Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

OS, Pieter Gerardus van, schilder (’s-Gravenhage 8-10-1776 – ’s-Gravenhage 28-3-1839). Zoon van Jan van Os, schilder en dichter, en Suzanna de la Croix, schilderes. Gehuwd op 7-2-1800 met Elisabeth Cornelia Loncq (1780-1836). Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 2 dochters geboren.

Pieter van Os groeide samen met twee broers en een zuster op als het oudste kind van een schildersechtpaar. Zijn eerste lessen kreeg hij van zijn vader, die internationale faam genoot vanwege zijn bloemen- en vruchtenstillevens. Al vroeg bleek zijn belangstelling voor zeventiende-eeuwse kunstenaars. Zo kopieerde hij op veertienjarige leeftijd de Jonge Stier van Paulus Potter. Tussen 1794 en 1795 vervolgde Pieter zijn opleiding aan de Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Toen zijn leertijd erop zat, verhuisde hij in 1795 naar de Amsterdamse Kerkstraat, waar hij portretminiaturen vervaardigde en lesgaf, waarschijnlijk om in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Daarnaast bleef hij in de stijl van de oude meesters als Potter veestukken schilderen, dat wil zeggen landschappen met beeldvullende runderen en schapen.

Langzaam maar zeker bouwde Van Os een goede reputatie op, zodat hij vanaf ongeveer 1800 niet langer financieel afhankelijk was van de vervaardiging van miniaturen. Zijn succes kwam ook tot uiting in het lidmaatschap van verschillende verenigingen zoals het Teekengenootschap ’Zonder Wet of Spreuk’ en het departement der tekenkunde van het Kunstbevorderend Genootschap onder de zinspreuk V.W., beide te Amsterdam. In 1800 trouwde hij met de Rotterdamse Elisabeth Loncq. Uit dit huwelijk zouden tussen 1801 en 1808 vijf kinderen worden geboren.

Behalve voor het Hollandse landschap toonde Van Os steeds een levendige belangstelling voor het weergeven van historische gebeurtenissen. In 1799, tijdens de Brits-Russische inval in Noord-Holland, had hij bijvoorbeeld al de Bataille bij Bergen den 19 september 1799 vastgelegd in een ets. Later verbeeldde hij ook de buskruitramp in Leiden, waar begin 1807 de ontploffing van een kruitschip een groot deel van het stadscentrum in puin legde. De meeste tekeningen lijken ter plaatse gemaakt, met uitzondering van een blad dat het moment van de ontploffing toont. Van Os laat een alles verzengende vuurzee zien, links en rechts vallen huizen om, en het water in de gracht is veranderd in een woest kolkende watermassa. De nietige, wegrennende figuren hebben geen schijn van kans te overleven. Deze werken verschillen aanzienlijk in opvatting met zijn veestukken, die een veel traditioneler karakter hebben.

Van Os’ definitieve doorbraak kwam tijdens het Koninkrijk Holland, toen hij in 1808 op de zogeheten Tentoonstelling van Leevende Meesters de eerste prijs won met een Groep vee in een heuvelachtig landschap. In de regel werden bekroonde werken door de koning Lodewijk aangekocht, dit schilderij had Van Os echter al twee jaar eerder van de hand gedaan. De Amsterdamse wijnkoper Charles Menard Simon Thomas, die het stuk had aangeschaft, weigerde het af te staan. Door diplomatiek optreden van de schilder werd uiteindelijk een vroeger werk met een vergelijkbare voorstelling – Landschap met vee (1806) – door de Koning gekocht.

Tussen 1809 en 1810 verruilde Van Os met zijn vrouw en kinderen Amsterdam voor Nederhorst den Berg. Ongeveer een jaar later vestigde hij zich met zijn gezin in het nabij gelegen dorp ’s-Graveland. De reden van deze verhuizing naar het Gooi was waarschijnlijk dat hij zich steeds meer op het landschap was gaan toeleggen, waarbij de koeien, schapen en ezels onderdeel werden van de stoffage en niet langer het hoofdonderwerp van zijn schilderijen uitmaakten. Evenals vele andere tijdgenoten tekende Van Os buiten naar de natuur. Deze landschapstudies gebruikte hij vervolgens in zijn atelier bij het componeren van zijn uiteindelijke schilderijen.

Volgens een anonieme bron uit 1840 werkte Van Os heel regelmatig: ’s ochtends en een groot deel van de middag bracht hij door met schilderen in zijn atelier, waarna hij naar buiten trok om de natuur te bestuderen. Van Os beperkte zich echter niet tot de wereld die hij om zich heen zag: de avonduren besteedde hij aan het op papier vastleggen van zijn gedachtespinsels en zijn geestelijke composities. Dit was in de eerste helft van de negentiende eeuw een gebruikelijke manier van schilderen. Enkel naar de natuur werken was niet voldoende, in het uiteindelijke kunstwerk moest het gevoel en het innerlijke beeld van de kunstenaar tot uiting worden gebracht.

