Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

NIERSTRASZ [jr.], Johannes Leonardus, dichter en sociaal hervormer (Rotterdam 14-3-1796 – Aarlanderveen (Z.H.) 2-8-1828). Zoon van Johannes Leonardus Nierstrasz, handelaar in manufacturen, en Barbara Sophya Brem. Gehuwd op 29-4-1818 met Neeltje Elizabeth Elkman (1797-1862). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 2 dochters geboren, van wie 1 dochter jong overleed.

Johannes Nierstrasz werd geboren in een welgestelde, voorname familie die van vaderszijde haar wortels had in het Rijnlandse dorpje Burtscheid. Zijn vader was handelaar in manufacturen in Rotterdam en was vanaf 1811 lid en vanaf 1831 president van de Kamer van Koophandel en Fabrieken aldaar. Johannes was de op één na oudste zoon en groeide op in een gezin waarvan uiteindelijk vier zoons en twee dochters de volwassen leeftijd zouden bereiken. Hoewel hij van jongs af aan een voorliefde had voor de letterkunde en de dichtkunst in het bijzonder, was hij voorbestemd om in het handelsbedrijf van zijn vader te werken. Na een korte basisopleiding trad Johannes hier in dienst en reisde hij als vertegenwoordiger het gehele land door.

Ondanks het feit dat de jonge Nierstrasz geen klassieke opleiding had gevolgd die zijn aspiraties in de letterkunde zou kunnen ondersteunen, stelde hij alles in het werk om zich de nodige kennis dan maar zelf eigen te maken. Hij sloot zich aan bij verscheidene letterkundige genootschappen, zoals ‘Nut door Vermaak’ en ‘Constanter’ te Leeuwarden, die zich ten doel stelden de leden via voordrachten en schrijfoefeningen in de dichtkunst te bekwamen. Daarnaast was Nierstrasz vaak te vinden – onder meer met voordrachten – op de leesavonden die werden georganiseerd door de Rotterdamse afdeling van de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen. In die afdeling, waarvan hij in 1820 ook bestuurslid zou worden, viel de jonge dichter al snel op door zijn uitzonderlijk redenaarstalent.

Voor zijn ontluikende dichterschap was echter vooral Nierstrasz’ vroege kennismaking met de Rotterdamse boekhandelaar en uitgever Johannes Immerzeel van belang. Deze was voor hem niet alleen een belangrijk leermeester, maar hij bracht hem ook in contact met grote dichters als Hendrik Tollens en Rhijnvis Feith. Met beiden ontwikkelde Nierstrasz een warme vriendschap. Reeds voor zijn achttiende publiceerde hij talrijke dichtstukken. Zo verschenen bij Immerzeel van zijn hand onder andere Opwekking aan mijne landgenooten, in november 1813 (1814) en De overwinning op Algiers: lierzang (1816). Ook werden er in die periode al een aantal van zijn pennenvruchten opgenomen in het indertijd toonaangevende literaire tijdschrift Vaderlandsche Letter-oefeningen, zoals ‘Opwekking tot liefdadigheid’ (111 (1816) II, 758-760) en ‘Moederliefde’ (114 (1819) II, 191-193).

In 1818 trouwde Nierstrasz met de wees Neeltje Elkman, die hij al kende vanaf zijn vroegste jeugd. Tussen 1819 en 1825 zouden uit dit huwelijk vier kinderen worden geboren. Ook na zijn huwelijk bleef hij actief als dichter en in 1820 werd zijn dichtstuk De Nederlandsche nijverheid door de Koninklijke Maatschappij van Schoone Kunsten en Letterkunde te Gent met een zilveren erepenning bekroond. In hetzelfde jaar verscheen De Verlosser en enkele andere gedichten. Deze eerste dichtbundel, die werd voorafgegaan door een opdracht aan de dichter Rhijnvis Feith, was een toonbeeld van Nierstrasz’ verlicht-christelijk denken, met een grote nadruk op de christelijke naastenliefde, die hij bij al zijn handelen als leidraad nam.

