Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

TROOSTWIJK, Wouter Johannes van, schilder, tekenaar en graficus (Amsterdam 28-5-1782 – Amsterdam 20-9-1810). Zoon van Adriaan van Troostwijk (sinds 1770 bekend onder de naam Paets van Troostwijk), lakenhandelaar, en Catharina Maria Doude. Hij was ongehuwd.

Wouter van Troostwijk werd geboren uit het tweede huwelijk van zijn vader. Samen met een halfbroer en een halfzuster en twee broers groeide hij op in Amsterdam in een aanzienlijk en intellectueel milieu. Zijn vader, die als medefirmant werkzaam was in de lakenhandel van zijn schoonvader, droeg de dagelijkse leiding van dit bedrijf in 1782 over aan een waarnemer om zich volledig te kunnen wijden aan zijn eigenlijke interesse: de scheikunde. Hij had toen al verscheidene wetenschappelijke publicaties op zijn naam staan, en in 1790 was hij medeoprichter van het Gezelschap der Hollandsche Scheikundigen. De chemische proefnemingen vonden plaats in zijn huis aan de Nieuwendijk, tot groot plezier van de kleine Wouter die zijn vaders geleerde vrienden met vragen bestookte. Ook de wis-, sterren- en zeevaartkundige Pieter Nieuwland behoorde tot dit Gezelschap, en in hem vond de jongen een geduldig onderwijzer. Nieuwland bracht hem de eerste beginselen van het perspectief bij; van zijn vader kreeg hij les in de natuurkunde.

Dit soort persoonlijke gegevens over Van Troostwijks leven zijn opgetekend door een vriend van de familie, de kunstkenner en letterkundige Jeronimo de Vries. Volgens hem gaf Wouter al vroeg blijk van een artistieke aanleg. Zijn schoolschriften stonden vol tekeningen, en op zijn tiende maakte hij al stadsgezichtjes van Weesp en Abcoude die ‘volmaakt geleken’ (De Vries, 239). Op zijn veertiende tekende hij voor zijn grootmoeder uit het blote hoofd de buitenplaats ‘Vreugdenhof’ aan de Amstel, die zijn vader toen pas had gekocht. Van dit jeugdwerk is nog een enkel voorbeeld bewaard gebleven, evenals van de tekeningen die hij maakte naar werken van andere kunstenaars. Dit natekenen en navolgen was de gebruikelijke manier om het vak te leren. Dat Wouter snel in staat was tot een zelfstandige manier van werken, tonen zijn vroegst gedateerde werken: enkele dierstudies uit 1802, met simpele basisvormen en heldere contouren op papier gezet.

Zijn eerste tekenlessen kreeg Van Troostwijk aan huis van de tekenaar Anthony Andriessen, terwijl hij van diens broer Jurriaan Andriessen, een bekend behangselschilder en populair docent, het schilderen leerde. Op 5 oktober 1803 liet hij zich inschrijven aan de Amsterdamse Stadsteekenacademie, waar hij zich bekwaamde in het modeltekenen. Van Troostwijk maakte snel vordering: in 1804 behaalde hij de derde prijs, in 1805 de tweede, en in 1806 de eerste prijs voor zijn modeltekening. Het jaar daarop won hij tot tweemaal toe een medaille bij de tekenacademie van ‘Felix Meritis’, het Amsterdamse genootschap ter bevordering van kunst en wetenschap, waar hij zich in 1805 had aangemeld.

Hoe professioneel zijn opleiding ook was, Van Troostwijk schilderde niet voor de kost. Om in eigen onderhoud te voorzien was hij eerst enige tijd werkzaam op het koopmanskantoor van zijn vader. Met het oog op een mogelijk huwelijk verkreeg hij vervolgens in 1805 de functie van ‘conciërge’ op het stadhuis. Deze betrekking, die gewichtiger was dan de term heden ten dage doet vermoeden, hield in dat hij de ‘opperdirectie’ voerde over het stadhuis en tegelijkertijd ‘vendumeester’ was van de gerechtelijk in beslag genomen goederen bij de desolate boedelkamer. De functie leverde Van Troostwijk vijfduizend gulden per jaar op en vrije inwoning in het stadhuis. Om die reden verhuisde de twintigjarige kunstenaar van zijn ouderlijk huis naar de conciërgewoning in de zuid-westvleugel op de begane grond van het stadhuis op de Dam. Toen koning Lodewijk het gebouw in 1808 bestemde als Koninklijk Paleis, verhuisde Van Troostwijk met het stadsbestuur mee naar het nieuwe onderkomen in het voormalige Prinsenhof aan de Oudezijds Voorburgwal. Op welke van de twee locaties hij het ongedateerde portret vervaardigde van zichzelf in zijn atelier is niet bekend. Dit opmerkelijk vlot geschilderde werk staat vermeld op een door de familie opgemaakte lijst van zijn nagelaten schilderijen als: Portret van hemzelven in de Conciergerie van het Amsterdamse stadhuis – ongeteekend. Duidelijk is in elk geval dat hij zijn atelier had in het stadhuis. Een tweede, eveneens ongedateerd zelfportret, in dezelfde ruimte gesitueerd, is alleen van een foto bekend.

