Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

SCHRANT, Joannes Matthias, rooms-katholiek priester en publicist (Amsterdam 24-3-1783 (doop) – Leiden 5-4-1866). Zoon van Rudolph Schrant, schrijnwerker, en Joanna Stapper. Ongehuwd.

Jan Schrant groeide samen met een broer en drie zusters op als oudste zoon van een uit het Duitse Oldenburg afkomstige ambachtsman. Nadat hij zich in 1801 op de Latijnse school met een ‘Oratio in laudem Pauli Apostoli’ (Lofrede op de apostel Paulus) als ‘primus’ had onderscheiden, mocht Jan tot 1803 colleges – zowel Grieks en Hebreeuws als wis-, meet- en natuurkunde – volgen aan het Athenaeum Illustre in zijn woonplaats. Al jong gaf hij blijk van religieuze belangstelling en serieuze toewijding aan de rooms-katholieke kerk, zodat het priesterschap voor hem de juiste bestemming leek.

Jan volgde zijn roeping en bezocht van 1803 tot 1806 de priesteropleiding in Warmond. Dit in 1799 gestichte seminarie stond onder leiding van de Zaandamse pastoor Johannes Hendricus Lexius die, samen met enkele andere priesters, een irenisch en verlicht katholicisme voorstond. In Warmond zou Jan zich ontwikkelen tot een toegewijd aanhanger en warm pleitbezorger voor dit liberale katholicisme.

Na zijn priesterwijding op 28 maart 1806 werd de 23-jarige Schrant als kapelaan toegevoegd aan ‘De Pool’, de parochiekerk van pastoor Henricus Beukman aan de huidige Prins Hendrikkade in Amsterdam. Hij manifesteerde zich hier als een welsprekend prediker die, samen met enkele andere jonge kapelaans wilde proberen het beschavingspeil van de Noord-Nederlandse katholieken op een hoger niveau te brengen. In dienst van dit ideaal was Schrant in januari 1807 de oprichter van het driemaandelijkse tijdschrift Mengelingen voor Roomsch-Catholijken, waarin hij zijn irenische visie en zijn opvattingen over de zeggenschap van de staat in kerkelijke aangelegenheden uitdroeg. Dergelijke verlichte en gallicaanse denkbeelden vonden afkeuring bij de conservatieve leiding van de rooms-katholieken. Tot 1814 zou hij hoofdredacteur zijn van de Mengelingen, die hij voor een belangrijk deel zelf volschreef.

Ongenoegen wekte Schrant ook in het najaar van 1808 met Het Leven van Jesus, een geschenk aan de jeugd, een meer dan vierhonderd bladzijden tellend didactisch hulpmiddel, met een zo weinig leerstellige inhoud dat het op alle christelijke scholen kon worden gebruikt. Terwijl er van katholieke zijde fel op werd gereageerd, blijkt uit de positieve recensies in de Vaderlandsche Letteroefeningen dat de gematigde protestanten juist waardering hadden voor Schrants poging de geloofsverschillen te overbruggen.

Schrants positie binnen de katholieke geestelijkheid kwam zo in toenemende mate onder druk te staan. Toen de conservatieve maar invloedrijke pastoor Jacobus Joannes Cramer – van 1808 tot 1810 aalmoezenier van koning Lodewijk – op 10 februari 1811 aartspriester van Holland en Zeeland werd, zorgde deze er eind april voor dat de omstreden kapelaan uit de hoofdstad werd verwijderd. Hij kreeg een aanstelling als pastoor van de kleine rooms-katholieke parochie in het West-Friese Bovenkarspel. Voor Schrant, die ook door Lexius en zijn vroegere leermeesters niet overtuigend werd gesteund, zat er niets anders op dan zich bij zijn ballingschap neer te leggen. In zijn nieuwe parochie ontwikkelde hij zich tot een inspirerende kanselredenaar. Hij bleef zijn ideeën via bijdragen in de Mengelingen uitdragen. Meer nog dan in Amsterdam vestigde hij in Bovenkarspel de aandacht op zich.

