Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

Cornelis Loots

LOOTS, Cornelis, dichter en ondernemer (Amsterdam 11-6-1764 (doop) - Amsterdam 10-10-1834). Zoon van Albert Loots en Hillegonda Kerk. Gehuwd op 13-3-1789 met Marretje Vos (1767-1799). Uit dit huwelijk werden, naast een jongoverleden kind, 2 dochters geboren. Na haar overlijden (begr. 15-4-1799) gehuwd in 1803 (ondertr. 21-10-1803) met Elisabeth Helmers (1784-1816). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 5 dochters geboren. Na haar overlijden (10-11-1816) gehuwd op 31-5-1827 met Dorothea Veldhuijs (1781-1863). Dit huwelijk bleef kinderloos.

Cornelis Loots groeide met twee jongere broers en twee jongere zusters op in een Amsterdams hervormd gezin. Hij genoot gebrekkig lager onderwijs: hij leerde slechts lezen en schrijven, aangevuld met theologische kennis. Toen hij dertien was, hield zijn vader familieberaad over de toekomst van zijn zoon. Zelf wilde de jongen het liefst predikant worden, maar Loots senior vond de studie te duur; er zou niet een evenredig bedrag voor de vier andere kinderen overblijven. Het aanvragen van een beurs achtten beide ouders beneden hun waardigheid. Toen Cornelis daarop een carrière bij de koopvaardij of de marine voorstelde, verzette zijn moeder zich hiertegen. Uiteindelijk aanvaardde hij met tegenzin een betrekking op een wisselkantoor.

Loots vond het saai en geestdodend werk en wilde er zo snel mogelijk vertrekken. Hij slaagde er echter niet in van werkkring te wisselen, ook niet nadat zijn moeder en vader - in respectievelijk 1778 en 1783 - waren overleden en hij onder het voogdijschap van zijn oom Jan Kerk kwam te staan. Geheel onverwachts kon Loots de plaats van een ziek geworden boekhouder innemen en zo van de laagste naar de hoogste rang promoveren. Hoewel hij de jongste op het kantoor was, vond men hem de geschiktste persoon om hem te vervangen. Voor Loots was dat eerder een vloek dan een zegen: hij voelde zich verplicht op het kantoor te blijven en oefende zijn werk met tegenzin uit.

Des te meer bevrediging vond Loots buiten zijn werk in het schrijven van gedichten, waarin hij zich vanaf zijn vroege jeugd had geoefend. Op jonge leeftijd maakte Loots kennis met een vertaling van Torquato Tasso's Gerusalemme liberata (1575) en met een deel van Joost van den Vondels poëzie,waaronder diens Palamedes (1625) en enkele hekeldichten. De lectuur van Vondel zou een bepalende invloed hebben op de ontwikkeling van zijn dichterschap. Op zijn tiende of elfde kende Loots diens teksten al van buiten, en op zijn veertiende of vijftiende ontwierp hij zelf twee treurspelen. Ook schreef hij kluchten, waarin hij voorvallen, kleine geschillen op kantoor en eigenaardigheden van zijn collega's beschreef. Daarvan is echter niets overgeleverd. Vondels staatsgezindheid was bepalend voor Loots' eigen politieke zienswijze: hij koos onomwonden de kant van de Patriotten, die in zijn ogen de 'ware' vrijheidsstrijd voerden. Hij stuurde anonieme - niet nader getraceerde - gedichten naar Patriotse dagbladen die tot zijn vreugde werden geplaatst.

In maart 1789 trouwde de inmiddels 24-jarige Loots met de twee jaar jongere Marretje Vos; in juli kregen ze hun eerste kind, een dochter. Van doorslaggevende betekenis voor zijn dichterschap was zijn kennismaking,omstreeks 1790, met de literaire kring rond de Amsterdamse uitgever en gelegenheidsdichter Pieter Johannes Uylenbroek. Vanaf 1791 publiceerde Loots een reeks gedichten in de door Uylenbroek uitgegeven reeks Kleine dichterlyke handschriften (1788-1809). Hieronder bevonden zich zowel gevoelvolle natuurverzen als politiek getinte poëzie, zoals het hekeldicht 'Aan de vorstenvleijers' (1792). In de tweede helft van de jaren negentig publiceerde Loots enkele door hem uit het Duits, Engels en Frans vertaalde toneelstukken,waaronder werk van August von Kotzebue. Loots was één van de redacteuren van het weekblad De Arke Noach's (1799-1800), waarvoor hij gezaghebbende toneelkritieken schreef.

