Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

MAY, Job Seaburne, marineofficier en bestuurder (Amsterdam 18-3-1765 – Rotterdam 21-1-1827). Zoon van William May, marineofficier, en Francis Lee. Gehuwd op 5-11-1801 met Ann Brander (1771-1837). Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 3 dochters geboren, van wie 2 zoons en 1 dochter jong overleden.

Job May groeide op in Amsterdam, de stad waar zijn grootvader zich omstreeks 1727 vanuit het Engelse Chatham als scheepstimmerman had gevestigd. Hij was de jongste in een gezin met twee zoons en een dochter. In oktober 1779 trad hij, veertien jaar oud, in het voetspoor van zijn vader kapitein-ter-zee William May en nam hij dienst als adelborst bij de Admiraliteit te Amsterdam. Zijn eerste reis op het linieschip 'Prinses Royaal Frederika Sophia Wilhelmina' was een regelrecht avontuur. Samen met vier andere oorlogsschepen onder bevel van schout-bij-nacht Lodewijk graaf van Bylandt-Halt begeleidde dit schip 27 koopvaarders naar Frankrijk. Op 30 december ontmoette het konvooi in Het Kanaal elf schepen van de Royal Navy. De bevelhebber van dit eskader, commandeur Charles Fielding, wilde tegen alle regels in de koopvaarders op contrabande doorzoeken. Van Bylandt-Halt weigerde resoluut, waarop de Britten het vuur openden, dat onmiddellijk werd beantwoord. Hiermee kreeg Job letterlijk zijn vuurdoop. Na deze schotenwisseling staakte Van Bylandt-Halt de ongelijke strijd, waarna de Britten de koopvaarders opbrachten.

In december 1780 voer Job met de ‘Amsterdam’ via Lissabon naar de Azoren om daar te kruisen. Na een jaar keerde het linieschip terug. De jongen besteedde de inactieve wintermaanden om zich voor te bereiden op het luitenantsexamen, dat hij op 19 maart 1782 met goed gevolg aflegde. Kort daarna werd hij als luitenant-ter-zee geplaatst op de 'Medea', onder kapitein-ter-zee Jan Olphert Vaillant. In december 1783 sloot dit fregat zich aan bij een eskader met bestemming de Middellandse Zee. Onderweg maakte May een van de zwaarste stormen uit zijn zeemansloopbaan mee, waarbij een van de linieschepen met man en muis verging. Vaillant omschreef de jonge May na afloop van de reis in 1786 als een ‘jong mensch, die bij een grote lust tot den dienst, waarin hij veel bequaamheden geacquireert heeft, een extra gesonde constitutie, en een ongemeen gesond oordeel voegt en een zeer voorbeeldig gedrag’ (Dörr, 124, noot 2).

In 1787 kruiste May met de kotter ‘Salamander’ onder bevel van kapitein-ter-zee Jan Tulleken op de Noordzee en in het Kanaal. Nog datzelfde jaar volgde zijn overplaatsing naar de 'Post'. Onderweg naar de Middellandse Zee werd deze brik door een zware storm overvallen. Het schip zou verloren zijn gegaan als Tulleken niet op advies van zijn luitenant olie op de golven had gestort. In 1789 en 1790 maakte May als eerste officier op het linieschip 'Vrijheid' onder vice-admiraal Jan Hendrik van Kinsbergen twee oefenreizen op de Noordzee. Tussen de jonge luitenant en de gelauwerde vlagofficier ontstond een hechte band. In 1791 diende May in het Nieuwe Diep bij Den Helder als eerste officier op het wachtschip 'Prinses Louisa'.

Zijn eerste commando kreeg May in 1792 over het korvet 'Lynx', waarmee hij in eskaderverband naar de Middellandse Zee zeilde. Tijdens deze reis ontving hij 10 januari 1793 zijn aanstelling als kapitein-luitenant-ter-zee. Enkele weken later verklaarde het revolutionaire Frankrijk de oorlog aan de Koning van Groot-Brittannië en de Stadhouder van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Vandaar dat May, na zijn terugkeer in de zomer van 1794, door Van Kinsbergen op de Zeeuwse stromen werd gestationeerd. Nadat Brabant in het najaar door de Staatse troepen was ontruimd, voer May met de 'Lynx' naar het Nieuwe Diep, waar het korvet enige tijd lag vastgevroren. Begin januari 1795 bezetten de Franse troepen de Republiek en vluchtte stadhouder Willem V naar Groot-Brittannië. De officieren in ’s Lands zeedienst, onder wie kapitein-luitenant-ter-zee May, werden kort daarna gecasseerd.