Eind 1819, begin 1820 kwam Nierstrasz in contact met de Friese koopman en filantroop Willem Hendrik Suringar die hem zijn hulp had aangeboden bij de verkoop van een partij vlas. Suringar zette zich in voor de verbetering van de omstandigheden van de gevangenen in Leeuwarden. Zijn grote inspiratiebron vormde het werk van de achttiende-eeuwse Britse gevangenishervormer John Howard. Suringar zon al geruime tijd op mogelijkheden diens denkbeelden ook in Nederland in de praktijk te brengen en vond hiervoor in Nierstrasz een enthousiaste medestander. Tijdens de gesprekken over dit onderwerp ontstond tussen hen een warme en hechte vriendschap.

Nierstrasz overtuigde Suringar ervan dat zij een landelijk genootschap dienden op te richten met als doel de ‘zedelijke verbetering’ van de gevangenen. Nierstrasz’ enthousiasme voor zo’n genootschap vormde waarschijnlijk ook de reden waarom hij in april 1821 zijn vader liet weten uit diens zaak te willen treden. Dat de handel in manufacturen aanzienlijk minder fortuinlijk was geworden dan in voorgaande jaren en dat zijn conservatieve vader wars was van elke vorm van modernisering, speelde daarbij ongetwijfeld ook een rol. Aangezien zich echter niet direct een andere betrekking voordeed, zou hij uiteindelijk nog zo’n vier jaar op het kantoor van de firma blijven werken.

Toen eind augustus 1822 bleek dat Nierstrasz’ vriend en collega-dichter de Amsterdamse suikerraffinadeur Willem Hendrik Warnsinck Bzn. inmiddels ook genegen was tot oprichting van een genootschap dat zich zou bezighouden met het lot der gevangenen, werd deze bij de plannen betrokken. Gedrieën werkten zij vervolgens hard aan de daadwerkelijke verwezenlijking van hun ideaal. Terwijl Suringar de eerste richtlijnen voor het genootschap opstelde, schreef Nierstrasz bij zijn 46 bladzijden tellende ‘dichtstuk’ John Howard een voorrede, die bedoeld was het Nederlandse publiek voor de oprichting ervan enthousiast te maken. Dit werk werd eind 1822 door Geerd Tjaerd Nicolaas Suringar – Willems broer – uitgegeven. Met hetzelfde doel verzorgde Warnsinck in 1823 de Briefwisseling over den John Howard, van den heer J.L. Nierstrasz, junior.

Toen het drietal ten slotte in maart 1823 een intekenlijst voor het genootschap liet rouleren, meldden zich al snel vele honderden belangstellenden aan. Vervolgens werd het op 6 oktober bij Koninklijk Besluit erkend en was de oprichting van het Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen (NGZVG) een feit. De organisatiestructuur werd opgezet naar het voorbeeld van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, met een in Amsterdam gevestigd algemeen hoofdbestuur en verscheidene afdelingsbesturen.

Het NGZVG richtte zich niet alleen op de gevangenen in de gevangenis, maar bekommerde zich ook om hun lot nadat zij in vrijheid waren gesteld. In de gevangenis probeerden de leden door middel van bezoeken, stichtelijke literatuur en preken het gemoed van de gevangene te verbeteren, terwijl ze diezelfde gevangenen na vrijlating trachtten te helpen bij het opbouwen van een respectabel bestaan. Hiermee waren de doelstellingen van het genootschap uiteindelijk meer geïnspireerd door de sociaal hervormster Elizabeth Fry, die vrijwel terzelfder tijd soortgelijk werk verrichtte in Groot-Brittannië, dan door John Howard, die zich eerder beperkte tot het verbeteren van de leefomstandigheden in gevangenissen zelf.