De functie van conciërge was voor Van Troostwijk geen onverdeeld genoegen. Hij had hierdoor immers minder tijd beschikbaar voor de kunst. Volgens De Vries zag Van Troostwijks dagschema er als volgt uit: ’s morgens om zes uur stond hij op en las hij bij het ontbijt iets over de beeldende kunsten; vervolgens ging hij naar zijn atelier om te tekenen of te schilderen. Vaak zei hij: ‘Hier is mijn Hemel’. Vervolgens verrichtte hij ‘met nauwkeurigheid en vaardigheid’ het werk dat aan zijn ambt verbonden was. Maar nauwelijks was dit gedaan, of hij zat alweer in zijn atelier. In de middag ging hij wandelen, altijd met tekenboek en -pen in de aanslag, op zoek naar een bijzonder motief dat hij dan ‘vlug en geestig’ schetste. Op marktdagen ging hij steevast naar de Amsterdamse ossenmarkt, om het rundvee ‘met het uiterste geduld en de meeste nauwkeurigheid’ te observeren, wetend dat ‘de Natuur zelve de beste meesteresse is’ (De Vries, 241). Om deze reden kreeg Van Troostwijk het vee op zijn vaders buitenplaats onder zijn hoede; daar kon hij de beesten naar believen tekenen.

’s Zomers ging Van Troostwijk een of twee keer naar Gooiland, ook wel naar Gelderland of Drenthe, om er het landschap te schetsen. Ook schilderde hij in de open lucht, wat voor die tijd verrassend modern was. Van zijn dierstudies zijn vele voorbeelden bewaard gebleven, van zijn landschapstudies opmerkelijk genoeg vrijwel geen. Wel overgeleverd zijn het Gezicht van de Oetewalerweg naar Zeeburg, een waterverf-tekening uit 1805, en de Boerderij bij Wolfheze, een vlotte olieverfschets op papier. Dit onopgesmukte landschapje is het enige overgebleven exemplaar van de zes olieverfschetsen die op de lijst van nagelaten schilderijen staan vermeld. Het is een zeldzaam voorbeeld van een vroeg-negentiende-eeuws, in de openlucht geschilderd landschap.

Ondanks de aan zijn functie verbonden werkzaamheden hield Van Troostwijk dus redelijk wat tijd over voor de kunst. Hij bleef oefenen, behalve in de Stadsteekenacademie en bij ‘Felix Meritis’, vanaf 1807 ook bij het particuliere tekengenootschap ‘Zonder Wet of Spreuk'. Dit gezelschap bestond uit ongeveer tien liefhebbers en kunstenaars, allemaal uit Amsterdam, dat bij elkaar kwam om gezamenlijk te tekenen naar gekleed model. Soms gebeurde dat ook bij Van Troostwijk aan huis. Als modellen kozen zij gewone mensen, meestal boeren, melkmeisjes, herders en straatverkopers, volkstypen die ook vaak op oude Hollandse schilderijen voorkomen. Behalve aan de modellen zijn de tekeningen van de leden van ‘Zonder Wet of Spreuk’ ook herkenbaar aan de verstilde poses die de figuren een klassiek soort waardigheid verlenen. Zij lijken vaak in gedachten verzonken, en altijd wordt vermeden hen op een of andere manier amusant te maken, zoals andere kunstenaars in die tijd graag deden. Bijzonder voor Van Troostwijk is dat hij deze stijl ook toepaste in een aantal olieverfschetsen op papier. Prachtig is het kleine schilderijtje van een boerenmeisje, op de rug gezien, ondertekend door de schilder met ‘Martha Dec. 1808’.

Omstreeks 1807-1808 begon Van Troostwijk met etsen, eigenlijk door een toevallige omstandigheid, omdat hij een tijdlang thuis moest zitten vanwege een brandwond aan zijn voet. Zijn leermeester was de graveur Anthonie van den Bosch. De kunstenaar schafte zelf een etspers aan. Zijn vroegst gedateerde etsen zijn van 1808, onder andere een Landschap met drinkende herder en twee slapende honden. De meeste van de in totaal dertig etsen zijn bijzonder zeldzaam, omdat Van Troostwijk de koperplaten heeft vernietigd. Hij deed dit wel vaker, ook al waren de platen nog maar enkele malen gebruikt. Van de twaalf etsen die hij uiteindelijk goedkeurde om als serie te publiceren is de helft gesigneerd en gedateerd 1810. Het zijn voornamelijk landschappen in uiteenlopende formaten, met figuren, koeien en schapen. De opmerkelijke aandacht voor schaduwwerking hult deze taferelen in een prettige lome zomersfeer.

