Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

MERLEN, Joannes Baptista baron Van (Baron de l’Empire, 5-4-1814), legerofficier (Antwerpen (Oostenrijkse Nederlanden) 11-5-1772 (doop) – Waterloo 18-6-1815). Zoon van Bernardus Josephus Antonius Van Merlen, koopman, en Isabelle Caroline Ligeois, winkelierster in kant. Gehuwd op 27-6-1799 met Reijna Gesina Star Lichtenvoort (1768-1841). Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren.

Jean-Baptiste Van Merlen was het vijfde van de dertien kinderen van een Antwerpse middenstander. De heftige reacties die de radicale hervormingsmaatregelen van keizer Joseph II in 1787 en 1788 in Antwerpen en elders in de Oostenrijkse Nederlanden teweegbrachten, deden hem de zijde kiezen van de opstandelingen. Slechts vijftien jaar oud vertrok hij naar Brussel, waar hij zich op 17 maart 1788 als vrijwilliger aansloot bij de daar gevormde burgercompagnieën.

Toen het een jaar later tot een militaire confrontatie met de Oostenrijkse troepen kwam, diende Jean-Baptiste als infanterist in het zogeheten Patriottenleger van luitenant-generaal Jan Andries Vander Mersch. Hij nam onder meer deel aan de overwinning bij Turnhout (27 oktober) en de verovering van Diest (24 november). Vanwege zijn dappere optreden werd Van Merlen op 21 maart 1790 bevorderd tot tweede luitenant; hij diende toen in het 5de Regiment van Antwerpen. In november van dat jaar slaagde het Oostenrijkse leger er echter alsnog in aan de Brabantse Omwenteling een einde te maken. Om aan vervolging te ontkomen vluchtte hij met velen van zijn strijdmakkers naar Frankrijk, waar hij zich in december 1790 in Douai vestigde.

Op 15 juli 1792 werd Van Merlen als tweede luitenant opgenomen in een van de korpsen van uitgeweken landgenoten – het Belgisch Legioen – in het Franse revolutionaire leger. Met zijn infanterie-eenheid vocht hij vervolgens onder bevel van divisie-generaal Charles-François Dumouriez in de Zuidelijke Nederlanden tegen de geallieerde legers die de Franse grenzen bedreigden. Zijn aandeel in de strijd werd op 13 maart 1793 beloond met de rang van eerste luitenant en op 11 augustus van dat jaar met die van kapitein. Een week later werden in het gevecht bij Linselles, terwijl hij zijn manschappen voorging in de strijd, twee van zijn ribben verbrijzeld door een geweerkogel.

Vanaf 31 januari 1794 diende kapitein Van Merlen in het nieuw gevormde 5de Regiment Jagers-Tirailleurs. Enkele dagen later volgde zijn aanstelling als adjudant van zijn landgenoot brigade-generaal Jean-Baptiste Dumonceau. Als onderdeel van een Frans offensief dat de geallieerden in het voorjaar weer naar het noorden terugdrong, had Van Merlen vervolgens deel aan de overwinning op een Oostenrijks-Britse strijdmacht in de slag bij Tourcoing (18 mei 1794). Aan het eind van dat jaar trok zijn eenheid via ’s-Hertogenbosch, Nijmegen, Breda en Geertruidenberg het gewest Holland binnen. Toen het door de Franse inval aan de macht gebrachte Bataafse bewind in de zomer van 1795 begon met de vorming van een nieuwe strijdmacht, besloot Van Merlen – in navolging van Dumonceau en andere Belgische officieren – zijn carrière vanaf 10 juli 1795 in het Bataafse leger voort te zetten. Daarbij stapte hij over van de infanterie naar de cavalerie. Bovendien moest hij bij de overgang een rang lager, als eerste luitenant, beginnen.