Toen er in de laatste maanden van 1813 een einde kwam aan Napoleons heerschappij in Europa en de Fransen zich uit de Noordelijke Nederlanden begonnen terug te trekken, wilde ook Van Os een bijdrage leveren aan de bevrijding van zijn vaderland. Als kapitein van de Loosdrechtse Landstorm (: bewapende burgervrijwilligers) nam hij in november 1813 deel aan het beleg van Naarden, waar het Franse garnizoen weigerde het vestingstadje over te geven en fel weerstand bood. Pas in mei 1814 toonden de Fransen de witte vlag. Van Os had zich verdienstelijk gemaakt zo blijkt uit een dankbrief van de commandant ter plaatse, kolonel Johannes van den Bosch.

Tijdens de maanden die hij voor de vestingmuren van Naarden doorbracht, hield Van Os een verslag bij van de belegeringsactiviteiten. Daarnaast kon hij ook de kunstenaar in zich niet onderdrukken en gaf hij de historische gebeurtenissen die zich hier voltrokken in verschillende tekeningen weer. Later werkte hij er een aantal uit tot schilderijen. Van Os zorgde op die manier ook voor een beeldverslag, waarbij vooral de alledaagse voorvallen werden weergegeven, zoals de in grijs gewassen pentekening het Doorijzen van de Karnemelksloot tussen het huis van de Wed. ten Dam en de Uitermeerse Schans bij Naarden in 1814. Opvallend is de afwezigheid van heroïek en nationalisme, terwijl die volgens de vroeg negentiende-eeuwse schilderstheorie bij dergelijke voorstellingen toch min of meer vereist waren.

In ’s-Graveland vervaardigde Van Os de werken die nog steeds als zijn meesterwerken worden beschouwd, namelijk Vergezicht over de weiden bij ’s-Graveland (1817) en zijn pendant De vaart bij ’s-Graveland (1818). De twee doeken werden waarschijnlijk geschilderd vanuit het zolderraam van het buitenhuis dat toebehoorde aan de opdrachtgever, de Amsterdamse koopman Herman Waller. Beide werken zijn vervaardigd in de lijn van zijn beeldverslag van het beleg van Naarden: onopgesmukt en realistisch.

In 1818 zond Van Os het Vergezicht over de weiden bij ’s-Graveland en De vaart bij ’s-Graveland, samen met een paar meer traditionele veestukken, in naar de Tentoonstelling van Levende Meesters in Amsterdam. De veestukken werden echter door de critici veel positiever beoordeeld dan de ’s-Gravelandse landschappen. Volgens de gezaghebbende kunstcriticus Jeronimo de Vries waren de pendanten geen kunst: 'alle gevallen in de natuur zijn immers niet schilderachtig; daarom vond ik voor mij geen bijzonder behagen in de beide landschappen van de hoogte te zien’ (geciteerd in: Van Tilborgh en Jansen, 240). De Vries vond ze technisch knap geschilderd, maar beslist niet mooi. Omstreeks 1820 ontwikkelde Van Os ook een variant van het veelandschap en begon hij bosgezichten met herten te schilderen.

In 1819 trok Van Os naar Hilversum, waar zich toentertijd vele schilders vestigden, onder wie Barend Cornelis Koekkoek. Door hun aanwezigheid als ook door de schilderachtige omgeving werden andere kunstenaars aangetrokken, en zo ontstond hier de eerste Nederlandse schilderskolonie.

Van Os had een talent zich zo voordelig mogelijk te presenteren. Op zowel koning Lodewijk Napoleon als koning Willem I maakte hij indruk, en bij de laatstgenoemde was hij geregeld te gast. Op 27 juni 1820 benoemde de vorst hem tot lid van het Koninklijk Nederlandsch Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten, en wel van de Vierde Klasse, waarin de beeldend kunstenaars en musici waren verenigd. In 1825 wist Van Os de Russische tsaar Alexander I voor zich te winnen door hem een schilderij te schenken voorstellende de Aankomst der eerste kozakken bij de Wittevrouwenpoort te Utrecht op 28 november 1813 (1816).

In 1829 keerde Van Os vanuit Hilversum terug naar zijn geboortestad Den Haag, waar hij vanaf 1830 inwoonde bij een dochter. Deze was gehuwd met de schilder Jacob Abels, die zijn landschappen zo nu en dan door zijn schoonvader met vee liet stofferen. Het late oeuvre van Van Os was, in vergelijking met zijn eerder werk, statisch en weinig innovatief; hij greep daarbij geregeld terug naar oude thema’s. De schilder overleed in 1839 op 62-jarige leeftijd in Den Haag.