May weigerde de eed op het nieuwe bewind af te leggen en trad op 27 februari 1795 uit dienst. Hij voegde zich vervolgens bij zijn vader, die naar het Noord-Duitse Emmerik was uitgeweken. Af en toe reisde hij naar de Bataafse Republiek om te zien hoe het er met de marine voor stond.

Toen de rust enigszins was weergekeerd, vestigde May zich in Amsterdam. Bij de Brits-Russische inval in Noord-Holland in de late zomer van 1799 nam hij onmiddellijk dienst als vrijwilliger op het Britse fregat 'Circe', waarmee hij op de Eems voor Delfzijl kruiste. Toen de invasie dreigde te mislukken, trokken de Britten zich terug met medeneming van twaalf Bataafse oorlogsschepen. Ook May voer naar Groot-Brittannië. In 1800 werd hij daar aangesteld als kapitein-ter-zee en kreeg hij het commando over de 'Amphitrite', een fregat dat – varend onder de Oranjevlag – binnen de Royal Navy deel uitmaakte van prins Willem V’s eigen eskadertje. Met dit schip kruiste hij voor de Franse kust en bracht hij Britse troepen van Ierland naar de Kanaaleilanden. Op een van deze reizen trouwde hij eind 1801 in het Zuid-Ierse Clonmel met Ann Brander, de dochter van de Britse consul in Lissabon.

Nadat in maart 1802 de Vrede van Amiens was gesloten tussen Frankrijk en zijn bondgenoten enerzijds en Groot-Brittannië anderzijds, vaardigde het Bataafse bewind een generaal pardon uit. Hierdoor konden May en zijn bemanningsleden – op kosten van de regering in Londen – terugkeren naar hun vaderland. Om in zijn levensonderhoud te voorzien, oefende May ‘eenige commercieele betrekkingen’ uit (Collectie May Scheepvaartmuseum Amsterdam). En met succes, want in 1809 kocht hij voor zijn groeiende gezin een huis aan de Nieuwe Prinsengracht. Kort nadat het Koninkrijk Holland in juli 1810 was ingelijfd bij Napoleons Keizerrijk, werd May door de Franse politie gearresteerd op verdenking van het onderhouden van contacten met de Britten en gevangen gezet in het Verbeterhuis. Aangezien de Fransen er niet in slaagden de beschuldigingen hard te maken, werd hij na drie maanden vrijgelaten. Daarop zette hij zijn handelsactiviteiten voort.

Toen Napoleons heerschappij eind 1813 begon te wankelen, plaatste de Oranjegezinde Gijsbert Karel van Hogendorp zich aan het hoofd van de opstand tegen de Fransen. Hij vroeg May op 14 november 1813 naar zijn woonplaats Den Haag te komen om samen de omwenteling in Amsterdam voor te bereiden. Toen de gewezen marineofficier de volgende dag in de hoofdstad terugkeerde, hoorde hij van zijn vrouw dat het Franse garnizoen de stad in grote haast had verlaten. ‘Dan maken wij hedenavond de revolutie’, was zijn spontane reactie (‘Gedenkschrift May’, 1638).

Die avond en nacht gebeurde wat May zichzelf had beloofd. Onder zijn leiding stak het oproerige volk de Franse douanehuisjes aan de Buitenkant – de huidige Prins Hendrikkade – en op het Kadijksplein in brand. Vervolgens trok de menigte naar Kattenburg, waar zij onder toezicht van de Nationale Garde de grote houten adelaar – het gehate Napoleontische symbool – boven de poort van het Marine Etablissement verwijderde en onder luid gejuich in brand stak. Een verschrikkelijke stortregen maakte een eind aan de oploop. De volgende ochtend kwam het volk opnieuw in beweging. Dat leidde tot de instelling van een voorlopig stadsbestuur, waarvan ook May deel uitmaakte.

