Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

MAJOFSKI, Theodorus Johannes, acteur en theaterdirecteur (Leiden 16-7-1770 -  Amsterdam 22-2-1836). Zoon van Josephus Majofski, ambassademedewerker, en Maria Ravens. Gehuwd op 3-9-1791 met Johanna Christina Elisabeth Adams (1767-1844). Uit dit huwelijk werden minstens 4 zoons en 6 dochters geboren.

Theo Majofski werd in Leiden geboren als de oudste van zeven kinderen. Zijn vader was oorspronkelijk afkomstig uit Brest in Litouwen; zijn moeder was een Leidse. Omstreeks 1772 verhuisde het rooms-katholieke gezin naar Den Haag, vermoedelijk omdat vader Majofski daar in dienst trad van de Russische gezant. Over Theo’s jeugd en schooltijd is weinig bekend, maar het is duidelijk dat hij al op jonge leeftijd een voorliefde voor het toneel ontwikkelde. Zo speelde hij vanaf zijn veertiende bij een Haags liefhebberijgezelschap. Twee jaar later, omstreeks 1786, besloot Theo van toneelspelen zijn beroep te maken: hij sloot zich aan bij het rondreizende ensemble van Willem van Dinsen en Catharina Kraijesteijn. Daar werd terzelfder tijd ook de later beroemde acteur Andries Snoek aangenomen. De twee jonge toneelspelers werden goede vrienden.

Na drie jaar, in 1789, verruilde Majofski de kleine groep van Van Dinsen voor het reisgezelschap van de acteur Johannes Adams, wiens vier kinderen eveneens aan het toneel waren. Met één van hen, Johanna Adams - die naast actrice ook een verdienstelijk operazangeres was - trouwde Majofksi in september 1791. Uit dit huwelijk zouden tussen 1792 en 1810 minstens tien kinderen worden geboren. Een week na de bruiloft debuteerde Majofski in de Stadsschouwburg van Amsterdam als generaal ‘Rhamnes’ in het treurspel Zelmire (1762) van Pierre-Laurent Buyrette de Belloy. Toch kreeg hij in Amsterdam geen engagement aangeboden.

Toen Majofski’s vriend Andries Snoek begin 1792 het nieuwe theatergezelschap de Nederduitsche Tooneelisten oprichtte om daarmee de Rotterdamse schouwburg te bespelen, sloten Majofski, zijn echtgenote en haar halfzuster Maria Hendrika Adams zich hierbij in augustus van dat jaar aan. Maar twee weken na de oorlogsverklaring van het Franse revolutionaire bewind op 1 februari 1793 ging de Rotterdamse schouwburg dicht. Voor Snoek en zijn gezelschap braken twee onzekere jaren aan. Zij reisden naar de zuidelijke Nederlanden, waar de rust inmiddels was hersteld. Onderweg traden ze op in Breda, en vanaf de zomer in Gent en Brugge.

In september 1795 werden de Nederduitsche Tooneelisten aangetrokken om de Amsterdamse Stadsschouwburg te bespelen, nadat het ensemble van Ward Bingley hier na een conflict was opgestapt. Lange tijd werd aangenomen dat ook Majofski in 1795 een engagement in Amsterdam kreeg. Maar deze besloot aanvankelijk zelfstandig zijn geluk te beproeven en probeerde met een kleine groep acteurs vaste voet aan de grond te krijgen bij de schouwburg van Rotterdam. Hoewel de commissarissen van dit theater Majofski en zijn gezelschap verscheidene malen lieten optreden, ging het vaste engagement in de zomer van 1796 niet naar hen, maar naar het ensemble van de veel ervarener Bingley.

Intussen was het echtpaar Majofski door groot persoonlijk leed getroffen. Eind december 1795 verloor het echtpaar een baby van vijf maanden. Een maand later, eind januari 1796, stierf in Rotterdam bovendien hun driejarig dochtertje Louisa Maria. En bij deze persoonlijke tegenslag bleef het niet. Majofski kreeg de ene na de andere financiële strop te verduren. Optredens op kermissen trokken te weinig bezoekers, wat hem op grote verliezen kwam te staan. Zo verloor Majofski in de zomer van 1796 meer dan duizend gulden in Breda en ook nog eens honderden guldens in Utrecht. Zijn spelers, die hij niet meer kon betalen, dreigden met vertrek: ‘zodat ik op dit ogenblik raadloos ben’, schreef hij op 6 augustus van dat jaar aan de bestuurders van de Rotterdamse schouwburg, met wie hij in gesprek was over mogelijke voorstellingen. Maar, liet hij weten, ‘ik kan het die mensen juist niet kwalijk nemen, want ze worden ook hard gevallen’ (Smit, 33).

