Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

MOLLERUS, Johan Hendrik baron, heer van Westkerke en Wulpendaal (1809) (verheven in de Nederlandse adel met het predikaat jonkheer bij KB d.d. 24-11-1816, nr. 39; titel baron bij eerstgeboorte verleend bij KB d.d. 21-12-1820, nr. 94), bestuurder en minister (’s-Gravenhage 30-10-1750 – Utrecht 22-6-1834). Zoon van Hendrik Mollerus, heer van Westkerke en Wulpendaal, raadsheer in en later president van de Hoge Raad van Holland en Zeeland, en Maurina Cornelia Noeij. Gehuwd op 7-10-1777 met Mellina Anna Alberda van Nijensteyn (1756-1822). Uit dit huwelijk werden 5 zoons en 1 dochter geboren.

Jan Hendrik Mollerus groeide op in Den Haag in een welgesteld gereformeerd regentengeslacht als vijfde van zeven kinderen, van wie slechts vier de volwassen leeftijd bereikten. Zijn vader bekleedde namens Zeeland het ambt van raadsheer in de Hoge Raad van Holland en Zeeland. Na de Latijnse school in Delft te hebben bezocht studeerde de jonge Mollerus vanaf 28 september 1770 rechten aan de Hogeschool in Utrecht. Deze studie sloot hij op 7 november 1771 af met de verdediging van een volkenrechtelijk proefschrift, getiteld De speculatoribus (Over verspieders). Hij vestigde zich in zijn geboortestad Den Haag, waar hij in december 1771 als advocaat werd toegelaten bij het Hof van Holland en Zeeland en bij de Hoge Raad van beide gewesten. Vanaf 1774 was hij tegelijkertijd advocaat bij de eveneens in Den Haag gevestigde Raad van Brabant.

Volgens de familieoverlevering zou Mollerus in 1777 op de bruiloft van zijn broer zijn toekomstige vrouw Mellina Alberda, een halfzusje van de bruid, hebben leren kennen. Zij was een telg uit een vooraanstaand Ommelander regentengeslacht uit het Noord-Groningse Zandeweer. In het najaar van dat jaar traden Mollerus en Mellina daar in het huwelijk.

Mogelijk door de invloed die zijn vader – vanaf 1763 president van de Hoge Raad – bij stadhouder Willem V aanwendde, werd Mollerus op 16 december 1776 benoemd tot raadsheer in het Hof van Holland en Zeeland. Deze functie oefende hij uit tot 22 april 1785, toen hij middenin de heftige partijstrijd tussen Prinsgezinden en Patriotten, een aanstelling kreeg als secretaris van de Raad van State. Weliswaar rekende Mollerus zich, in het voetspoor van zijn vader, tot de aanhangers van Oranje, maar tegelijkertijd toonde hij zich geenszins afkerig van bestuurlijke verbeteringen. Als een van de hoogste ambtenaren van dit generaliteitscollege – dat onder meer belast was met de landsverdediging – ontwikkelde hij zich tot een bekwaam en deskundig bestuurder. Het was daarom niet vreemd dat de Stadhouder er in 1793 bij Mollerus op aandrong de vrijkomende functie van Thesaurier-Generaal op zich te nemen. Maar hij bedankte voor de eer, omdat hij het verschil in salariëring met zijn huidige positie te groot vond.

Toen er begin 1795 een definitief einde kwam aan het stadhouderlijk bewind, werd Mollerus’ tot dan toe voorspoedige ambtelijke loopbaan op 4 maart abrupt afgebroken. Hoewel hem in de nieuwe Bataafse Republiek een functie werd aangeboden als secretaris van het Comité tot de Algemene Zaken van het Bondgenootschap te Lande – het college dat onder meer de taken van de Raad van State had overgenomen – bedankte hij daarvoor uit trouw aan de Stadhouder. Om dezelfde reden sloeg Mollerus in 1796 een aanbod van de Nationale Vergadering af om zitting te nemen in een commissie die een algemene Landwet of Civiel Wetboek moest opstellen.

Getrouw aan zijn principes leidde Mollerus sindsdien een ambteloos bestaan. Kennelijk beschikte hij over de financiële middelen om zich dit te kunnen veroorloven. Toch was zijn houding ten aanzien van democratische hervormingen bij de nieuwe politieke elite niet onopgemerkt gebleven, en met enkele leden daarvan onderhield hij een goede verstandhouding. Het maakte hem acceptabel voor zowel de Bataafse gezagsdragers als de Oranjeaanhangers. Zo was Mollerus van september tot november 1799 belast met een bijzondere missie om de nadelige gevolgen van de Brits-Russische invasie in Noord-Holland te beperken. In dit verband reisde hij na overleg met de Erfprins en met medeweten van het Uitvoerend Bewind – dat hem zelfs enige onderhandelingsruimte had gegeven – naar ex-stadhouder Willem V in diens Britse ballingsoord om te laten doorschemeren dat voor hem terugkeer naar zijn vaderland mogelijk zou zijn, mits hij bereid was een grondwet en de eenheidsstaat te aanvaarden. Deze besprekingen leverden weliswaar geen resultaat op, maar zij markeerden een aarzelend begin van toenadering tussen de Bataafse Republiek en Oranje.