Een merkwaardige gebeurtenis speelde Schrant daarbij in de kaart. Hij was nauwelijks in Bovenkarpsel begonnen, toen zijn oud-superieur pastoor Beukman hem uitnodigde te preken in ‘De Pool’. Tijdens zijn verblijf in Amsterdam lieten de Franse autoriteiten – het land maakte inmiddels deel uit van Napoleons keizerrijk – hem op 24 juli 1811 arresteren. Aanleiding was een door hem anoniem in het Nerderlands vertaalde tekst van de Duitse katholieke theoloog Johann Hyacinth Kistemaker, Uitlegkundige verhandeling over de opperhoofdigheid van Petrus, naar aanleiding van Matth. XVI, 18-19 (1810), waarin zij ‘Ultramontaansche gevoelens’ meenden te bespeuren, die in strijd waren met de gallicaanse vrijheden van de rooms-katholieke kerk zoals die door keizer Napoleon werden voorgestaan. Nadat de desbetreffende passage in het Frans was vertaald, zag het hoofd van de Franse politie in Amsterdam in dat Schrant die vrijheden daarentegen juist onderschreef. Men moest toegeven een fout te hebben gemaakt, en na drie dagen hechtenis werd hij weer vrijgelaten. De kwestie kreeg veel publiciteit en bezorgde de pastoor uit Bovenkarspel zekere faam.

Terwijl Schrant ten overstaan van de conservatieve leiding van de Nederlandse rooms-katholieken een zekere vorm van onafhankelijkheid aan de dag legde, stelde hij zich des te nadrukkelijker in dienst van het wereldlijk gezag in de Noordelijke Nederlanden. Toen de Prins van Oranje – eerst eind 1813 als Soeverein Vorst en vanaf 1814 als koning Willem I –op de troon kwam, steunde hij diens streven naar een Groot-Nederlandse natie van verlichte signatuur. Waarschijnlijk op aanbeveling van zijn oude leermeester aan het Athenaeum Illustre, de hoogleraar klassieke talen David Jacob van Lennep, vroeg de Koning Schrant in 1817 een hoogleraarschap Nederlandse Letterkunde en Welsprekendheid te aanvaarden aan de in datzelfde jaar opgerichte universiteit van Gent. Willem I wilde door het verbreiden van de Nederlandse taal en wetenschap in het zuidelijke deel van zijn koninkrijk de invloed van de conservatieve katholieke clerus daar terugdringen en het zuiden aan het noorden binden. Schrant met zijn verlicht katholicisme en talent op het gebied van de welsprekendheid leek daartoe de aangewezen persoon.

Hoe eervol een hoogleraarschap ook was, Schrant voelde er niet veel voor te vertrekken uit Bovenkarspel, waar hij aanzien genoot en succes had. Bovendien waren zowel zijn ouders als twee van zijn zusters bij hem ingetrokken voor wie hij een verhuizing bezwaarlijk vond. Maar een weigering van het aangeboden professoraat was onmogelijk en in december 1817 vertrok Schrant naar Gent. Op 3 januari 1818 hield hij hier zijn ‘aanvaardingsredevoering’ met de programmatische titel Over het beoefenenswaardige der Nederlandsche tale, zoo om haar zelve, als om hare voortbrengselen.

Stond in het noorden van Willem I’s koninkrijk de Nederlandse taal al weinig in aanzien, in het zuiden was het hiermee nog veel slechter gesteld: sinds jaar en dag waren daar immers Latijn en Frans de talen van kerk, cultuur en wetenschap geweest. In Gent legde Schrant zich eerst en vooral toe op het vergroten van de Nederlandse taalvaardigheid, met literaire teksten of welsprekende verhandelingen uit de Nederlandse letterkunde als voorbeeld. Tot een wetenschappelijke bestudering van taal en letterkunde kwam het niet. Zijn vele publicaties – oraties, opstellen, bloemlezingen, en literatuurgeschiedenissen – vertolkten vooral de taal- en cultuurpolitiek van Willem I.