Majofski’s financiële situatie was zo nijpend dat hij in augustus 1796 in onderhandeling trad met de Amsterdamse Stadsschouwburg over een vast engagement voor hem en zijn vrouw, dat hun waarschijnlijk nog diezelfde maand werd verleend. Het is aannemelijk dat Andries Snoek - die door zijn huwelijk met Maria Hendrika Adams inmiddels Majofski’s zwager was geworden - bij de aanstelling heeft bemiddeld. Tot zijn dood zou Majofski in Amsterdam blijven spelen. Evenals velen van zijn Amsterdamse collega-acteurs sloot hij zich bovendien aan bij de vrijmetselaars: van 1798 tot aan zijn dood was hij lid van de loge ‘La Bien Aimée’

Majofski viel op het toneel op door zijn vlotte, natuurlijke acteerstijl en vrolijke uitstraling. Speelde hij in zijn jonge jaren voornamelijk komische rollen, met het voortschrijden der jaren - en het voller worden van zijn gestalte - kreeg hij steeds vaker in burgerlijke drama’s en kluchten de ‘vaderrol’ toebedeeld, waarin zijn ‘vaderlijke goedmoedigheid, bonhomie en Oudhollandse rondheid’ het beste tot hun recht kwamen (Albach, 171). Zijn mooiste vertolkingen waren volgens tijdgenoten de abt in het Franse blijspel L’Abbé de l’Epée (1799) van Jean-Nicolas Bouilly, de vaderlijke ‘Orgon’ in Molières komedie Tartuffe (1664), de rijke vader ‘Odoardo Galotti’ in het Duitse burgerlijke drama Emilia Galotti (1772) van Gotthold Ephraim Lessing, en bisschop ‘Gozewijn’ in Joost van den Vondels Gijsbrecht van Aemstel (1637).

Grote bekendheid kreeg Majofski bovendien door zijn bijdrage aan het komische zangspel De bruiloft van Kloris en Roosje (1707) van Dirck Buysero. De Amsterdamse schouwburg bracht dit stuk iedere nieuwjaarsdag, onmiddellijk na de vertoning van Vondels Gijsbrecht, op de planken. De ieder jaar aan de actualiteit aangepaste ‘Nieuwjaarswensch van Tomasvaer en Pieternel’ - het populairste onderdeel van dit stuk - werd vanaf 1803 steevast door Majofski en Johanna Adams uitgesproken.

Naast acteertalent bezat Majofski ook muzikale gaven. Zijn stem - volgens een tijdgenoot een ‘ronde, heldere, zuivere en diepe bas-stem’ (Van Tetroode, 11) - was zeer geschikt voor de opera. Rollen waarvoor hij lovende kritieken ontving, waren onder meer die van vogelvanger ‘Papageno’ en zonnepriester ‘Sarastro’ in Mozarts opera De toverfluit (1791), en de dokter ‘Bartolo’ in de opera De barbier van Sevilla (1816) van Gioacchino Rossini.

Critici hadden ook wel wat aan te merken op Majofski’s optredens. Zo maakte het tijdschrift De Toneelkijker zich aan het begin van de negentiende eeuw geregeld kwaad over het feit dat de acteur zijn rollen niet goed uit het hoofd kende. En diens goedmoedige uitstraling paste niet iedere rol. Zo schreef een recensent in juli 1826 over zijn optreden in het toneelstuk Generaal Moreau of De drie tuiniers van de Duitse toneelschrijver Wilhelm Vogel: ‘Majofski stelde ons Moreau voor als een rond en vrolijk man; wij meenen gelezen te hebben dat hij ernstig en peinzend van aard was’ (Kort overzigt, 16).

Majofski had niet alleen een goedmoedig voorkomen, maar ook een aimabel karakter. ‘Opgeruimder dan Majofski was, heeft men zelden een mensch aangetroffen’, werd na zijn dood opgemerkt (Van Tetroode, 15). Hij was hartelijk en gul. Maar zijn Bourgondische levensstijl bezorgde hem veel problemen. Ondanks zijn riante salaris - in 1826 verdiende hij 2.800 gulden per jaar - verkeerde Majofski in Amsterdam chronisch in financiële nood. Geldschieters die hem om terugbetaling vroegen, zou hij niet zelden hebben afgescheept met de woorden: ‘Aan geld kan ik je vandaag niet helpen, maar als ik je met een entreetje van dienst kan zijn, dat graag’ (Mendes da Costa, 35).

In augustus 1811, nadat de stad Amsterdam had besloten de schouwburg wegens tegenvallende inkomsten te verpachten, nam Majofski plaats in het nieuwe dagelijkse bestuur van het theater, dat bestond uit drie acteurs. De twee andere leden waren zijn zwager Andries Snoek en de beroemde Nederlandse actrice Johanna Wattier. Tot 1820 - toen het bestuur weer in handen kwam van de stad - zouden deze drie acteurs de leiding hebben over de Amsterdamse schouwburg. Zij stelden het repertoire vast en pasten dat aan de veranderde politieke situatie aan: Franse theaterstukken namen meer en meer de plaats in van Duits burgerlijk drama. Wanneer de Amsterdamse Stadsschouwburg gesloten was - bijvoorbeeld in de zomermaanden - speelden de Koninklijke Toneellisten van de Hollandsche Schouwburg te Amsterdam, zoals de spelers vanaf 1807 op last van koning Lodewijk werden genoemd, ook in steden als Arnhem, Breda, Haarlem, Den Haag, Leeuwarden en Rotterdam.