In algemene zin was Nierstrasz een fel pleitbezorger van de noodzaak tot algemeen vormend onderwijs. Hoewel hij het gebrek aan godsdienstige en zedelijke vorming als belangrijkste oorzaak zag van criminaliteit, meende hij dat daarmee bij de delinquenten pas kon worden begonnen, nadat er een meer algemene vorming aan vooraf was gegaan. Dankzij zijn inspanningen werd het vanaf 1825 in de Rotterdamse gevangenis mogelijk drie keer per week algemeen onderwijs te volgen. Die scholing was er hoofdzakelijk op gericht de basisbeginselen van het lezen, schrijven en rekenen bij te brengen. Tegelijkertijd zette Nierstrasz zich, samen met Suringar, bijzonder in voor de oprichting van aparte jeugdgevangenissen. Zo wist hij in 1825 te bedingen dat de eerste hiervan in zijn woonplaats Rotterdam zou worden gevestigd. Door omstandigheden zou deze instelling echter pas in 1833 – dat wil zeggen vijf jaar na zijn dood – haar deuren openen. Al zijn inspanningen voor het lokale gevangeniswezen zorgden er tevens voor dat Nierstrasz uiteindelijk toetrad tot het bestuur van de gevangenissen in Rotterdam.

Ondanks de goede bedoelingen werd het NGZVG niet door iedereen positief beoordeeld. Vooral van christelijk-orthodoxe zijde kreeg het veel kritiek te verduren. Het belangrijkste discussiepunt daarbij was het verlichte idee dat de mens zelf invloed zou kunnen uitoefenen op zijn ‘zondige staat’, een gedachte die het uitgangspunt van het genootschap vormde. Een fel tegenstander van de Verlichtingsidealen en hun invloed op de ware christelijke leer was de dichter en schrijver Isaäc Da Costa, die zijn denkbeelden verwoordde in zijn Bezwaren tegen de geest der eeuw (1823). In reactie hierop liet Nierstrasz in 1825 een anoniem werkje, getiteld Iets aan Da Costa, onder zijn vrienden circuleren, waarin een buitenlander uiting geeft aan zijn verontwaardiging over de opvattingen van Da Costa. De auteur was echter hoogstwaarschijnlijk Nierstrasz zelf. Toen in datzelfde jaar Da Costa in zijn Geestelijke Wapenkreet rechtstreeks uithaalde naar het NGZVG – waarbij hij de oprichters betichtte van ijdelheid en zelfgenoegzaamheid – schreef Nierstrasz onder zijn eigen naam het dichtstuk Aan mr. Isaac da Costa (1825), waarin hij in zeer scherpe bewoordingen met zijn opponent en diens opvattingen afrekende. Aangezien Da Costa’s geschriften – mede ook door de toonzetting – omstreeks 1825 over het algemeen nog op weinig bijval konden rekenen, kwam het in deze jaren niet tot een nadere confrontatie.

Als dichter kreeg Nierstrasz in 1828 meer algemene bekendheid door zijn gedicht Frans Naerebout. Dit meer dan honderd bladzijden tellende dichtwerk over de Zeeuwse loods en mensenredder vond gretig aftrek en beleefde een jaar later al een herdruk. Mede aangemoedigd door dit succes zette Nierstrasz zich aan de bewerking van een aantal vroegere gedichten – waaronder zijn in 1821 door het Koninklijk Genootschap van Taal- en Dichtkunde te Antwerpen met goud bekroonde Dithyrambe op Petrus Paulus Rubens – met de bedoeling deze samen met een aantal nieuwere verzen uit te geven. Aldus verscheen in 1827 zijn Gedichten.