In het najaar van 1801 werd het Uitvoerend Bewind opgevolgd door het Staatsbewind, een regime dat zich kenmerkte door verzoening. Hierdoor konden ook Oranjegezinde oud-regenten in openbare functies terugkeren. Om te discussiëren over de vraag of zij, wanneer er een beroep op hen zou worden gedaan, hieraan inderdaad gehoor moesten geven, kwam een aantal van hen in oktober 1801 bijeen in Den Haag. Mollerus leidde deze beraadslaging – spottenderwijs ‘de Staten van de Kneuterdijk’ genoemd – en probeerde de tegenstellingen te overbruggen en op verzoening aan te sturen. Hij had succes: de deelnemers deelden ten slotte het standpunt dat zij zich niet aan hun verantwoordelijkheid mochten onttrekken, als er een beroep op hen zou worden gedaan. Behulpzaam daarbij waren ook de zogeheten brieven van Oranienstein, die Willem V zijn aanhangers in de Bataafse Republiek eind december 1801 vanuit zijn nieuwe Duitse ballingsoord stuurde en waarin hij hen ontsloeg van hun eed van trouw aan hem.

Zo kwam er een einde aan het ambteloze leven van Mollerus. Na te hebben bedankt voor de functie van Thesaurier-Generaal van Financiën, omdat hij zijn financiële vaardigheden tekort vond schieten, was hij gedurende tweeënhalve week, van 4 tot 21 juni 1802 één van de twaalf leden van het Gedeputeerd Bestuur van Holland. Op de laatstgenoemde datum werd hij aangesteld als secretaris van het Departementaal Bestuur van Holland, een functie die hij tot 26 april 1804 zou uitoefenen.

Door zijn gebleken kundigheid als bestuurder en zijn gematigdheid werd hij als een ideale kandidaat beschouwd toen er in 1804 werd gezocht naar nieuwe bestuurders voor de Raad van de Aziatische Bezittingen en Etablissementen. Dit bestuurscollege, dat in 1795 de taken van de genationaliseerde Verenigde Oost-Indische Compagnie had overgenomen en dat tot dan toe nog steeds een radicaal-unitarische samenstelling had, was door het Staatsbewind gereorganiseerd. Bovendien was de zetel van Amsterdam naar Den Haag overgebracht. Op 22 maart 1804 werd Mollerus benoemd tot een van de negen leden van de Raad.

Ruim twee jaar zou Mollerus deze functie bekleden, totdat hij op 4 juli 1806 door de nieuw aangetreden koning Lodewijk als minister aan het hoofd werd geplaatst van het departement van Binnenlandse Zaken, waartoe ook Openbare Eredienst behoorde. Onder zijn bewind werd op 13 april 1807 het vanouds bestaande onderscheid in stad en platteland opgeheven door de ‘Wet nopens de inrigting van het bestuur in de departementen’, waarvoor zijn ambtsvoorganger de basis had gelegd. Van mei tot en met september 1807, tijdens Lodewijks verblijf in Frankrijk, kreeg Mollerus tevens het plaatsvervangend voorzitterschap van de raad van ministers toebedeeld. Als zodanig moest hij wekelijks vergaderen over ingediende rapporten en rekesten en de Koning daarover eens per week schriftelijk verslag uitbrengen.

Op 15 mei 1808 stelde de grillige Koning een afzonderlijke minister aan voor Binnenlandse Zaken en kreeg Mollerus uitsluitend Openbare Eredienst in zijn portefeuille. Vanwege de strenge bezuinigingen die Lodewijk oplegde aan zijn inmiddels in Amsterdam gevestigde ministeriële departementen, maar ook omdat hij zich lichamelijk niet langer in staat voelde zijn taak naar behoren uit te voeren en hij graag permanent bij zijn in Den Haag achtergebleven vrouw wilde zijn, vroeg Mollerus op 23 februari 1809 ontslag uit zijn functie.