Schrant legde zich met veel overtuiging en ijver op zijn nieuwe taak toe, maar de belangstelling voor zijn colleges was gering. Eén van zijn studenten beschreef hem als ‘een man van hooge gestalte en van krachtigen lichaamsbouw, zeer deftig in zijne houding en die ook iedereen eerbied in boezemde’ (geciteerd in: Bergmann, 195-196). In 1818 huurde hij een woning in Gent en liet hij zijn familieleden uit Bovenkarspel overkomen

Nadat Schrant al direct bij zijn aanstelling had bedankt voor het ambt van rector magnificus, aanvaardde hij dit in 1820 alsnog. Bij zijn aftreden op 4 oktober 1821 sprak hij een oratie uit met de opnieuw veelzeggende titel: De patrii sermonis studio jurisconsultis quam maxime commendando (‘Over het hoogst belangrijke van de beoefening der volkstaal door de regtsgeleerden’)]

Ook buiten zijn hoogleraarschap en rectoraat verzette Schrant veel werk. Zo ging hij in 1818 in op het verzoek van dominee Albert Goedkoop – een Gentse predikant die het protestantisme in de zuidelijke Nederlanden wilde versterken – om een vertaling te maken van het Nieuwe Testament, die zowel de goedkeuring kon wegdragen van de rooms-katholieke kerk als zou kunnen worden verspreid via het in 1814 opgerichte (protestantse) Nederlandsch Bijbelgenootschap. Zonder acht te slaan op de hachelijke kanten van deze onderneming zette Schrant zich volledig in om dit vertaalwerk tot een goed einde te brengen. Toen zijn associatie met de protestantse activist Goedkoop en het Nederlandsch Bijbelgenootschap aan het licht kwam, raakte hij in opspraak.

Bezorgd om zijn goede naam, schreef Schrant in 1823 zijn Verhandelingen over den Bijbel, een drietal ondubbelzinnig rooms-katholieke opstellen. Enig eerherstel viel hem ten deel. De kritiek was lovend, ook in organen van overwegend protestantse geleerden. Zo werden Schrants Verhandelingen in de Recensent ook der Recensenten geprezen als een meesterstuk van bondige geleerdheid. Het tijdschrift De protestant. Tijdschrift voor de evangelische christenheid in het Koningrijk der Nederlanden uitte evenwel felle kritiek. De door Schrant zo begeerde ‘juste milieu’-positie leek voorlopig onmogelijk.

Dit werd opnieuw duidelijk toen in 1824 Schrants Leven van Jezus – dat inmiddels verschillende malen was herdrukt – op de index van verboden boeken werd geplaatst, omdat Rome het een te weinig expliciet katholiek geschrift achtte. Schrant correspondeerde erover met de Paus, maar begreep na twee brieven dat de Kerk zou blijven vasthouden aan het eenmaal ingenomen standpunt.

Terwijl hij aan de universiteit studenten probeerde te enthousiasmeren voor de Nederlandse taal, letterkunde en geschiedenis, werkte Schrant ook in andere onderwijssectoren aan het ideaal van een Groot-Nederland. Zo hield hij vanaf 1824 als secretaris en werkend lid van de Provinciale Schoolcommissies toezicht op het lager onderwijs in Oost-Vlaanderen. Schrant toetste kandidaat-onderwijzers op hun capaciteiten als docent en werkte mee aan het bewerken van schoolboeken. Bij de katholieke geestelijkheid stuitte deze onderwijshervorming echter op veel verzet, waardoor Schrant opnieuw in een lastig parket werd gebracht.

Begin 1825 adviseerde Schrant de regering van staatswege een nieuwe priesteropleiding op te richten, ten einde de katholieke geestelijkheid in het zuiden meer aan de noordelijke Nederlanden te binden en het latente verzet van Franstaligen jegens alles wat Nederlands was tegen te gaan. Op 14 juni van dat jaar werd in Leuven het Collegium Philosophicum opgericht, dat in de plaats kwam van de (conservatieve) kleinseminaries. Schrants bemoeienis met deze nieuwe instelling werd hem door zijn zuidelijke geloofsgenoten niet in dank afgenomen. Het zorgde voor zoveel wrijving – tot in de hoogste politieke en klerikale kringen – dat het Collegium Philosophicum eind 1829 al weer werd gesloten. In zijn anoniem gepubliceerde pamflet De opstand en afval der Belgen getoetst aan den geest des christendoms, door een roomsch-katholyk priester  (1831) gaf Schrant later toe dat deze poging om de priesteropleiding onder staatstoezicht te stellen, had gefaald.