In de voorrede bij deze bundel kon Nierstrasz het niet nalaten – in reactie op groeiende kritiek – een pleidooi te houden voor de zogeheten huiselijke poëzie. Bovendien beklemtoonde hij in een betoog over de spelling niet alleen enkele – in zijn ogen – belangrijke gebreken van Bilderdijks Nederlandsche spraakleer, maar sprak hij zich ook uitermate afkeurend uit over diens staatkundige en godsdienstige opvattingen. Hiermee legde Nierstrasz, als burger-dichter, een autoriteit aan de dag die hem niet in dank werd afgenomen.

Kort voor het verschijnen van de bundel Gedichten in september 1827 werd Nierstrasz ernstig ziek. In de jaren ervoor was zijn gezondheid al sterk verslechterd, en vanaf 1825 had hij geregeld last van ernstige hoofdpijn en een druk op de ogen die hem af en toe het zicht benam en het werken onmogelijk maakte. Vooral het schrijven van gedichten leek hem bijzonder uit te putten. Kort na het overlijden van zijn moeder, begin augustus 1827, werd hij echter zo ernstig ziek, dat gevreesd werd voor zijn leven.

Eenmaal buiten levensgevaar besloot Nierstrasz de stad Rotterdam te verlaten in de hoop dat frisse buitenlucht zijn gezondheid zou verbeteren. Ook beloofde hij zijn vrienden omwille van zijn gezondheid een jaar lang niet te dichten. In december 1827 verhuisde Nierstrasz met zijn gezin naar de plattelandsgemeente Aarlanderveen bij Alphen aan den Rijn, waar hij een aanstelling als burgemeester had gekregen. Aanvankelijk leek zijn gezondheid zich inderdaad te verbeteren, en vol enthousiasme begon hij aan zijn nieuwe werkzaamheden.

In juli 1828 verscheen een anoniem pamflet getiteld Nieskruid voor den heer J.L. Nierstrasz jr., dat achteraf geschreven bleek door Jan Wap, een volgeling van Bilderdijk en Da Costa. In het pamflet werd Nierstrasz genadeloos onderuit gehaald. Zijn poëtisch taalgebruik, dat inderdaad soms veel te wensen overliet, werd door Wap belachelijk gemaakt als ‘hoogdravend woordgehuil en diep armzalig, maar geestbedwelmend klatergerijmel’ (geciteerd in: Mathijsen, 426). Ook werd zijn betrokkenheid bij het NGZVG als een uiting van eerzucht weggezet.

Ongelukkigerwijs werd Nierstrasz vlak na het verschijnen van het pamflet opnieuw ernstig ziek. Hevige koortsaanvallen gepaard met verschrikkelijke hoofdpijn beroofden hem binnen enkele dagen van al zijn krachten. Begin augustus 1828 overleed hij op 32-jarige leeftijd in de armen van zijn vrouw. Aangezien de dood van de dichter zo snel volgde op het pamflet werd door sommigen al snel gefluisterd dat Nieskruid feitelijk een moordwapen was geweest.

Johannes Leonardus Nierstrasz was een gedreven man met het hart op de juiste plaats. Tact en geduld waren echter niet zijn sterkste eigenschappen. In zijn enthousiasme kon hij ondoordacht handelen, waardoor hij menig vriend en medestander wel eens onbedoeld in verlegenheid bracht. Hoewel van nature niet bijzonder eerzuchtig kon hij slecht tegen tegenspraak, zeker niet wanneer het zaken betrof die hem zeer ter harte gingen.

Met zijn poëzie die het Vaderland, God en christelijke (naasten)liefde als thema’s had, sloot Nierstrasz, als verlicht burger-dichter, aanvankelijk naadloos aan bij de heersende smaak der natie. De felle kritiek die hij aan het eind van zijn leven op zijn dichtkunst kreeg te verduren, was dan ook meer dan louter literatuurkritiek. Zij maakte deel uit van een groeiend protest tegen een tijdgeest van gezapigheid en zelfgenoegzaamheid. In smallere kring gaf het ook uiting aan een ongenoegen binnen het Nederlands protestantisme. Degenen die Nierstrasz' dood relateerden aan de voorafgaande scherpe kritiek op zijn werk gebruikten dit vooral als wapen in de strijd tegen de groeiende bezwaren tegen de geest der eeuw. Onbedoeld groeide Nierstrasz hiermee in de jaren na zijn dood uit tot een icoon van een voorbije tijdgeest.