Lodewijk negeerde Mollerus’ ontslagaanvraag echter en benoemde hem op 22 mei 1809 opnieuw tot hoofd van zowel het departement van Eredienst als dat van Binnenlandse Zaken, waarvan toen wel Waterstaat als een apart ministerie was afgesplitst. Pas nadat hij de Koning nogmaals had geattendeerd op zijn drie maanden eerder ingediende verzoek om ontslag, werd dit hem een week later, op 27 mei 1809, verleend. Ambteloos werd Mollerus daarmee echter niet. Al sinds 15 november 1808 was hij namens het departement Maasland lid van het Wetgevend Lichaam, en hij hield hier zitting tot de opheffing van dit ‘parlement’ op 30 juli 1810. Verder belastte de Koning Mollerus – in de rang en met het traktement van minister – met de uitvoering van de Wet omtrent de Constitutionele Adel. In dit verband werd hij op 1 oktober 1809 benoemd tot Grootkanselier der Titels en had hij als zodanig zitting in het op die datum tevens ingestelde Hoog Heraldiek College.

Met koning Lodewijk had Mollerus een goede, soms hartelijke verstandhouding. Hoewel zijn oudste zoon Hendrik Mello in 1800-1802 officier in de ‘Hollandse Brigade’ in Britse dienst was geweest – waardoor ook op Mollerus de verdenking van ‘anglomanie’ rustte – benoemde de Koning de jongeman op voorspraak van zijn vader in hoge militaire en hoffuncties. Andere zoons van Mollerus hadden aan de koninklijke protectie functies in de diplomatie en rechtspraak te danken. Door het kinderloos overlijden van zijn oudste en enige broer Adriaan Nicolaas verwierf Mollerus’ in 1809 de heerlijkheid Westkerke en Wulpendaal, gelegen op het Zeeuwse eiland Tholen.

Op 26 november 1809 werd Mollerus op Lodewijks verzoek tijdelijk minister van Buitenlandse Zaken gedurende de afwezigheid van minister Willem Fredrik Röell, die de Koning tijdens zijn gedwongen bezoek aan Parijs vergezelde. Deze taak vervulde hij totdat hij op 3 maart 1810 zijn ontslag kreeg, afgedwongen door Napoleon. De Keizer hield hem namelijk verantwoordelijk voor verzet in Amsterdam tegen toelating van Franse troepen, bedoeld om Lodewijk verder onder druk te zetten. Napoleon baseerde zijn negatieve oordeel over Mollerus op een rapport van de Franse ambassadeur in Holland, waarin deze hem als Engelsgezind had gekenschetst.

Na de inlijving van de Noordelijke Nederlanden bij Frankrijk maakte Mollerus van 19 juli tot en met 29 oktober 1810 deel uit van de ‘Conseil pour les Affaires de Hollande’ in Parijs, het college dat de Keizer moest adviseren over de toekomstige bestuursstructuur van de ‘Hollandse departementen’. Als lid van de sectie Binnenlandse Zaken, Wetgeving en Politie van dit college had hij een belangrijke inbreng. Napoleon trok zich echter weinig van de adviezen aan, zoals bleek na de publicatie van het keizerlijk decreet van Rambouillet van 18 oktober 1810, waarbij het bestuur van het nieuwverworven noordelijke grondgebied werd geregeld. Tijdens een ontvangst van de Hollandse delegatie onderhield Napoleon Mollerus publiekelijk op sarcastische wijze over zijn vermeende Engelsgezindheid. In een daaropvolgend gesprek onder vier ogen kon Mollerus deze verdachtmaking weerleggen en kreeg hij alle waardering van de Keizer. Korte tijd later reisde hij terug naar Den Haag.

Op 1 februari 1811 werd Mollerus benoemd tot lid van het Corps législatif namens het departement Monden van de Maas, waardoor hij moest terugkeren naar Parijs. Het verblijf aldaar was echter van korte duur; begin 1812 was Mollerus opnieuw in Den Haag. Op 24 januari 1812 werd hij, namens de gereformeerden, lid van de bij keizerlijk decreet ingestelde commissie voor een nieuwe kerkelijke organisatie. Bovendien volgde op 9 april 1812 zijn benoeming tot directeur van Bruggen en Wegen (: Waterstaat) in de Hollandse departementen, met als standplaats Amsterdam, wat opnieuw een scheiding van zijn vrouw betekende. Daar maakte hij in november 1813 de troebelen mee, die zouden leiden tot het vertrek van de Fransen.

Ook na de terugkeer van de Prins van Oranje op 30 november 1813 en diens aanvaarding van de regering als Soeverein Vorst bleef Mollerus als directeur van de Waterstaat op zijn post, nu echter onder de commissaris-generaal (: minister) van Binnenlandse Zaken. Van 14 januari tot 25 april 1814 was hij tevens president van de Commissie van liquidatie van den achterstand, die tot taak had alle overheidsschulden te inventariseren, daterend van vóór de aanvaarding van de regering door de Prins.