Van Merlen werd geplaatst bij het Regiment Huzaren. Hiermee lag hij van begin juli tot begin september 1797 met andere Bataafse eenheden ingescheept op de rede van Texel, gereed om uit te zeilen zodra bondgenoot Frankrijk een voorgenomen landing op de Ierse kust wilde wagen. Uiteindelijk werd deze onderneming afgeblazen. In 1799 bevond hij zich – sinds 4 april van het voorafgaande jaar in de rang van ritmeester – met zijn huzaren in garnizoen in Groningen, als onderdeel van de Tweede Bataafse Divisie onder bevel van Dumonceau. Hoogstwaarschijnlijk ontmoette Van Merlen hier Reijna Star Lichtenvoort, de dochter van de syndicus (: juridisch adviseur) van het Groninger stadsbestuur, met wie hij eind juni van dat jaar in Sappemeer in het huwelijk trad. Tien maanden later werd hun enige kind, Bernard, geboren.

Veel tijd om van zijn nieuwverworven huwelijksgeluk te genieten had Van Merlen niet. De inval van een Brits-Russische troepenmacht in Noord-Holland eind augustus 1799 bracht Dumonceau ertoe zich met zijn divisie zo snel mogelijk daarheen te begeven. Tijdens de felle strijd die volgde, kwamen Van Merlens huzaren onder meer in actie in de veldslagen bij Bergen (19 september), waar hij door een val van zijn paard bewusteloos raakte, bij Alkmaar (2 oktober) en bij Castricum (6 oktober). In de winter van 1800-1801 maakte Van Merlens eenheid met twee eskadrons deel uit van Dumonceau’s divisie, die de Franse bondgenoot moest bijstaan tijdens de veldtocht aan de Main tegen Oostenrijk. Hij deed hier onder meer van zich spreken in het gevecht bij Oberschwach (2 december 1800) en bij het beleg van Würzburg (eind 1800).

Vijf jaar later lagen Van Merlen en zijn huzaren opnieuw een maand lang ingescheept voor Texel om deel te nemen aan de beoogde landing van Frankrijk en zijn bondgenoten in Groot-Brittannië. Toen keizer Napoleon in september 1805 besloot van de invasie af te zien en de daartoe bijeengebrachte troepenmacht te gebruiken voor de strijd tegen de oprukkende Oostenrijkse en Russische legers, vertrok Van Merlen met Dumonceau’s divisie in ijltempo naar midden-Europa. Hier maakte hij deel uit van de Bataafse troepen die met succes de terugtocht van een vijandelijke eenheid verhinderden, nadat Napoleon op 20 oktober een volledig Oostenrijks leger in Ulm had ingesloten en tot overgave had gedwongen.

Tijdens het Koninkrijk Holland, dat in juni 1806 de Bataafse Republiek had vervangen, kwam Van Merlens carrière in een stroomversnelling. Aanvankelijk stond de inmiddels 34-jarige ritmeester in de gunst bij koning Lodewijk. Op 23 oktober 1806 werd hij als luitenant-kolonel – indertijd een lagere rang dan majoor – benoemd bij de huzaren van de Koninklijke Garde. In deze hoedanigheid begaf hij zich drie dagen later met het Hollandse leger naar Duitsland ter ondersteuning van de Franse strijdmacht in de oorlog tegen Pruisen. Op 7 november nam Van Merlen met zijn huzaren deel aan het gevecht bij Ertzen, waarbij een Pruisische voorhoede werd teruggedreven tot in de vesting Hameln. Daarmee hield voor hem zijn bijdrage aan de Duitse veldtocht op. Een geschil over de bevelvoering met keizer Napoleon deed koning Lodewijk namelijk zes dagen later besluiten met zijn Garde onverwijld naar Den Haag terug te keren.