‘Van Os was een man van beschaafden en aangenamen omgang en ook om zijn zedelijke waarde zeer bemind’, zo vermeldt zijn necrologie (Reynaerts, 26). De weinige brieven die van hem zijn bewaard, geven inderdaad deze indruk. Van Os trad steeds diplomatiek op en begaf zich in de juiste kringen; hij was een gentleman-kunstenaar, belezen en geïnteresseerd in de wereld om hem heen. Tegelijkertijd aarzelde hij niet om, toen dat nodig werd geacht, een actieve militaire rol te spelen, waarbij hij zich onderscheidde door zijn dapperheid.

Pieter van Os was in zijn tijd een populaire schilder, wiens werk in het algemeen met veel enthousiasme werd ontvangen, waardoor hij ook in financieel opzicht als een geslaagd kunstenaar kan worden beschouwd. De reden hiervan was waarschijnlijk dat hij geheel in de stijl van zijn tijd werkte, een stijl die sterk werd beïnvloed door de zeventiende-eeuwse kunst. Gedurende zijn gehele carrière nam Van Os een voorbeeld aan schilders als Potter en Nicolaas Berchem. Tegelijkertijd ontwikkelde hij naast deze veestukken ook een landschapsgenre dat weliswaar was gestoffeerd met runderen en schapen, maar waarin de nadruk toch veel meer op het landschap zelf ligt. Langzaam ging de uitvoering meer in de richting van zijn vroegere schetsmatige beeldverslagen, maar – met uitzondering van een enkel stuk – de inspiratie van oude meesters als Jacob van Ruisdael heeft Van Os nooit geheel losgelaten.

Archivalia:

  • Brieven van Pieter Gerardus van Os in de brievencollectie van het Rijksprentenkabinet (RPK) in het Rijksmuseum te Amsterdam
  • Brievencollectie van Johan Meerman in Museum Meermanno / Huis van het Boek te ’s-Gravenhage.
  • P.G. van Os, ‘Schetzen, betrekking hebbende tot het bloccus, naderhand beleg rechter vleugel van Naarden’, medegedeeld door H.C. Hazewinkel. Overdruk uit de Naarder Courant, behorende tot de Gecombineerde Gooise Bladen, Hilversum z.j. (ca. 1935). Het manuscript berust in familiebezit.

Literatuur:

  • Catalogus van eene verzameling fraaije schilderijen, waarbij een aantal portretten van voorname personen, alsmede de geschilderde en geteekende schetsen en studien, vervaardigd en nagelaten bij wijlen de beroemde en onlangs te ’s Gravenhage overledene kunstschilders, de heeren Pieter Gerardus van Os ... en Wijnandus Jacobus Johannes Nuyen, ... verders gekleurde en ongekleurde teekeningen, gegraveerde, geëtste en andere prenten, fraaije prentwerken en boeken ... fraaije boek- en kunstkassen, enz., nagelaten ... door bovengenoemde heeren, ... al hetwelk, ... verkocht zal worden op Maandag den 28sten October 1839 ... te Amsterdam, ... in ‘het Huis met de Hoofden’... [Amsterdam 1839].
  • ‘Levensschets van nu wijlen den kunstschilder P.G. van Os’, De Beeldende Kunsten 1 (1840) 241-248.
  • H. van Guldener, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek X (Leiden 1937) 695.
  • J. Knoef, Tusschen Rococo en Romantiek. Een bundel kunsthistorische opstellen (’s-Gravenhage 1943) 255-274.
  • H.C. de Bruijn, ‘De kunstschilder P.G. van Os (1776-1839) en het beleg van Naarden in de winter 1813-1814’, Antiek 11 (1976) 1 (juni/juli) 17-38.
  • Op zoek naar de Gouden eeuw, Nederlandse schilderkunst, 1800-1850. Onder red. van Louis van Tilborgh en Guido Jansen (Zwolle [etc.] 1986) 139-147.
  • Meesterlijk vee. Nederlandse veeschilders1600-1900. Onder red. van C. Boschma [e.a.] (Zwolle 1988).
  • De verbeelding van het landschap in de 18de en 19de eeuw. Onder red. van Wiepke Loos [e.a.] (Blaricum 1997).
  • Jenny Reynaerts, m.m.v. van Michel van de Laar en Herman van Putten, De koning, de schilder en de leeuw (Amsterdam 2006).

Portret:
Gravure (1816) door Jacob Ernst Marcus naar een werk van Hendrik Willem Caspari (detail); Collectie Rijksmuseum te Amsterdam (gepubliceerd in: J. Knoef, Tusschen Rococo en Romantiek (’s-Gravenhage 1943) 272).

Mayken Jonkman

laatst gewijzigd: 12/11/2013