Mollerus genoot groot vertrouwen van de Soevereine Vorst. Op diens verzoek becommentarieerde hij in februari 1814 een door de grondwetscommissie ingediend ontwerp voor een nieuwe Grondwet. In zijn reactie wees hij op de te grote zelfstandigheid van de provincies, wat leek op voortzetting van de gewestelijke soevereiniteit tijdens de Republiek der Verenigde Nederlanden, een naar zijn mening ongewenste situatie. In dit argument stond hij overigens niet alleen. Het ontwerp werd aangepast, al is niet na te gaan of dit te danken was aan de inbreng van Mollerus.

Toen de Soevereine Vorst op 6 april 1814 tot een herschikking van de ministersposten overging, verruilde Mollerus de post van directeur van de Waterstaat voor die van commissaris-generaal van Oorlog met de rang van secretaris van Staat. In de mening verkerend dat die taak hem wegens de vergelijkbaarheid met zijn vroeger vervulde functie bij de Raad van State niet al te moeilijk zou vallen, ondervond Mollerus haar spoedig als een nauwelijks te dragen last, mede veroorzaakt door zijn achteruitgaand gezichtsvermogen. Nadat vanaf 28 juli zijn taken door een plaatsvervanger waren vervuld, kreeg hij op 2 december 1814 formeel het door hem al in september gevraagde ontslag als commissaris-generaal van Oorlog. Met ingang van 2 januari 1815 werd hij benoemd tot lid van de Raad van State, ‘als eene rustplaats na zijne vele ministerieele werkzaamheden’, zoals de toenmalige vice-president van de Raad, Gijsbert Karel van Hogendorp, het verwoordde (Van Hogendorp, Brieven V, 108).

In deze ‘rustplaats’ zou Mollerus overigens bijna vijftien jaar verblijven. Nadat hij deze functie al vanaf 19 augustus 1816 had waargenomen, werd hij op 10 februari 1817 vice-voorzitter van de Raad van State, als opvolger van Van Hogendorp. Hierdoor kwam hij in nog nauwer contact te staan met koning Willem I, die hem eerder al – van 22 april tot 13 juli 1815 – lid had gemaakt van de tweede grondwetscommissie. De invloed van Mollerus op het staatsbestel nam verder toe toen hij op 19 september 1823 als vice-president van de Raad van State tevens voorzitter werd van de ministerraad, ingesteld om meer samenhang te brengen in de beleidsontwikkeling van de diverse departementen.

Zijn achteruitgaande gezondheid noopte Mollerus in het voorjaar van 1829 de Koning om ontslag uit zijn beide functies te vragen. Tegelijk met het ontslag dat hem op 1 juli werd verleend, benoemde Willem I hem uit erkentelijkheid voor zijn langdurige verdiensten tot minister van Staat, gaf hij hem levenslang recht op een plaats in de ministerraad en kende hij hem een aanzienlijke jaarwedde toe. Veel eerder al, in november 1816, had de Koning Mollerus verheven in de adelstand, waardoor deze levenslang zitting kreeg in de Ridderschap van Holland. In 1820 had hij hem nog meer eer bewezen door hem de titel baron bij eerstgeboorte voor zijn mannelijke nakomelingen te verlenen. Mollerus, wiens echtgenote eind juli 1822 was overleden, woonde de laatste jaren van zijn leven in Utrecht, waar de weduwe van zijn tweede zoon de zorg voor hem op zich had genomen. Daar overleed hij in 1834, op 83-jarige leeftijd.

Jan Hendrik Mollerus was een bestuurder met grote kennis en ervaring, vaardigheden die hij tijdens het ancien régime had opgedaan en verder had ontplooid. Door zijn open houding ten aanzien van de staatkundige ontwikkelingen, zonder zijn aanhankelijkheid aan Oranje te verloochenen, kon hij na verkregen stadhouderlijke toestemming vanaf 1802 moeiteloos openbare functies onder de elkaar snel opvolgende regimes vervullen. Mollerus belichaamde zo bestuurlijke continuïteit. Na de terugkeer van Oranje in 1813 spande hij zich ten volle in voor de opbouw van het vaderland. Zowel door zijn jarenlange Oranjetrouw als door zijn kennis van en ervaring met het moderne Bataafs-Franse bestuursapparaat was hij voor de Prins een ideale persoon om mee samen te werken. Door Mollerus te bestempelen als het prototype van een ‘windvaan’ (Lok, Windvanen, 107-108) wordt zijn integere karakter geweld aangedaan. Hij handelde omdat het vaderland hem nodig had en niet uit eigenbelang; naar alle waarschijnlijkheid had hij de aan zijn vele ambten verbonden inkomsten niet nodig voor zijn levensonderhoud.

Archivalia:
Collectie J.H. Mollerus, 1767-1833 in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage [inventaris].

Literatuur:

Portret:
Olieverf op doek, toegeschreven aan Louis Henri de Fontenay; Particulier bezit (beschikbaar via: Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie).

Mieke van Leeuwen-Canneman

laatst gewijzigd: 12/11/2013