Loots brak door met langere dichtwerken, zoals De overwinning der Nederlanders by Chattam (1799), De dwinglandy (1800), De algemeene vrede gesloten te Amiens, den 27sten van Lentemaand 1802 (1802) en De volkswoede, toegezongen aan de nagedachtenis van de gebroeders de Wit (1802). Steevast keerde hij zich tegen oorlogszucht en tirannie en pleitte hij voor vrede. Hij legde daarbij een voorliefde voor vaderlands-historische onderwerpen aan den dag. Hij deelde deze voorkeur met de dichter Hendrik Tollens, met wie hij vanaf 1804 een intensieve vriendschap ontwikkelde. Tegelijkertijd waren zij elkaars rivalen in dichtkunst. Zo won Loots in 1804 met het dichtstuk Huig de Groot (pas gepubliceerd in 1807) goud in een prijsvraag van de Bataafsche Maatschappij van Taal- en Dichtkunde, terwijl Tollens tweede werd. In 1806 waren de rollen omgekeerd: Tollens won toen goud en Loots kreeg het zilver voor zijn dichtstuk De dood van Egmond en Hoorne (voor het eerst in druk verschenen in 1810). Uit deze deelname aan dichtwedstrijden blijkt dat Loots een actieve rol in het genootschapsleven speelde. In Amsterdam was hij onder meer lid van 'Felix Meritis', 'Concordia et Libertate' en de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen.

Behalve met Tollens onderhield Loots ook nauwe betrekkingen met de Amsterdamse dichter Jan Fredrik Helmers. Nadat zijn echtgenote in 1799 was overleden, trouwde Loots in 1803 met diens zuster Elisabeth. Ook in dichterlijk opzicht was er sprake van verwantschap: het werk van beide schrijvers zou in belangrijke mate in het teken van verzet tegen de toenemende invloed van de Fransen in het land komen te staan. Loots uitte zijn onvrede vooral onder hetmom van de geschiedenis. Zo trok hij in De Batavieren, ten tyde van Cajus Julius Cezar, wegens het hen voorgeslagen staatsverbond der Romeinen (1805) een parallel tussen de Romeinse onderdrukking en de eigentijdse Franse heerszucht. Loots omschreef de Fransen als het 'trotsche volk dat nu de wereld plondert, / Hiér slaafsche vreê verkoopt, en daar met d'oorlog dondert' (Gedichten I, 88). In het anti-Franse weekblad De Ster - dat van 11 maart tot en met 10 juni 1806 verscheen - publiceerde Loots eveneens twee gedichten over het heroïsche vaderlandse verleden, waaruit een verzetsgedachte sprak, namelijk een dichtstuk over de zege van admiraal Michiel de Ruyter in de zeeslag bij Kijkduin in 1673 en een 'Fragment uit een dichtstuk aan Johan van Oldenbarneveld'. Zijn anti-Franse publicaties brachten hem in een benarde positie. Kort voor de komst van koning Lodewijk drong de regering in Parijs erbij de Bataafse autoriteiten op aan Loots en Helmers - die eveneens in De Ster had gepubliceerd - in verzekering te nemen en hen naar Frankrijk over te brengen. Beide dichters ontsprongen de dans; alleen de uitgever van De Ster zat enkele weken gevangen.

Dat Loots inmiddels tot de gevestigde dichtersorde behoorde, blijkt uit zijn benoeming op 4 mei 1808 tot lid van de Tweede Klasse van het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten. In zijn werk betrachtte hij intussen de nodige voorzichtigheid ten aanzien van de Fransen, zeker tijdens de jaren van inlijving bij het Keizerrijk (1810-1813). Desalniettemin groeide zijn reputatie als verzetsdichter. Als een hoogtepunt in Loots' oeuvre geldt De Hollandsche taal, dat hij in 1810 schreef en in november en december van dat jaar in verschillende letterkundige genootschappen voordroeg. In dit lange gedicht hield hij een vurig pleidooi voor het behoud van de moedertaal, en daarmee voor de eigen Nederlandse identiteit en onafhankelijkheid. Het werd pas na het herstel van de onafhankelijkheid, in 1814, voor het eerst gepubliceerd.

Nadat de Fransen waren verdreven, gaf Loots volop uiting aan zijn vreugde over wat hij 'Nederlands verlossing' noemde. Geestdriftig bejubelde hij de nieuwe koning, Willem I. In 1814 vervaardigde Loots, op verzoek van de secretaris van Staat Anton Reinhard Falck, ook het gedicht 'De slavenhandel', waarin hij zich tegen deze praktijk keerde.