Na op 6 april 1807 te zijn bevorderd tot majoor ontving Van Merlen een jaar later, op 5 maart 1808, de rang van kolonel. Hem werd toen het commando toevertrouwd over het nieuwgevormde Regiment Gardes te Paard, bestaande uit huzaren en kurassiers. Dit was het voorlopige hoogtepunt in zijn carrière, want – mogelijk als gevolg van een te vrijpostige opmerking – moest hij op 20 maart 1809 de omgeving van koning Lodewijk verlaten. Hij werd als kolonel overgeplaatst naar het 3de Regiment Huzaren, een eenheid die deel uitmaakte van de Hollandse Brigade van generaal-majoor David Hendrik Chassé. Deze voerde onder Frans opperbevel op het Iberisch schiereiland een vuile oorlog tegen de Spaanse troepen en guerrillero’s en hun Britse bondgenoot. Van Merlen zou zich hier door zijn dapperheid onderscheiden in de veldslagen bij Talavera de la Reina, (27-28 juli), El Puente del Arzobispo (6 augustus), Almonocid (11 augustus) en Ocaña (19 november). Hoewel zijn regiment door oorlog en ontbering langzaam maar zeker tot de sterkte van nauwelijks een eskadron was geslonken, stond koning Lodewijk erop dat hij hierover als kolonel het bevel bleef voeren.

In Van Merlens positie kwam pas verandering nadat het Koninkrijk Holland begin juli 1810 was ingelijfd bij het Franse Keizerrijk. Opmerkzaam gemaakt op ‘deze zeer goed aangeschreven officier, die het verdient aan de vergetelheid te worden onttrokken’ (in het Frans geciteerd in: Biographisch album) werd Van Merlen door Napoleon op 11 november 1810 als kolonel à la suite (: boven de sterkte) toegevoegd aan het 2de Regiment Lansiers van de Keizerlijke Garde. Dit regiment – vanwege de uniformkleur doorgaans aangeduid als de ‘Rode Lansiers’ – was twee maanden eerder gevormd uit een groot deel van de voormalige gardecavalerie van het Koninkrijk Holland.

Voorlopig bleef Van Merlen echter met zijn eenheid in Spanje, waar hij onder meer deelnam aan de inname van Olivença op 22 januari 1811. Pas op 11 maart 1812 werd uit het restant van zijn huzarenkorps het vijfde eskadron van de Rode Lansiers gevormd, met Van Merlen als kolonel. Een maand later werd hij benoemd tot commandant van het regimentsdepot (: aanvullingsarsenaal) in Versailles. Zodoende nam hij niet deel aan Napoleons Russische veldtocht, maar kon hij – naar verluidt althans – in de nacht van 22 op 23 oktober wel met de hier aanwezige troepen tussenbeide komen om de staatsgreep van generaal Claude François de Malet in Parijs te doen mislukken. Op 12 januari 1813, ruim drie weken na zijn overhaaste terugkeer uit Rusland, bevorderde Napoleon zijn trouwe gardekolonel tot brigade-generaal.

Vanaf maart 1813 nam Van Merlen deel aan de veldtocht in Saksen tegen de naar het westen optrekkende Russische en Pruisische, en later ook Oostenrijkse legers. Hij voerde hier het bevel over een brigade jagers te paard en ging, onder het oog van de Franse Keizer, zijn troepen wederom in menige charge onverschrokken voor. Van Merlen vocht onder meer in de grote veldslagen bij Lützen (2 mei), Bautzen (20-21 mei) en Dresden (26-27 augustus). In de ‘Volkerenslag’ bij Leipzig (16-19 oktober) werden twee paarden onder hem gedood. Toen Napoleons troepen na deze verpletterende nederlaag naar de Rijn werden teruggedrongen, probeerde een Oostenrijks-Beierse strijdmacht hen bij Hanau de weg te versperren. Door zich tijdens de daar geleverde veldslag (30-31 oktober) aan het hoofd van zijn brigade op de vijandelijke posities te storten droeg Van Merlen er mede toe bij dat de terugtocht naar Frankrijk werd veiliggesteld.

