Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

LOOSJES [Pz.], Adriaan, ondernemer en schrijver (Den Hoorn 13-5-1761 – Haarlem 28-2-1818). Zoon van Petrus Loosjes [Az.], doopsgezind predikant, en Sijtje Oudt. Gehuwd op 23-11-1783 met Cornelia Johanna Herdingh (1761-1845). Uit dit huwelijk werden 3 zoons geboren.

Adriaan Loosjes werd geboren op Texel als oudste kind in een doopsgezind gezin. Al binnen een jaar verlieten zijn ouders het eiland, nadat zijn vader was beroepen naar Monnickendam. Ook daar bleven zij niet lang, want nog in 1762 nam Loosjes senior een beroep aan in Haarlem. In deze stad werden nog een broer geboren, die kort na zijn geboorte overleed, en een vijf jaar jongere zuster. Adriaan volgde een opleiding aan de plaatselijke Latijnse school, die hij in 1777 afsloot met een oratie in Latijnse verzen, getiteld ‘De rebus a Davide gestis’ (Over de daden door David begaan).

Het lag voor de hand dat Loosjes, in het voetspoor van zijn vader en grootvader, predikant zou worden. Voordat hij ging studeren kreeg hij echter eerst thuis privéonderwijs van de natuurkundige Martinus van Marum en de arts-botanicus David de Gorter, die hoogleraar was aan de universiteit van Harderwijk. Op 28 oktober 1778 liet Loosjes zich inschrijven aan de Doopsgezinde Kweekschool in Amsterdam, maar het jaar erop brak hij om onbekende redenen de studie af. Kennelijk besefte hij dat zijn ambities elders lagen, want na terugkeer in Haarlem ging hij hier in de leer bij boekhandelaar Cornelis van der Aa.

Al in 1777 ontplooide hij activiteiten op het letterkundige vlak. In dat jaar richtte hij het studentengenootschap ‘Honos alit artes’ op en schreef hij verschillende gelegenheidsgedichten. Zijn eerste gedrukte werk dateert uit 1779, namelijk Flora Harlemica, of lijst der planten rondom Haarlem in het wild groeiende, volgens het Zaamenstel van Linnaeus. Hij droeg dit werk, dat hij geschikt achtte voor apothekersleerlingen, op aan zijn leermeester De Gorter. Het werk zou hem op stevige kritiek komen te staan in het anonieme pamflet Roozenkrans voor Loosjes Flora (1779), waarin hij van hoogdravendheid, gemakzucht en plagiaat werd beschuldigd. Tien jaar later zou hij de Flora Harlemica een ‘misgeboorte van mijn jeugd’ noemen (geciteerd in: De Haan, 24).

Eveneens in 1779 richtte Loosjes een tweede genootschap op, ‘Vlijt moeder der Weetenschappen’. Het jaar erop publiceerde hij zijn eerste literaire werk van grotere omvang, de pastorale roman Menalkas, of Deugd boven vernuft (1780). Hij profileerde zich vanaf de jaren tachtig ook als politiek dichter. Tijdens de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) liet Loosjes geen kans onbenut zijn nationalistische gevoelens te uiten, zoals in De vaderlandsche zeeheld (1781), Zegezang op de vaderlandsche helden, nadat zy den Engelschen Admiraal Parker met zyn vloot op de vlugt hadden gedreven (1781) en M.A. de Ruyter, in X. boeken (1784). Hij toonde zich een fel voorstander van de Patriotten, zoals ook blijkt uit zijn bijdragen vanaf 1782 in het politiek weekblad De Post van den Neder-Rhijn, alsmede de lierzang Gedenkzuil, ter gelegenheid der vry-verklaaring van Noord-America (1782) en de mede door hem uitgegeven bundel Gedenkzuil voor Johan Derk, Baron Van der Capellen tot den Pol (1784), waarin ook een bijdrage van hem is opgenomen.

Inmiddels had Loosjes op 12 augustus 1782 zijn proeve van bekwaamheid voor het Haarlemse boekverkopergilde afgelegd en werd hij als lid bijgeschreven. Drie maanden later trouwde hij met de Leidse Cornelia Johanna Herdingh om kort daarop, nog in 1782, zijn eigen boekhandel-uitgeverij te openen. Sinds die tijd gaf hij voortaan zijn eigen werken uit.

Na de ophef om de Flora Harlemica raakte Loosjes in 1782 voor de tweede maal in opspraak. Ditmaal betrof het zijn artikel ‘Schetze eeniger vereischten in eenen goeden tooneelspeler’, verschenen in het Taal- dicht- en letterkundig kabinet (2 (1782) 225-232), waarin hij voorschriften gaf voor de houding, de uitspraak, de gebaren en het karakter van acteurs. Het ontlokte een fel en anoniem tegengeschrift, Vrymoedige gedachten, over den lofwaerdigen jongen dichter A. Loosjes Pz. ten spoore van meerder kunstwyze (1782), waarin hij van pedanterie en verwaandheid werd beschuldigd. Een weerwoord van Loosjes is niet bekend.