Als verlicht, maar vroom gelovig rooms-katholiek leek Schrant de juiste bemiddelaar tussen het liberale en het conservatieve deel van de zuidelijke elite. Maar door zijn bijna verbeten strijd voor het Groot-Nederland van Willem I maakte hij zich bij geen van beide partijen geliefd en wist hij weinig te bereiken. Een positief oordeel over hem hadden wel degenen onder zijn studenten die zich aangetrokken voelden tot de Vlaamse Beweging. Zij prezen hem als een allerhartelijkste man, een talentvol redenaar en verdraagzaam priester.

Toen eind augustus 1830 de Belgische Opstand uitbrak, moest Schrant de zuidelijke Nederlanden verlaten. Met zijn moeder – zijn vader was in 1825 overleden – en de twee zusters die bij hem inwoonden, vluchtte hij naar het noorden. Aangezien vooreerst niet duidelijk was hoe de toekomst er voor Schrant en de zijnen uit zou zien, vestigde de familie zich voorlopig in Den Haag.

Schrant was weliswaar ambteloos, maar kon aanspraak maken op de belofte tot uitbetaling van zijn jaarwedde bij gedwongen verhuizing. Evenals Johan Rudolph Thorbecke – ook hoogleraar in Gent en eveneens gevlucht – werd hem na verloop van enige tijd een post aangeboden aan de universiteit van Leiden. Op 3 juni 1831 trad Schrant daar als toegevoegd hoogleraar in dienst. Hij markeerde deze entree met een openbare les, getiteld Over de hulpmiddelen tot welsprekendheid bij de oude en nieuwe volken. Met zijn moeder en beide zusters vestigde hij zich in deze stad. Schrant kocht er binnen enkele jaren de buitenplaats ‘Spawijk’, die hij grondig liet verbouwen en herdoopte in ‘Vreewijk’. Zijn oudste zuster en zijn moeder zouden in 1839 respectievelijk 1841 overlijden. Zijn andere zuster, Annemie, zou haar hele leven zorgen voor haar broer, die ze eerbiedig ‘professor’ noemde.

Schrants aanstelling in Leiden betekende een docentschap in de schaduw van Matthijs Siegenbeek, die daar al sinds 1797 hoogleraar Nederlandse Taal en Welsprekendheid was. Dit was geen gemakkelijke positie, want Siegenbeek liet hem weinig ruimte. Tot diens aftreden in 1845 gaf Schrant wekelijks een of twee schaars bezochte colleges, gewoonlijk over de dichter Joost van den Vondel. De studenten volgden de schoolse lessen van de vormelijke priester met onverschilligheid, soms met tegenzin en vooringenomenheid. In de studentenalmanakken werd Schrant gretig als het prototype van een paap te kijk gezet: zijn dikke pastoorsbuik, zijn vette pastoorskuiten, zijn statiejas en zijn pofbroek moesten het geregeld ontgelden. Dat kwam zijn populariteit niet ten goede: zijn colleges lagen soms enige tijd stil vanwege gebrek aan toehoorders. Desondanks wist hij zich aan de Leidse academie te handhaven. Van februari 1843 tot februari 1844 was hij rector magnificus.

Hoewel Schrant lid was van vele geleerde letterkundige genootschappen in Nederland en België en in verschillende commissies van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde zitting had, vond hij geen aansluiting in kringen van taal- en letterkundigen. Zijn werkzaamheid werd er echter niet minder om. Schrant publiceerde verhandelingen en studies, en verzorgde tekstedities met een omvangrijk en waardevol notenapparaat. Zijn geannoteerde uitgaven van onder andere Van den Vondels Joannes de Boetgezant (1851) en Lucifer (1856) getuigen van een grote en nauwkeurige bronnenkennis.

Met voldoening volgde Schrant intussen de universitaire opleiding en loopbaan van zijn naamgenoot, Joannes Matthias Schrant (1823-1864) – een zoon van zijn broer Klaas – die vanaf 1838 in Leiden bij hem in huis woonde. Schrant heeft nauwgezet toegezien op diens wetenschappelijke en zedelijke vorming. In juli 1862 werd deze getalenteerde neef benoemd tot hoogleraar aan de medische faculteit in Leiden. Zijn vroegtijdige dood twee jaar later was voor Schrant een enorme schok.