Tijdens de daaropvolgende veldtocht in noordoost-Frankrijk had Van Merlen opnieuw een belangrijk aandeel in de overwinning op een Pruisisch-Russische troepenmacht bij Brienne op 29 januari 1814. Twee dagen later raakte hij in een cavalerieschermutseling door drie lansstoten gewond aan zijn rechterarm en -hand en werd hij, ondanks fel verzet, krijgsgevangen gemaakt. Toen Van Merlen begin juni werd vrijgelaten, vernam hij dat Napoleon hem op 5 april 1814 – één dag voor zijn abdicatie – tot baron van het Keizerrijk had verheven. De generaal verzocht vervolgens de nieuwe Bourbon-regering ontslag uit Franse dienst, dat hem op 26 juni eervol werd verleend.

Van Merlen, inmiddels voldoende hersteld van zijn verwondingen, begaf zich naar Brussel, en bood zijn diensten aan aan de uit ballingschap teruggekeerde Oranjevorst, die inmiddels het voorlopige bestuur over de Zuidelijke Nederlanden op zich had genomen. Op 1 september 1814 werd hij door Willem I benoemd tot generaal-majoor in het leger van het Verenigd Koninkrijk, en kreeg hij het commando over het 4de Militair Arrondissement in België, met als standplaats Hasselt. Toen deze afdeling begin december 1814 werd opgeheven, vertrouwde men hem het bevel toe over het 1ste Regiment Cavalerie dat gelegerd was in Leuven.

De terugkeer van Napoleon van Elba naar Parijs, een half jaar later, deed Van Merlen niet opnieuw de zijde van de Franse keizer kiezen. Bij de vorming van een strijdmacht voor de aanstaande veldtocht, op 25 maart 1815, kreeg hij het bevel over de 2de Nederlandse Brigade Lichte Cavalerie (huzaren en lichte dragonders). Met zijn troepen maakte hij deel uit van het Brits-Nederlands-Duitse leger, dat onder leiding van de Hertog van Wellington moest proberen de opmars van Napoleons troepen naar het noorden te stuiten.

De eerste confrontatie van Van Merlens brigade met de Fransen vond plaats ten zuiden van Brussel. Op 16 juni 1815 leverde zij een felle strijd bij de verdediging van het strategisch belangrijke kruispunt van Quatre-Bras, waarbij zijn ruiters zware verliezen leden. Twee dagen later bevond hij zich met zijn troepen op het slagveld van Waterloo, waar hij door Wellington in vierde linie was opgesteld. Van Merlen had voor zichzelf geen vertrouwen in een goede afloop. Toen de slag begon met een hevig Frans artilleriebombardement, zou hij volgens de overlevering tegen een mede-generaal hebben gezegd: ‘Ja, we zullen een roerige dag beleven … En voor mij zal het de laatste zijn’. Toen zijn verbaasde collega dit weersprak en hem wees op de vele dagen die voor hem nog in het verschiet lagen, antwoordde Van Merlen met een droeve glimlach: ‘Nee, nooit zal ik er nog een meemaken’ (in het Frans geciteerd in: Duchesne, 26).

Hoewel opgesteld in reserve moest Van Merlens brigade weldra haar bijdrage leveren om de onophoudelijk stormloop van de Franse ruiterij op Wellingtons stellingen af te slaan. Tijdens een van deze vijandelijke aanvallen kwam hij met zijn cavaleristen tegenover zijn oude regiment, de Rode Lansiers, te staan. Een van de commandanten, in wie hij een voormalige wapenbroeder herkende, zou hij toen – slechts saluerend in plaats van het gevecht met hem aan te gaan – hebben toegeroepen: ‘Generaal, dit is mijn kant van het slagveld en dat is de uwe. Pas goed op uzelf, vaarwel!’ (in het Frans geciteerd in: Duchesne, 31).

Na de zoveelste charge tegen Napoleons cavalerie leidde Van Merlen zijn zwaar gehavende brigade aan het eind van de middag terug achter de eigen linies. Hij was nog niet afgestegen of hij werd getroffen door een kanonskogel, die zijn buik volledig openreet. Volgens één van de overgeleverde verhalen zouden zijn adjudanten hem onmiddellijk hebben overgebracht naar een schuurtje achter het front, waar legerartsen vaststelden dat zij niets meer voor hem konden doen. De helse pijn stoïcijns verdragend overleed hij twee uur later.