Loosjes’ belangstelling voor toneel werd er niet minder om. In 1785 richtte hij samen met boekhandelaar Jan van Walré het toneelgezelschap ‘Leerzaam vermaak' op, waarbij hij ook zelf zo nu en dan rollen vertolkte. Verder publiceerde hij in de jaren 1785-1786 maar liefst acht toneelstukken, waaronder het treurspel Capellen tot den Poll (1785). Als overtuigd Patriot was Loosjes in deze jaren ook actief als secretaris van de revolutionaire burgersociëteit in Haarlem. Hij beleefde naar eigen zeggen zeer angstige momenten, toen de stadhouderlijke macht in september 1787 met behulp van Pruisische troepen werd hersteld. Met afschuw beschrijft hij in Aanspraaken in de volksvergadering te Haarlem, bij gelegenheid van der eerste verjaaring der omwenteling van 1795 […] gedaan (Haarlem 1796) het geweld waarmee de contrarevolutie tot stand werd gebracht.

Voor Loosjes’ boekhandel-uitgeverij had de omwenteling echter geen negatieve gevolgen, want hij ontplooide in de jaren 1788-1789 tal van nieuwe activiteiten. In 1788 richtte hij samen met Cornelis de Vries, gewezen predikant van de doopsgezinde gemeente in Utrecht, de Algemeene Konst- en Letterbode op. Het tweetal zou ruim twintig jaar de uitgave van dit weekblad verzorgen, dat nieuws uit de kunst- en letterwereld bevatte, totdat Loosjes’ zoon Vincent in 1809 de plaats van De Vries innam. Soms liet Loosjes uitgeversbelangen prevaleren boven politieke kwesties. Zo probeerde hij in 1789 de Oranjegezinde dichter Willem Bilderdijk als correspondent aan het tijdschrift te binden, maar deze wees het verzoek af, omdat hij zichzelf ongeschikt vond. Een jaar later ving Loosjes overigens opnieuw bot bij Bilderdijk toen hij probeerde hem aan zich te binden voor een prozavertaling van Homerus.

Ook op sociaal-maatschappelijk terrein liet Loosjes zich gelden. Op 30 mei 1789 richtte hij met zijn zwager, de arts Martinus Nieuwenhuijzen, een Haarlems departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen op, waarvan hij de eerste voorzitter werd. Ook nam hij het initiatief tot de oprichting van verschillende daaraan gekoppelde instellingen, zoals de Leesbibliotheek (1794), het Openbaar Volksonderwijs (1795) en de Departementale school (1801) voor kinderen. Loosjes leverde in dit verband tal van proza- en dichtstukken ten behoeve van het onderwijs, waaronder het menigmaal herdrukte, en bij hem uitgegeven onderwijsboek in twee delen Levensschetsen van vaderlandsche mannen en vrouwen (1791-1798).

Op 23 oktober 1789 richtte Loosjes samen met twee andere Haarlemse ondernemers het genootschap ‘Democriet’ op, waar in besloten kring de dichtkunst op schertsende wijze werd beoefend. Al bij de oprichting leefde bij Loosjes het idee dat dit genootschap zijn uitgeverij ten goede zou kunnen komen. In het door hem opgestelde concept-reglement bedong hij het kopijrecht van alle werk, zonder daarvoor te hoeven betalen. Bij meerderheid van stemmen werd dit artikel op 18 juni 1793 echter geschrapt. Begin jaren negentig ontwikkelde de ‘Democriet’ zich tot een uitgesproken Patriots bolwerk, waarin kritiek op de aristocratie en Oranje een belangrijke plaats innamen.

Als schrijver had Loosjes in deze jaren een bijna onnavolgbare productiviteit. Twee genres springen eruit: het toneel en de roman. Tussen 1790 en 1793 verschenen in vier delen zijn Toneeloefeningen, waarin twaalf toneelstukken van uiteenlopende aard waren gebundeld. Daarnaast publiceerde Loosjes enkele dialoogromans over het vaderlandse verleden, zoals Frank van Borselen en Jacoba van Beijeren (1790), Charlotte van Bourbon (1792) en Huig de Groot en Maria van Reigersbergen (1794). In deze romans, die scenisch waren opgezet, beoogde hij bekende personen uit de vaderlandse geschiedenis op een menselijke manier voor te stellen door ze sprekend in te voeren; ze zijn karakteristiek voor het oeuvre van Loosjes.