Van Troostwijk had, naar eigen zeggen, een grote bewondering voor de Hollandse schilders uit de Gouden Eeuw, met name Paulus Potter, Karel Dujardin en Adriaen van de Velde. Hij kende hun werk goed, onder meer van de kunstbeschouwingen die hij iedere twee weken bijwoonde als lid van het particuliere kunstminnend genootschap ‘Arte et Amicitia’. Van Troostwijk was hier waarschijnlijk het enige lid dat zelf ook de kunst beoefende. Dat de Hollandse oude meesters hem inspireerden is onmiskenbaar. Zo herinneren zijn Landschap met zwaar geboomte, koeien en boerinnetje uit 1808 en de – ongedateerde – Bouwhoeve in Gelderland duidelijk aan het bekende schilderij De hut uit 1671 van Van de Velde. De twee mooiste voorbeelden van de onafhankelijke blik en schilderstijl die Van Troostwijk zich wist eigen te maken zijn het Gelders landschap met een bleekveld aan de oever van een beek (1809) en het sfeervolle, besneeuwde Raampoortje te Amsterdam (1809), zijn enige stadsgezicht.

In de hooguit vijf jaar dat Van Troostwijk heeft geschilderd, voltooide hij 29 schilderijen, zo blijkt uit de lijst van zijn nagelaten werken. Verder staan hierop, behalve zes olieverfschetsen, ook dertien onvoltooide schilderijen vermeld. Zij getuigen van de onzekerheid over zijn eigen kunnen, die Van Troostwijk vaak overviel: ‘Ik ben nog lang niet waar ik wezen moet; ik voel, ik zie het wel, maar kan het nog niet vinden; al mijn werk is gebrekkig, stukwerk, niet dan studie, niet dan middel, om mij tot meerdere volmaking in de kunst op te leiden. Dat ik nog eens zoo verre kon geraken, dat ik één enkel voortreffelijk stuk leverde!’ (De Vries, 240).

Tijdens de allerlaatste dagen van het Koninkrijk Holland kreeg Van Troostwijk het hoogste officiële blijk van erkenning dat geleerden of kunstenaars zich indertijd konden wensen. Op 9 juli 1810 werd hij – evenals zijn vader twee jaar eerder – benoemd tot lid van het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letteren en Schoone Kunsten. Hij kreeg hier zitting in de Vierde Klasse, waarbinnen de beeldend kunstenaars en de musici zich verenigden. Het was zonder twijfel een bewijs dat de nog jonge schilder tot de beste kunstenaars werd gerekend. Op de vergadering van 23 augustus werd evenwel besloten de benoeming voor onbepaalde tijd uit te stellen, vanwege de inlijving – anderhalve maand eerder – van de Noordelijke Nederlanden bij het Franse keizerrijk.

Uiteindelijk zou Van Troostwijk' nooit als lid van het Koninklijk Instituut worden geïnstalleerd. In de zomer van 1810 had de schilder een groot en zonnig landschap met beesten ontworpen. Iedereen was zeer te spreken over de eerste opzet; hijzelf was echter pas tevreden bij zijn derde schets. Om het werk te kunnen voltooien had hij nog een bepaald soort ondergaand zonlicht nodig. Het weer werkte echter niet mee, pas in augustus deden zich een paar geschikte avonden voor. Van Troostwijk zette zich buiten aan het werk, al beklaagde hij zich wel over de kou: ‘Dezen avond was het zoo guur en huiverig op het land, dat men gemakkelijk eene zinkingskoort kon krijgen’ (De Vries, 244). Niet lang daarna werd Van Troostwijk inderdaad ernstig ziek. De hoge koorts tastte al spoedig zijn verstandelijke vermogens aan. Op 20 september kwam hij nog even bij bewustzijn, zag de zon door de dichte gordijnen schijnen en sprak: ‘O! laat mij die heerlijke lucht toch nog eenmaal aanschouwen!’ Enkele uren later stierf hij, slechts 28 jaar oud (De Vries, 245).