Als militair pur sang voelde Jean-Baptiste Van Merlen zich in het tijdvak van de Franse Revolutie en het Napoleontische Keizerrijk, toen Europa in een vrijwel permanente staat van oorlog verkeerde, helemaal in zijn element. Voor wie of tegen wie hij vocht, was daarbij voor hem van ondergeschikt belang. Als echte huzaar ging Van Merlen zijn ruiters steeds weer met veel elan en veel bravoure voor in de strijd; het maakte hem tot een cavaleriecommandant par excellence. De vele en vaak zware verwondingen die hij in de loop der jaren op het slagveld opliep, vormden evenwel de keerzijde van zijn onverschrokken gedrag. Dat hij toch nog 43 jaar oud werd alvorens hij bij Waterloo het leven liet, mag in dit verband opmerkelijk heten.

Archivalia:
Familiearchief Van Merlen in privé-bezit.

Prestaties:
De (niet in ieder opzicht betrouwbare) dienststaat van J.B. Van Merlen in: F. de Bas en J. De T'Serclaes de Wommersom, La campagne de 1815 aux Pays-Bas d'après les rapports officiels néerlandais III (Brussel 1908) 33-34. Een gedetailleerd overzicht van Van Merlens carrière tussen 1806 en 1814 in: O. Schutte, De Orde van de Unie (Zutphen 1985) 121.

Literatuur:
  • Lemma in: H. Vigneron, La Belgique militaire. Biographies… II (Brussel 1856) 45-54.
  • Biographisch album. Verzameling van portretten met levensberigten van verdienstelijke mannen uit de geschiedenis van het Nederlandsche zee en krijgswezen en van de kolonien. Uitgeg. onder toezicht van J.W. van Sijpesteijn [e.a.] (Rotterdam [1860]).
  • Lemma in: A.J. van der Aa [e.a.], Biographisch Woordenboek der Nederlanden… (Haarlem 1869) XII-1, 653-658.
  • Herman Vander Linden, lemma in: Biographie nationale de Belgique XIV (Brussel 1897) 522-527.
  • Lemma in: Georges Six, Dictionnaire biographique des généraux et amiraux français de la Révolution et de l'Empire (1792-1814) (Parijs 1934) II, 531.
  • Albert Duchesne, Un général belge de Napoléon: Jean-Baptiste Van Merlen (Brussel [1947]).
  • François Dumonceau, Mémoires du général comte François Dumonceau. Uitgeg. door Jean Puraye (3 dln.; Brussel 1958-1963) I, 243-245; III, 87, 90-91.
  • J. Van der Belen, ‘Les Van Merlen, une famille à cheval sur trois pays (Pays-Bas, Belgique, France)’, L'Intermédiaire des Généalogistes (1974) 281-296.
  • ‘Jean-Baptiste Van Merlen’, in: Le Folklore brabançon. Organe du Service de Recherches historiques et folkloriques de la province de Brabant nr. 258-259 (juni 1988) 306-317.
  • J.A. de Moor en H.Ph. Vogel, Duizend miljoen maal vervloekt land. De Hollandse brigade in Spanje 1808-1813 (Amsterdam 1991).
  • Ronald Pawly, The Red Lancers. Anatomy of a Napoleonic regiment (Marlborough 1998).
  • André Dellevoet, The Dutch-Belgian cavalry at Waterloo. A military history (Den Haag 2008).


Portret:
Jean-Baptiste Van Merlen als generaal-majoor in het Nederlandse leger; litho (1815) door Elias Spanier naar een tekening door Johan Hendrik Hoffmeister; Collectie Iconografisch Bureau (afgebeeld in: Nederland’s Adelsboek 88 (1999) 274). Volgens Van der Aa (Biographisch Woordenboek der Nederlanden XII-1, 658) is dit ‘een weinig gelijkend portret’.

A.J.C.M. Gabriëls

laatst gewijzigd: 12/11/2013