Loosjes wist in de jaren 1787-1795 – ondanks zijn betrokkenheid bij de ‘Democriet’ – naar buiten toe zo’n neutrale kleur aan te nemen, dat hij na de Bataafse Revolutie van 1795 van Orangistische sympathieën werd beschuldigd. In het pamflet Aan mijne medeburgers (Haarlem, 20 april 1795) weerlegde hij de aantijgingen door te wijzen op zijn vroegere Patriotse activiteiten. Hij publiceerde bovendien een Patriots vrijheidslied, Gelijkheid! Vrijheid! Broederschap! Nederlandsche carmagnole (1795), waarin hij de omwenteling bejubelde, alsmede een pleidooi om ook de armen tot kiesgerechtigden te maken: Vrijmoedige aanmerkingen, over de uitsluiting van allen die door publieke armkassen bedeeld worden (1795).

In de daaropvolgende jaren nam Loosjes actief deel aan het nieuwe Bataafse bewind. Vanaf 21 maart 1797 was hij lid van het Provinciaal Bestuur van Holland, en na de staatsgreep van 22 januari 1798 had hij nog een week, tot en met 31 januari, zitting in het nieuwe Intermediair Administratief Bestuur van Holland. Van dit college was hij opnieuw lid van 13 juli 1798 tot 30 maart 1799. Uit de correspondentie met zijn echtgenote blijkt dat hij in Den Haag niet veel om handen had, maar dat hij om opportunistische redenen volhield, omdat ‘deze weg kan leiden tot het geluk mijner kinderen’ (geciteerd in: Huet, 182). Des te wranger was het dat twee van zijn drie zoons in 1799 overleden, waardoor Vincent als enig kind overbleef.

Na dit bestuurlijke intermezzo richtte Loosjes zich weer volop op zijn boekhandel en schrijverschap. In 1804 publiceerde hij Hollands Arkadia of Wandelingen in de omstreeken van Haarlem. Dit arcadische werk was niet alleen een lofzang op de flora en fauna in de omgeving van Haarlem, maar ook een zedelijk-historische ode op de grootsheid van het vaderlandse verleden. Politiek geëngageerd toonde hij zich in 1806 in het samen met de schrijvers Cornelis de Koning en Adriaan van der Willigen opgestelde adres Aan Hare Hoog Mogenden vertegenwoordigende het Bataafsch Gemeenebest. De auteurs waarschuwden daarin tegen de komst van Lodewijk Bonaparte in juni van dat jaar. Het aantal intekenaars bleef echter achter bij de verwachtingen.

Tijdens het Koninkrijk Holland kreeg Loosjes’ werk een nog sterkere anti-Franse en vaderlandslievende strekking. Zijn historische roman Het leven van Maurits Lijnslager (1808) was in feite één grote lofzang op de Hollandse natie. De hoofdpersoon, de zeventiende-eeuwse koopman ‘Maurits Lijnslager’, werd voorgesteld als de ideale Hollander: hij was deugdzaam, godvruchtig, verdraagzaam, dapper en huiselijk. Het beeld was gekleurd door Loosjes’ eigentijdse verlichtingsidealen, zoals die ook in kringen van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen circuleerden. Een herdruk van deze vaderlandslievende roman werd in 1812 – tijdens de inlijving van de ‘Hollandse’ departementen bij Napoleons keizerrijk – door de Franse autoriteiten verboden. Het boek zou pas in 1814, na het herstel van de onafhankelijkheid, verschijnen.

Loosjes’ verzet tegen de Fransen spreekt ook uit de vele vaderlands-historische toneelstukken die hij tussen 1808 en 1810 schreef, zoals Kenau Hasselaar, of De heldin van Haarlem (1808), Laurens Koster (1809) en Magdalena Moons (1810). Ook publiceerde hij in 1809 twee didactische werken: De man in de vier tijdperken zijns levens en De vrouw in de vier tijdperken haars levens. Deze prozageschriften waren niet primair bedoeld als anti-Franse geschriften, maar ze waren wel gekleurd door de Hollandse normen en waarden. Het felst klonk Loosjes’ verzet tegen de Fransen door in een lang episch gedicht, De laatste zeetogt van den admiraal De Ruiter, dat in 1812 – tijdens de inlijving – verscheen. Uit een brief aan zijn collega-boekhandelaar Hendrik Jansen, die op dat moment als censor in Parijs werkte, blijkt dat Loosjes vooraf informatie probeerde in te winnen over de vraag hoe de censuur het best kon worden omzeild. Dat lukte ten dele. Later, in 1814, zou Loosjes een lijst publiceren met veranderingen die hij op last van de Amsterdamse en Franse autoriteiten in de tekst had moeten aanbrengen.