Na zijn vroegtijdige dood raakte Van Troostwijks werk uit het zicht van het publiek. Zijn oeuvre werd bewaard binnen de familie, die daarmee niet naar buiten trad. Wel werd gedurende de eerste decennia van de negentiende eeuw via Amsterdamse veilingen een aantal tekeningen, olieverfstudies en etsen in omloop gebracht. Hierbij waren opmerkelijk vaak zijn vroegere vrienden betrokken; waarschijnlijk ging het om exemplaren die Van Troostwijk zelf had afgestaan. In de jaren twintig van de negentiende eeuw werden voor het eerst tekeningen van hem aangekocht voor een openbaar museum, en wel het Teylers Genootschap, waar Van Troostwijks vroegere vriend Gerrit Jan Michaëlis conservator was. In 1866 moest de grafiekverzamelaar en latere directeur van het Rijksprentenkabinet Johan Philip van der Kellen in zijn Le peintre-graveur hollandais et flamand constateren dat Van Troostwijks naam slechts bij enkele liefhebbers bekend was (p. 187).

De eerste aanzet tot een hernieuwde waardering kwam met de veiling op 18 maart 1875 van Van Troostwijks werken in familiebezit, dit op initiatief van een achterneef van de schilder. De veiling kwam echter duidelijk te vroeg. Slechts twee van de zes olieverfschetsen haalden de limietprijzen die de familie voor diens werken had bedongen; voor de onvoltooide schilderijen bestond geen enkele animo. Van de 27 voltooide schilderijen gingen er maar acht naar een nieuwe eigenaar. Belangrijk is echter dat twee openbare collecties het belang van zijn werk inzagen; twee schilderijen kregen een plaats in het Amsterdamse Rijksmuseum, een in Museum Boymans te Rotterdam. In de jaren veertig van de twintigste eeuw kreeg Van Troostwijk voor het eerst een plaats toebedeeld in de kunstgeschiedenis door de kunsthistoricus Jan Knoef, die hem rekende tot de vernieuwendste kunstenaars van de vroege negentiende eeuw. Die plaats heeft Van Troostwijk sindsdien behouden.


Archivalia:
I. Schmidt, Beantwoording op de prijsvraag van Teylers Tweede Genootschap over ‘de staat der Schilder en Tekenkunst in dit land, zoo als die tegenwoordig is’ (1812) 72-74. Handschrift in de bibliotheek van het Teylers Museum te Haarlem.

Prestaties:
  • ‘Beschrijving van de nagelaten schilderijen van Wouter Johannes van Troostwijk’, in de onder ‘Literatuur’ genoemde publicatie van Koolhaas-Grosfeld, pp. 60-62.
  • ‘Œuvre de W.J. van Troostwijk’, in: J.Ph. van der Kellen, Le peintre-graveur hollandais et flamand. Catalogue raisonné des estampes gravées… (1866) 187-197.

  • Literatuur:
  • Jeronimo de Vries, ‘Iets over den kunstschilder Wouter Joannes van Troostwijk’, Vaderlandsche Letteroefeningen II (1815) 233-245.
  • Roeland van Eynden en Adriaan van der Willigen, Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst sedert de helft der XVIII eeuw II (Haarlem 1817) 481-491.
  • J.M. Blok, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek VI (Leiden 1924) 1286-1287.
  • J. Knoef, Tusschen Rococo en Romantiek. Een bundel kunsthistorische opstellen (’s-Gravenhage 1943) 111-134.
  • Op zoek naar de Gouden eeuw. Nederlandse schilderkunst, 1800-1850. Onder red. van Louis van Tilborgh en Guido Jansen (Zwolle [etc.] 1986).
  • Meesterlijk vee. Nederlandse veeschilders 1600-1900. Onder red. van C. Boschma (1988) 232-233.
  • R.J. te Rijdt, ‘Figuurstudies van het Amsterdamse particuliere tekengenootschap “Zonder Wet of Spreuk” (ca. 1808-1819)’, Bulletin van het Rijksmuseum 38 (1990) nr. 3, 223-244.
  • Langs velden en wegen. De verbeelding van het landschap in de 18de en 19de eeuw. Onder red. van Wiepke Loos [e.a.] (Blaricum 1997).
  • Eveline Koolhaas-Grosfeld, m.m.v. Evert van Uitert, Wouter van Troostwijk, 1782-1810. Schilder, tekenaar en etser (’s-Gravenhage 1998).

  • Portret:
    Zelfportret (ca. 1809) in zwart krijt op blauw papier (detail); Collectie Rijksprentenkabinet te Amsterdam (afgebeeld in: Eveline Koolhaas-Grosfeld, Wouter van Troostwijk, 1782-1810 (’s-Gravenhage 1998) 5).

    Eveline Koolhaas-Grosfeld

    laatst gewijzigd: 12/11/2013