Op 21 november reisde May naar Den Haag. Daar hoorde hij dat het door Van Hogendorp geleide Algemeen Bestuur hem die dag had bevorderd tot tijdelijk tot schout-bij-nacht. Na overleg met Van Hogendorp stak hij twee dagen later met een pink (: vissersschip) in zee en zette hij koers naar naar Groot-Brittannië. Daar aangekomen reisde May naar Londen, waar hij de Erfprins vroeg naar het vaderland terug te keren. Deze gaf hieraan onmiddellijk gevolg. Mays optreden bleef niet onopgemerkt. Terug in Nederland volgde zijn benoeming tot gezant in de Verenigde Staten van Amerika, een functie waarvoor hij evenwel bedankte.

Op 7 december 1813 werd May aangesteld als secretaris van de commissaris-generaal van de Marine Joan Cornelis van der Hoop. Onmiddellijk ondernam hij pogingen zijn jeugdvriend vice-admiraal Carel Hendrik VerHuell, die op dat moment als commandant in Franse dienst hardnekkig standhield in Den Helder, tot overgave te bewegen; vooralsnog tevergeefs. Pas op 4 mei 1814 zou deze de vesting en vijftien oorlogsschepen overdragen. Tussen de bedrijven door had May zich op 28 en 29 maart 1814, als één van de zeshonderd aangewezen ‘Notabelen’ in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, positief uitgesproken over het ontwerp van de nieuwe grondwet. Als secretaris op het departement was hij verder actief bij de reorganisatie van de Koninklijke Marine en bij het samenstellen van het korps zeeofficieren. Toch voelde May – op 1 juli 1814 door de nieuwe Oranjevorst definitief tot schout-bij-nacht benoemd – zich als bestuurder niet op zijn plaats. Toen de functie van commandant-directeur der Marine in het hoofddepartement van de Maze – Rotterdam en Hellevloetsluis – vrijkwam, werd hij met ingang van 1 januari 1815 op deze post benoemd.

In Rotterdam voelde de praktisch ingestelde May zich al snel thuis. De reorganisatie van het hoofddepartement was hem op het lijf geschreven. Vol trots toonde hij minister Van der Hoop de bereikte resultaten. Intussen had May zijn huis in Amsterdam verkocht en had hij zich met zijn gezin op het Marine Etablissement in Rotterdam gevestigd. Dat May nog steeds hoog in aanzien stond bij de Koning bleek in 1818. In juli van dat jaar reisde hij op verzoek van Willem I naar Sint-Petersburg om tsaar Alexander I te informeren over de voorspoedige bevalling van diens zuster Anna Paulowna, de echtgenote van de kroonprins. Eind september keerde hij terug.

In 1822 adviseerde May minister Van der Hoop over de nieuwe opzet van de Marinemodellenkamer in het gerenoveerde departement aan het Lange Voorhout in Den Haag. Volgens hem moest van ieder dienstdoend type oorlogsschip een miniatuur worden getoond, terwijl ook verkleinde replica’s van kanonnen en scheepswerktuigen hier een plaats dienden te krijgen. De voormalig equipagemeester van de Amsterdamse Admiraliteit Joachim Pieterszoon Asmus, wiens scheepsmodellen de basis voor de collectie vormden, werkte Mays ideeën verder uit. De nieuwe opzet van de Marinemodellenkamer zou in 1824 gereedkomen.

Eveneens in 1822 diende May op eigen initiatief bij de minister van Marine een memorie met kaartproject in voor het graven van een kanaal door het eiland Voorne tussen de marinehaven Hellevoetsluis en het – inmiddels verdwenen – dorp Nieuwesluis aan de Brielse Maas. Hiermee zou aan oorlogsfregatten, maar ook aan grote koopvaardijschepen een kortere en diepere toegangsweg naar Rotterdam kunnen worden geboden. Begin april 1827 werd met de aanleg van het Voornsch Kanaal begonnen. Drieënhalf jaar later was het gereed.

Commandant-directeur May was bijzonder geïnteresseerd in de stoomvaart, daartoe geïnspireerd door luitenant-ter-zee Gerhard Mauritz Roentgen, van 1817 tot eind 1823 zijn adjudant. Laatstgenoemde had zijn kennis over stoomschepen opgedaan tijdens een tweeënhalfjarig studieverblijf in Groot-Brittannië in opdracht van de minister van Marine. Na zijn terugkeer in oktober 1820 werkte Roentgen met tussenpozen aan zijn eindverslag, maar hij werd door zoveel andere zaken in beslag genomen dat hij er niet toe kwam het te voltooien. Minister Van der Hoop vroeg daarom aan May erop toe te zien dat diens adjudant het ‘Rapport betrekkelijk de Kommissie naar Engeland’ zou afronden. Maar wat deze ook probeerde, hij slaagde er niet in zijn adjudant aan het schrijven te zetten. Ten einde raad stelde hij Van der Hoop voor Roentgen te verbieden nieuwe opdrachten aan te nemen zolang deze zijn rapport niet had voltooid. ‘Dan heeft hij geene excuses meerder om niet dadelijk te voldoen’, aldus een wanhopige May op 22 mei 1823. Uiteindelijk nam Roentgen eind 1823 ontslag uit de Koninklijke Marine. Zelf bleef May de mogelijkheden van stoomvoortstuwing onderzoeken. Zo zond hij in 1823 twee – niet-gepubliceerde – prijsverhandelingen over dit onderwerp in naar het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, waarvan hij sinds 1822 lid was.