De jaren 1813-1815 vormen nog in een ander opzicht een keerpunt in Loots' leven. Eind februari 1813 overleed zijn zwager Helmers, die een steenkoperij dreef. Loots - die in 1796 zijn eed als makelaar had afgelegd - besloot daarop deel te nemen in het bedrijf, dat voortaan gebruik maakte van de firmanaam Helmers & Loots. De steenkoperij bleef gevestigd in het huis van de overleden dichter op de Keizersgracht (nabij de Brouwersgracht), waar Loots nu ook zelf zijn intrek nam. Zijn deelname - ingegeven door gevoelens van loyaliteit jegens zijn schoonfamilie - bleek financieel gezien een misstap. Loots zou tot het einde van zijn leven toe nauwelijks in staat blijken te zijn het hoofd boven water te houden. Ook in de huiselijke sfeer was er tegenslag: eind 1816 overleed zijn tweede echtgenote.

Als dichter verkeerde Loots echter op de top van zijn roem. In 1816-1817 verschenen zijn verzamelde Gedichten in vier delen, inclusief de poëzie die tijdens de inlijving niet kon worden gepubliceerd. Patriotse vrijheidsleuzen, anti-Franse strijdverzen en lofzangen op de nieuwe koning Willem I stonden door elkaar heen. Dit werk is dan ook een fraaie afspiegeling van de grote politieke omwentelingen aan het einde van de achttiende eeuw en tijdens de eerste decennia van de negentiende eeuw. Daarnaast valt ook de religieuze betrokkenheid van Loots op met gedichten als 'Godsdienst' (1817) en 'Oogstlied, aan St. Jacob' (1817). In 1821 verscheen een bundel Nieuwe gedichten. Daarin bezong hij opnieuw algemeen-menselijke thema's vanuit een Verlichtingsoptiek, vaderlands-historische thema's ('Lofzang op Frederik Hendrik') en religieuze onderwerpen ('Hagar in de woestijn'). In de jaren 1822-1826 publiceerde hij hoofdzakelijk gelegenheidsgedichten over uiteenlopende onderwerpen.

In 1827 trouwde Loots voor de derde maal, met Dorothea Veldhuijs. Zijn dichterlijke productiviteit nam intussen af. Mogelijk kwam dit door ziekte: naarmate hij ouder werd, kreeg hij vaker last van jicht. Tijdens de Belgische Opstand flakkerde zijn activiteit kortstondig op en kon hij zich opnieuw laten gelden als vaderlandslievend dichter bij uitstek. Zo schreef hij in 1831 Bij den vrijwilligen heldendood van J.C.J. van Speyk, tweeden luitenant ter zee, bevelhebber der kanonneerboot no.2 en twee jaar later Chassé op het puin der Citadel van Antwerpen.

In 1834 overleed Cornelis Loots op zeventigjarige leeftijd. Hij werd begraven in de Oude Kerk te Amsterdam. Volgens een van de aanwezigen was het een sobere plechtigheid, die een groot dichter als Loots onwaardig was. Er was geen uitbundige rouwstoet, maar er waren slechts vier leden van het Koninklijk Instituut en een twaalftal kunstvrienden aanwezig. Voor een gedenkteken op zijn graf was geen geld beschikbaar (Vaderlandsche Letteroefeningen (1856), dl. 1, 629-630).

Loots' karakter laat zich het beste afleiden uit zijn briefwisseling met Tollens. Daarin toont hij twee gezichten. Enerzijds komt hij naar voren als een amicale, bevlogen en ambitieuze man, die Tollens beschouwde als zijn compagnon in het propageren van de vaderlandslievende dichtkunst. Anderzijds kon hij volgens Tollens 'een heethoofd' zijn en werd hij gekweld door jaloezie. Zo beschuldigde Loots zijn dichtvriend van het stelen van een door hem gebruikte beeldspraak, en in 1823 kon hij het niet verkroppen dat Tollens bij een prijsvraag goud won en dat hijzelf niet eens een eervolle vermelding kreeg. Wellicht frustreerde het Loots dat de waardering voor zijn werk vanaf de jaren 1820 terugliep, terwijl Tollens onverminderd populair bleef. Anders dan Tollens werd Loots geen nationale volksdichter, maar moest hij genoegen nemen met een positie op de tweede rang.

Archivalia:
Verzameling C. Loots in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage.

Publicaties:
Naast de in de tekst vermelde publicaties, zie het uitvoerige, maar onvolledige overzicht in A.J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden XI (Haarlem 1877) 641-642.

Literatuur:

Portret:
Gravure (1818) door H.W. Caspari naar een werk van J.E. Marcus (beschikbaar via: Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren).

Lotte Jensen

laatst gewijzigd: 15/02/2016