Op 7 januari 1845 werd Schrant benoemd tot opvolger van Siegenbeek, niet omdat hij de geschiktste kandidaat was, maar omdat dit hem eerder schriftelijk was toegezegd. Hij bleef op de oude voet doorgaan en wist niet overtuigend een nieuwe invulling aan het hoogleraarschap te geven. Wel bleef hij publiceren, zowel wetenschappelijke letterkundige studies als religieuze verhandelingen. Ook na zijn emeritaat, in maart 1853, werkte hij nog aan verschillende publicaties, tot toenemende slechtziendheid hem het schrijven belemmerde.

Joannes Matthias Schrant overleed in 1866 op 83-jarige leeftijd. De door hem nagelaten ‘Autobiografische herinneringen’ geven blijk van een beproefd bestaan. Meer nog dan de smaad en de miskenning die hem tijdens zijn leven ten deel vielen, lijken spanningen in religieus opzicht voor Schrant een bron van verdriet te zijn geweest. Behalve op de godsdienstige wrijvingen kijkt hij in dit autobiografisch opstel ook terug op de breuk tussen de noordelijke en zuidelijke Nederlanden, en toont hij begrip voor enkele grieven die door de zuiderlingen tegen de Hollanders werden gekoesterd.

Archivalia:

  • ‘Biografische aantekeningen over Joannes Matthias Schrant (1783-1866), priester en letterkundige’ [circa derde kwart 19de eeuw] berusten in de ‘Verzameling brieven, geschreven door en gericht aan Jeronimo de Vries Gzn. (1776-1853)’ in de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage.
  • Brieven van en aan Joannes Matthias Schrant bevinden zich o.a. in de universiteitsbibliotheken van Leiden en Amsterdam, alsmede in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage.

Publicaties:

    [Onvolledige] bibliografie van Joannes Matthias Schrant in: Paul Fredericq, ‘J.M. Schrant’, Liber Memorialis - Université de Gand: notices biographiques I (Gent 1913) 10-20.

Literatuur:

  • J.T. Bergman, levensbericht in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden (Leiden 1866) 231-263.
  • Veilingcatalogus, boeken van J. M. Schrant ... [et al.] (’s-Gravenhage 1866).
  • G. Bergmann, ‘Herinneringen uit mijn studentenleven aan de Hoogeschool van Gent (1823-1828)’, in: Nederlandsch Museum. Tijdschrift voor Letteren, Wetenschap en Kunst Derde reeks 4 (1890) II, 165-211.
  • J. Kleijntjens, lemma in: Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek IX (Leiden 1933) 1003-1004.
  • Joannes Matthias Schrant. Zijn autobiografische herinneringen. Uitgeg. door G. Gorris / L.J. Rogier, Schrant en de katholieke herleving (Tilburg 1932).
  • L.J. Rogier, Een stem der Katholieke Verlichting. Mengelingen voor Roomsch-Catholijken, 1807-1814 (Nijmegen [etc.] 1954).
  • L.J. Rogier, ‘Het Gentse professoraat van J.M. Schrant’, in: idem, Beschouwing en onderzoek (Utrecht [etc.] 1954) 216-255.
  • G.J. Hooykaas, ‘Siegenbeek versus Schrant’, in: Nieuw Letterkundig Magazijn 4 (1986) 29-31.<
  • E. Wiskerke, ‘Twee katholieke Vondelianen uit het begin van de negentiende eeuw: F.J. Hoppenbrouwers en J.M. Schrant’, in: Spektator. Tijdschrift voor Neerlandistiek 18 (1988/1989) 3 (Januari) 203-210.
  • Guy Janssens en Kris Steyaert, Het onderwijs van het Nederlands in de Waalse provincies en Luxemburg onder koning Willem I (1814-1830). Niets meer dan een boon in een brouwketel? (Brussel 2008).
  • Janneke Weijermars, ‘Neerlandistiek als bindmiddel van de natie. Hoogleraar Schrant in Gent 1817-1830’, in: De Negentiende Eeuw 33 (2009) 1 (themanummer) 4-19.

Portret:


Anoniem

laatst gewijzigd: 12/11/2013