige ontwerpen van de ‘Commissie van Twaalf’: ‘Men moet de regtsgeleerdheid hier niet beschouwen uit het oogpunt eener wetenschap, maar uit dat van verordeningen, welken de eenvoudige landman, zoo wel als geleerde, zich ten regelmaat moet voorstellen’.

Het overigens voortreffelijke werk van Van der Linden – waarop latere codificaties voortbouwden – zou echter nooit als wetboek worden vastgesteld. In 1807, terwijl Van der Linden nog bezig was, werd Lodewijk door zijn keizerlijke broer gedwongen het Franse burgerlijk wetboek, de Code Napoléon, over te nemen. Ondanks dit keizerlijk directief liet Lodewijk Van der Linden heimelijk zijn ontwerp voltooien. Het diende als blauwdruk voor de drie commissies, die daarna door de Koning op 18 november 1807 officieel werden ingesteld. Deze commissies bestonden uit leden van de departementale gerechtshoven. Zo kwamen dan eindelijk in 1809 drie nationale wetboeken gereed: het Crimineel Wetboek voor het Koningrijk Holland, het Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koningrijk Holland, en het Wetboek op de Regterlijke Instellingen en Regtspleging in het Koningrijk Holland. Het Wetboek Napoleon, waarin het burgerlijk recht beschreven stond, leunde echter meer op het ontwerp van Van der Linden, dan op de Code Napoléon. Van der Linden heeft op eigen initiatief uitgebreide beredeneerde registers op deze wetboeken gemaakt, die al snel uitverkocht raakten. Het bewijst temeer de populariteit van zijn werk onder de praktijkjuristen.

Ondertussen was Van der Linden op een andere manier officieel bij de codificatie betrokken. Op advies van de commissie die het Wetboek Napoleon moest ontwerpen, maar ook omdat in Frankrijk vanaf 1807 de Code de Commerce van kracht was, besloot koning Lodewijk het handelsrecht in een afzonderlijk Wetboek van Koophandel op te nemen. Hiervoor werd in 1808 een commissie benoemd waarin, naast de staatsraad Arnoldus van Gennep, de handelsrechtdeskundige Mozes Salomon Asser, ook Van der Linden zitting had. De commissie slaagde er in nog geen acht maanden in het ontwerp aan de Koning aan te bieden. Ook hier ontleende men het meest aan het Burgerlijk Wetboek van Van der Linden, dat op het gebied van het handelsrecht grotendeels gebaseerd was op nationaal gewoonterecht, meer dan op de Franse Code de Commerce.

Al deze codificatiearbeid zou voorlopig vergeefs zijn, omdat het Koninkrijk Holland begin juli 1810 bij het Keizerrijk werd ingelijfd, waardoor hier de Franse wetgeving van kracht werd. Voor Van der Linden als auteur betekende deze wijziging van de staatkundige situatie weer volop werk. Hij publiceerde handleidingen over de Franse wetgeving op het notariaat, het procesrecht en het successierecht. Ook maakte hij – het werd langzamerhand zijn specialiteit – algemene registers op de Franse wetboeken.

Na het herstel van de onafhankelijkheid, eind 1813, bleef het opmerkelijk stil rond Van der Linden. Over zijn privéleven zijn we nauwelijks ingelicht. Het schijnt dat hij het financieel niet breed had en in Amsterdam een magere praktijk had als advocaat. Dat had te maken met het feit dat hij erg bescheiden was. Enige deftigheid was hem vreemd. Volgens de overlevering was het merendeel van zijn cliënten weinig vermogend en het kwam niet bij hem op hoge declaraties in rekening te brengen. Nog jaren na zijn dood werd zijn onbaatzuchtigheid andere advocaten ten voorbeeld gesteld.

In 1824 werd Van der Linden door zijn vrienden en vakgenoten gehuldigd op zijn vijftigjarig promotiefeest. Bij deze gelegenheid hield Van der Linden een Redevoering over het geen de ondervinding van eene halve eeuw mij geleerd heeft, dat een advocaat voornamelijk behoort in acht te nemen, of te vermijden. Hij putte daarbij uit eigen ervaring. Deze rede zou hij bewerken tot een ruim honderd bladzijden tellende publicatie, De Ware Pleiter, die in 1827 verscheen en nog steeds in advocatenkringen graag wordt gelezen.

Op 20 juni 1827 werd Van der Linden benoemd tot rechter in de rechtbank van eerste aanleg in Amsterdam, vermoedelijk om hem zo aan een – zij het uiterst karig gesalarieerde – baan te helpen. Hij stierf op 79-jarige leeftijd in 1835, volkomen onbemiddeld. Dankzij de verkoop van zijn uitgebreide bibliotheek kon een deficit van zijn nalatenschap worden voorkomen.

Joannes van der Linden geldt als de vruchtbaarste rechtsgeleerde publicist in de overgang van ancien régime naar nieuwe tijd. Zijn geschriften waren gericht op de praktijk en stonden bewust ver van de academische geleerdheid. Van der Linden bezat de gave het geldend recht en de heersende rechtsopvattingen helder samen te vatten en te systematiseren. Ook is hij door zijn publicaties en als mede-codificator van grote betekenis geweest voor het handelsrecht. Als advocaat heeft hij aan het einde van zijn leven zijn confrères een spiegel voorgehouden met zijn Ware Pleiter, dat aan actualiteit nog niets heeft ingeboet.