Vanaf 1820 klaagde May in toenemende mate over zijn gezondheid. Hij had last van zijn hart en werd geteisterd door aanvallen van reumatiek, die hem het reizen beletten. Zijn toch al zwakke gezondheid verslechterde. ‘Na herhaalde toevallen van beroerte’ stierf hij begin 1827 in de leeftijd van 62 jaar.

Job Seaburne May was een verdienstelijk marineofficier. Hij was een overtuigd aanhanger van het Oranjehuis, dat hij trouw bleef ondanks de schade die hij daarmee toebracht aan zijn marinecarrière. Hij verwierf bekendheid als initiatiefnemer tot de anti-Franse omwenteling in november 1813 in Amsterdam. De praktisch ingestelde May voelde zich als ambtenaar op het departement van Marine weinig op zijn plaats. De functie van commandant-directeur der Marine in het hoofddepartement van de Maze was hem daarentegen op het lijf geschreven. Zijn grootste bekendheid geniet May als ontwerper van het Voornsch Kanaal, dat voor Rotterdam lange tijd van grote betekenis was.


Archivalia:
  • Collectie personalia betreffende J.S. May (1765-1827) in het Nederlands Scheepvaartmuseum te Amsterdam.
  • Brieven van J.S. May uit Rotterdam over admiraliteitszaken, 1814-1823 in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage (Archief J.C. van der Hoop, inv.nr. 218).

Publicaties:
  • ‘Gedenkschrift van J.S. May (1815)’, in: Gedenkstukken der Algemeene Geschiedenis van Nederland van 1795 tot 1840. Uitgeg. door H.T. Colenbrander. VI-3 [Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote serie nr. 17] ('s-Gravenhage 1912) 1637-1645.

  • Literatuur:
    • Willem van Houten, Uitnoodiging tot deelneming in het oprigten van een gedenkteeken ter eere van J. Seaburne Maij, als ontwerper en stigter van het kanaal van Voorne (Rotterdam [1842]).
    • E. Wiersum, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek II (Leiden 1912) 886-887.
    • Historisch gedenkboek der herstelling van Neêrlands onafhankelijkheid in 1813. Onder red. van G.J.W. Koolemans Beijnen (4 dln.; Haarlem 1912-1913).
    • A.B. van der Vies, ‘Bijdrage tot de genealogie van het geslacht May’, De Nederlandsche Leeuw 40 (1922) 230-234.
    • C. Wiskerke, ‘Het kanaal door Voorne’, Tijdschrift van het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap, Serie 2, LVII (1940) 667-685.
    • D. van der Horst, Van Republiek tot Koninkrijk. De vormende jaren van Anton Reinhard Falck, 1777-1813 (Amsterdam [etc.] 1985).
    • S. Dörr, De kundige kapitein. Brieven en bescheiden betrekking hebbende op Jan Olphert Vaillant, kapitein-ter-zee (1751-1800) (Zutphen 1988).
    • R.B. Prud’homme van Reine, Jan Hendrik van Kinsbergen 1735-1819. Admiraal en filantroop (Amsterdam 1990).
    • Nico Habermehl, Joan Cornelis van der Hoop (1742-1825). Marinebestuurder voor stadhouder Willem V en koning Willem I (Amsterdam 2000).

    Portret:
    Job Seaburne May als schout-bij-nacht; schilderij (1823) door J.W. May; Collectie Rijksmuseum te Amsterdam (afgebeeld in: Nico Habermehl, Joan Cornelis van der Hoop (1742-1825) (Amsterdam 2000) 182).

    Nico Habermehl

    laatst gewijzigd: 12/11/2013