Na het herstel van de onafhankelijkheid, eind 1813, bejubelde Loosjes, evenals vele andere oud-Patriotten, de terugkeer van de Oranjes. Hij legde zich verder toe op het voltooien van een lijvige romancyclus over de vaderlandse geschiedenis. Als een vervolg op Maurits Lijnslager publiceerde hij achtereenvolgens Het leven van Hillegonda Buisman (1814), Het leven van Robert Hellemans (1815) en Het leven van Johannes Wouter Blommesteyn (1816). De zeventiende eeuw wordt in de eerste twee romans als een exemplarische eeuw voorgesteld, terwijl de achttiende eeuw in de twee laatste romans als een tijdvak van algeheel verval wordt aangeduid.

In 1815 ontplooide Loosjes een belangrijk initiatief door, samen met de boekhandelaren David du Mortier en Johannes van der Hey, de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels op te richten. Deze vereniging, die onder meer ijverde tegen illegale nadrukken, werd al snel een invloedrijke factor in het Nederlandse boekbedrijf.

In 1818, op 56-jarige leeftijd, stierf Loosjes onverwachts. ’s Avonds thuisgekomen van een genootschapsvergadering gaf hij plotseling de geest. Zijn vrouw vond hem in zijn studeerkamer met het laatste nummer van de Boekzaal der geleerde wereld in zijn hand. Postuum verschenen nog de twee delen van zijn Nagelaten gedichten (1819-1820), bezorgd door zijn zoon Vincent, alsmede een berijmde vertaling uit het Latijn van Het leven van Constantijn Huigens, in gemeenzamen dichttrant, voor zijne kinderen, door hemzelven beschreven in twee boeken (1821).

De betekenis van Adriaan Loosjes voor het Haarlemse culturele en sociaal-maatschappelijke leven is groot geweest. Als uitgever en initiatiefnemer van tal van genootschappen drukte hij een belangrijke stempel op het intellectuele klimaat in zijn woonplaats. Zijn loopbaan als predikant mocht dan vroegtijdig gestrand zijn, in zijn geschriften predikte hij onophoudelijk normen en waarden als godvruchtigheid, vaderlandsliefde en deugdzaamheid. Idealisme en pragmatisme, soms ook opportunisme, gingen daarbij hand in hand.


Publicaties:
Behalve de in de tekst genoemde publicaties: zie de opgave van werken in de hierna, onder ‘Literatuur’ genoemde publicatie van De Haan, pp. 242-281.

Literatuur:
  • Bloemen op het graf van Adriaan Loosjes, Petruszn. (Amsterdam 1818).
  • Hulde aan de nagedachtenis van Adriaan Loosjes Pz., toegebragt door het departement letterkunde van het Gezelschap Oefening in Wetenschappen, te Haarlem, in deszelfs vergadering van 14 maart 1818 (Haarlem 1818).
  • D.V., ‘Herinneringen wegens Adriaan Loosjes Pz.’, Jaarboekje voor den boekhandel I (1839) 117-138.
  • Cd. Busken Huet, ‘Van Woensel en Loosjes’, in: Verzamelde werken van Cd. Busken Huet XXIV (Haarlem 1912) 163-201.
  • E. Zuidema, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek IV (Leiden 1918) 929-931.
  • Jan Koopmans, ‘Maurits Lijnslager en z’n ideaal burgerschap’, in: idem, Letterkundige studien over de negentiende eeuw (Amsterdam 1931) 1-46.
  • M.H. de Haan, Adriaan Loosjes (Utrecht 1934).
  • De verborgen wereld van Democriet. Een kolderiek en dichtlievend genootschap te Haarlem, 1789-1869. Onder red. van Bert Sliggers (Haarlem 1995).
  • Ellen Krol, De smaak der natie. Opvattingen over huiselijkheid in de Noord-Nederlandse poëzie van 1800 tot 1840 (Hilversum 1997).
  • Arie Jan Gelderblom, ‘Hollandse jongens in de maak’, Neerlandica extra muros 40 (2002) 3, 1-12.
  • Frans Grijzenhout, ‘Wandelingen door Hollands Arkadia’, De Achttiende Eeuw 36 (2004) 132-142.
  • Arie-Jan Gelderblom, ‘La femme hollandaise au foyer, idéal masculin néerlandais: Adriaan Loosjes à propos de “La femme”’, Etudes germaniques 59 (2004) 501-517.
  • Lotte Jensen, De verheerlijking van het verleden. Helden, literatuur en natievorming in de negentiende eeuw (Nijmegen 2008).
  • Lotte Jensen, ‘Verzetsliteratuur en nationale identiteit, 1806-1813’, in: Naties in een spanningsveld. Tegenstrijdige bewegingen in de identiteitsvorming in negentiende-eeuws Vlaanderen en Nederland. Onder red. van Nele Bemong [e.a.] (Hilversum 2010) 117-134.

Portret:
Gravure (1796) door Philippus Velijn naar een werk door W. Hendrik (beschikbaar via: Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren).

Lotte Jensen

laatst gewijzigd: 12/11/2013