Vanuit zijn verlicht-protestant geloof was Nierstrasz ervan overtuigd dat hulp aan de minder bedeelde medemens niet alleen een noodzaak maar ook een plicht was. Voor hem was barmhartigheid het centrale uitgangspunt van het christelijk geloof. Sterker nog: uiteindelijk stelde hij zedelijke verbetering door het geloof boven de grondbeginselen van de ware leer. Het is deze overtuiging die ten grondslag ligt aan het Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen, waarvan hij in 1823 een van de oprichters was.


Archivalia:
Brieven van Nierstrasz worden bewaard in o.a. de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage en de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam.
Gedichten van Nierstrasz (1813-1819) in de Handschriftenverzameling van het Gemeentearchief Rotterdam.

Publicaties:
De voornaamste werken worden in de tekst genoemd.

Literatuur:
Behalve verscheidene in 1828 gepubliceerde dichtstukken naar aanleiding van Nierstrasz’ overlijden:
  • F.P. Gisius Nanning, Aan J.L. Nierstrasz, Junior, na de lezing van deszelfs gedicht aan Mr. Isaac da Costa (Delft 1825).
  • [Anoniem,] Echo, op het gedicht van J.L. Nierstrasz, Junior, aan Mr. Isaac da Costa (Rotterdam 1825).
  • M. Siegenbeek, 'Levensberigt van Johannes Leonardus Nierstrasz Junior', Algemeene Konst- en Letterbode 42 (1829) II, 402-407, 421-426.
  • Hendrik Tollens, ‘Johannes Leonardus Nierstrasz junior’, Nederlandsche Muzen-Almanak 12 (1830) 232-237.
  • C.P.E. Robidé van der Aa, ‘Iets ter nagedachtenis van wijlen Johannes Leonardus Nierstrasz Jr’, Magazijn voor Wetenschappen, Kunsten en Letteren 10 (1830) 123-140.
  • Jacob Maarten van Bemmelen, Van zedelijke verbetering tot reclasseering. Geschiedenis van het Nederlandsch Genootschap tot Zedelijke Verbetering der Gevangenen, 1823-1923 (’s-Gravenhage 1923).
  • E. Wiersum, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek IX (Leiden 1933) 714.
  • R. Ros, 'Het Nederlandsch Genootschap tot zedelijke verbetering der gevangen. Het ontstaan van de reclassering in Nederland, 1823-1915', Spiegel Historiael 26 (1991) 243-247.
  • Marita Mathijsen, ‘2 augustus 1828: Johannes Nierstrasz wordt ten grave gedragen. De botsing van twee typisch negentiende-eeuwse literatuuropvattingen’ in: Nederlandse Literatuur. Een geschiedenis. Onder red. van M.A. Schenkeveld-van der Dussen (Groningen 1993) 426-431.
  • Chris Leonards, De ontdekking van het onschuldige criminele kind. Bestraffing en opvoeding van criminele kinderen in jeugdgevangenis en opvoedingsgesticht, 1833-1886 (Hilversum 1995).
  • Ellen Krol, De smaak der natie. Opvattingen over huiselijkheid in de Noord-Nederlandse poëzie van 1800 tot 1840 (Hilversum 1997).
  • A. en M. Kagchelland, Van Dompers en Verlichten. Een onderzoek naar de confrontatie tussen het vroege protestantse Réveil en de Verlichting in Nederland (1815-1826) (Delft 2009).

Portret:
Gravure door Phillippus Velijn naar een werk door H.W. Caspari (beschikbaar via: Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren).

Mariska Vonk

laatst gewijzigd: 12/11/2013