Op maandag 22 februari 1836, tijdens het tweede bedrijf van het vrij onbekende toneelstuk Zij is krankzinnig, met Majofski in de rol van geneesheer, werd de acteur door een beroerte getroffen. Nadat hij van het toneel was geleid, bleek zijn toestand zo ernstig, dat het publiek werd verzocht de zaal te verlaten. Een arts probeerde Majofski door middel van aderlating nog te redden, maar het mocht niet baten. De laatste woorden van de 66-jarige toneelspeler zouden zijn geweest: ‘Mijn God, wees mijn ziel genadig!’ (Van Tetroode, 13).

De gemoedelijke, joviale Theo Majofski was in de Nederlandse theaterwereld zeer geliefd, niet alleen in Amsterdam, maar ook in de vele andere steden waar hij tijdens zijn veertigjarige loopbaan optrad. Ook na zijn dood zou Majofski’s naam een begrip blijven aan het Nederlandse toneel: hij was de stamvader van een omvangrijk toneelspelersgeslacht. Niet alleen een aantal van zijn kinderen werden gerenommeerde acteurs en actrices - Justus van Maurik zou diens dochter Jacoba Maria Majofski zelfs omschrijven als de ‘grootste toneelspeelster, die ik ooit heb gezien’ -, maar ook een aantal van Majofski’s klein- en achterkleinkinderen zouden carrière maken op de Nederlandse planken.

Archivalia:
Personaliamap Theo Majofski in het Theater Instituut Nederland te Amsterdam.

Werk:
Een (onvolledige) lijst van de door Theo Majofski gespeelde rollen in het onder ‘Literatuur’ genoemde Kort overzigt (1826).

Literatuur:

  • Aan den heer T. Majofski, na het sluiten van den Middelburgschen schouwburg, den 13 Augustus 1818 (Middelburg 1818).
  • Kort overzigt der voorstellingen van het tooneelgezelschap, onder direktie van T.J. Majofski [in de Amsterdamse schouwburg, van 8 juli - 8 augustus 1826] (Amsterdam 1826).
  • A.J. van Tetroode, Herinnering aan T.J. Majofski, en levensbijzonderheden dien verdienstelijken tooneelspeler betreffende (Amsterdam 1836).
  • ‘Gedachtenis-hulde aan wijlen den heer T.J. Majofski’, Algemeen Handelsblad [necrologie], 16-3-1836.
  • B.C. Carillon, Hulde aan de nagedachtenis van den Nederlandschen tooneelspeler Theodorus Johannes Majofski. Allegorische voorstelling (Amsterdam 1836).
  • Marten Westerman, Hulde aan de nagedachtenis van wijlen Theodorus Johannes Majofski. Dichtstuk met koren (Amsterdam 1836).
  • M.B. Mendes da Costa, Tooneel-herinneringen, met portretten I (Leiden 1900) 33-41.
  • J.A. Worp, Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland. II (Groningen 1907).
  • J.A. Worp, Geschiedenis van den Amsterdamschen Schouwburg 1496-1772 (Amsterdam 1920).
  • F. Hageman, ‘De stamboom der Majofsky’s’, Java-bode, 3-5-1935.
  • ‘Theodorus Johannes Majofski herdacht’, in Algemeen Handelsblad, 16-3-1936.
  • Ben Albach, Het huis op het plein. Heden en verleden van de Amsterdamse Stadsschouwburg (Amsterdam 1957).
  • Joh.M. Coffeng, Lexicon van Nederlandse tonelisten (Amsterdam 1965) 127-128.
  • Cornelis Smit, ‘De omzwervingen van Snoek en Majofski tussen 1792 en 1796’, Tijdschrift voor Theaterwetenschap (1981) nr. 6, 20-38.
  • Liesbeth van Stekelenburg, De portrettencollectie van de Stadsschouwburg Amsterdam. ‘Het toont in kleen begrip al ’s menschen ydelheid...’ (Amsterdam 1996) 139.
  • Henny Ruitenbeek, Kijkcijfers. De Amsterdamse Schouwburg, 1814-1841 (Hilversum 2002).

Portret:
Schilderij (1906) door Gerardus van Hove. Portrettencollectie Stadschouwburg te Amsterdam (beschikbaar via: Online collectie Amsterdam Museum).

Liesbeth Sparks

laatst gewijzigd: 12/11/2013