Publicaties:
Naast de in de tekst genoemde publicaties, alsmede vertalingen uit het Frans en Duits van werken van o.a. J.H. Castéra, J.F. de Galaup de Lapérouse, Chr. Girtanner, Chr.W. Hufeland, J.Ch. Laveaux, J.D. Metzger, K.F. Pockels, R.J. Pothier en F.V. Reinhard o.a.:

  • Korte schets der form van procedeeren, voor de Hoven van Justitie in Holland gebruikelyk, voor eenige jaaren door een voornaam en kundig practizyn zaamgesteld ('s-Gravenhage 1781).
  • Memorien, raakende twee interessante crimineele quaestien … (Utrecht 1791).
  • Verzameling van merkwaardige gewijsden der geregts-hoven in Holland (Leiden 1803).
  • Verhandeling van het ambt van notarissen (Amsterdam 1809).
  • Beredeneerd register op het Wetboek Napoleon, ingerigt voor het Koningrijk Holland (Amsterdam 1809).
  • Beredeneerd register op het Crimineel wetboek voor het Koningrijk Holland (Amsterdam 1809).
  • Verhandeling van het notaris-ambt in Frankrijk (5 dln.; Amsterdam 1810-1811).
  • Verhandeling van het regt of de belasting op de successie, volgens de Fransche wetten (’s-Gravenhage 1812).
  • Manier van procederen in civiele zaken voor de geregtshoven en regtbanken in Frankrijk (Amsterdam 1812).
  • Algemeen register der voornaamste zaken, voorkomende in het wetboek Napoleon, wetboek van civiele regtsvordering, wetboek van koophandel, wetboek van strafvordering en het wetboek van strafregt (2 dln.; 's-Gravenhage 1813).
  • Handboek der regten van het zegel, de registratie, griffie en hypotheek, zoo als dezelve in de Vereenigde Nederlanden op nieuw in werking zijn gebragt (’s-Gravenhage 1813-1814).


Literatuur:

  • Catalogus bibliothecae Joannis van der Linden (Amsterdam 1802).
  • M.C. van Hall, Mr. J. van der Linden en mr. J.D. Meijer als regstgeleerden herinnerd (Amsterdam 1853).
  • L. van Heijnsbergen, lemma in: Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek VII (Leiden 1927) 769-770.
  • H.F.W.D. Fischer ed., Hugonis Grotii Institutiones Juris Hollandici en Belgico in Latinum sermonem translatae a Joanne van der Linden J.U.D. (Haarlem 1962).
  • F.F.X. Cerutti, ‘Een ontwerp-regeling inzake huur en pacht van 1800’ in: Pacht en grondgebruik. Een bundel opstellen … Onder red. van J. van Andel [e.a.] (Deventer 1964) 41-68.
  • F.F.X. Cerutti, ‘Het ontwerp Burgerlijk Wetboek van Joannes van der Linden (1807)’, in: Opstellen over recht en rechtsgeschiedenis aangeboden aan prof.mr. B.H.D. Hermesdorf (Deventer 1965) 39-72.
  • J. Th. de Smidt ed., Joannes van der Linden, Ontwerp Burgerlijk Wetboek 1807-1808 (Amsterdam 1967).
  • H. Cohen Jehoram, ‘Joannes van der Linden (1756-1835)’, in: Ars Aequi 19 (1970) 403-404.
  • P.C. Kop, ‘Joannes van der Linden (1756-1835)’, in: Zestig juristen. Bijdragen tot een beeld van de geschiedenis der Nederlandse rechtswetenschap. Onder red. van T.J. Veen en P.C. Kop (Zwolle 1987) 196-200.
  • O. Moorman van Kappen, ‘Étudier le droit d’après la méthode de Joannes van der Linden (1765 [sic]-1835)’, in: Droit et communication: dire, enseigner, publier. Onder red. van Christophe Leduc (Arras 2000) 21-29.
  • O. Moorman van Kappen, ‘Het Crimineel Wetboek voor het Koningrijk Holland van 1809 in het licht van zijn wordingsgeschiedenis’, in: Nederland in Franse schaduw. Recht en bestuur in het Koninkrijk Holland (1806-1810). Onder red. van J. Hallebeek en A.J.B. Sirks (Hilversum 2006) 201-220.
  • Martijn van der Burg, Nederland onder Franse invloed. Culturele overdracht en staatsvorming in de napoleontische tijd, 1799-1813 (Amsterdam 2009).

Portret:
Joannes van der Linden (1823); anonieme gravure (detail); Collectie Prentenkabinet Universiteit Leiden (afgebeeld in: Peter van den Berg, ‘Codificatie en staatsvorming in de tijd van Lodewijk Napoleon’, in: De Negentiende Eeuw 30 (2006) 165).


M.W. van Boven

laatst gewijzigd: 12/11/2013