Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

Verhees472p VERHEES [jr.], Hendrik, cartograaf, waterbouwkundige en bestuurder (Boxtel 7-12-1744 (doop) - Boxtel 23-4-1813). Zoon van Hendrik Verhees (ook bekend onder de naam Van Hees), timmerman en meester-molenmaker, en Maria van der Sleijden. Hij was ongehuwd.

Hendrik Verhees groeide op als tweede kind en oudste zoon in een rooms-katholiek gezin met dertien kinderen in Boxtel in het toenmalige Staats-Brabant. In het huis waarin hij ter wereld kwam - 'De Brouwkuyp' genaamd en gelegen op de hoek van Markt en Clarissenstraat - zou hij, met een onderbreking van vijf jaar, tot aan zijn dood blijven wonen. Waarschijnlijk bezocht Hendrik de dorpsschool in Boxtel. Ook is het aannemelijk dat hij daarna in de leer ging bij de landmeter Jan Francis van de Weijer, een plaatsgenoot en een bekende van vader Verhees. Door zelfstudie zal hij de nodige theoretische kennis hebben opgedaan. Nadat hij met succes zijn proeve van bekwaamheid had afgelegd, mocht de achttienjarige zich vanaf maart 1763 geadmitteerd landmeter noemen.

De kaart van het Velderhoef-gebied onder Liempde bij Boxtel, die Verhees in 1765 maakte in het kader van de afwatering van het gebied, is misschien zijn oudste. Helemaal zeker is dat niet, omdat enkele van zijn 'heemraadskaarten' niet zijn gedateerd. In zijn lange loopbaan zou hij talrijke kleine en grote projecten meten in opdracht van zowel overheden als particulieren. Daarbij valt te denken aan het opmeten van grondbezit, wegen, dijken, rivieraanwassen en landaanwinningen. De kaarten van Verhees zijn globaal in te delen in plaatselijke kaarten, limietscheidingskaarten, waterstaatskaarten, wegenkaarten, tiendkaarten, kaarten van gemene gronden en gewestelijke kaarten (of delen van gewesten).

Verhees verwierf zijn grootste bekendheid met de zogeheten Meierijkaart, waarop een groot deel van Oost-Brabant op basis van nieuwe metingen wordt weergegeven. Al omstreeks 1770 was hij hiermee op eigen initiatief begonnen, en hij werkte er tussen zijn andere verplichtingen steeds aan door. Het zou daarom tot 1794 duren eer deze kaart gereed was. Drie jaar later liet hij haar op eigen kosten drukken en uitgeven door Mortier, Covens & Zoon te Amsterdam. In tegenstelling tot de meeste achttiende-eeuwse kaarten, die vrij slordig van oudere exemplaren waren gekopieerd, was de Meierijkaart in meetkundig opzicht van degelijke kwaliteit. Dat men er indertijd vanuit ging dat deze kaart - verkleind, maar ongewijzigd - zou kunnen worden ingepast in de door de genie-officier C.R.Th. Krayenhoff te vervaardigen nieuwe kaart van de Bataafse Republiek, is daarvan het bewijs.

Tijdgenoten als de publicist Servaas van de Graaff en predikant en schrijver Stephanus Hanewinkel lieten zich in lovende woorden over de Meierijkaart uit. Het stadsbestuur van 's-Hertogenbosch vergeleek haar zelfs met de alom bewonderde topografische kaarten van de Oostenrijkse cartograaf Joseph graaf de Ferraris en maakte het mede mogelijk dat zij werd gedrukt. Hoewel Verhees' belangrijkste kaart nog een figuratief karakter had, werd zij tot ver in de negentiende eeuw met vrucht gebruikt. Zo staat op de in 1842 verschenen kaart van het arrondissement Breda door N. Kraft vermeld dat 'deze kaart beschouwd moet worden als eene supplementaire op die van 's-Hertogenbosch door H. Verhees, zijnde op dezelfde schaal vervaardigd, uitmakende tezamen de geheele provincie Noord-Brabant'. De Meierijkaart zou tot in 1870 worden herdrukt.

Verhees maakte niet alleen naam als landmeter-cartograaf, maar ontwikkelde zich tevens tot een deskundige op waterstaatkundig terrein. Als zoon van een meester-molenmaker had hij zijn vader al op jeugdige leeftijd geassisteerd bij diens werkzaamheden aan watermolens. Zoals gezegd hield Verhees junior zich reeds in 1765 bezig met de afwatering van het gebied Velderhoef onder Liempde,en drie jaar later maakte hij een begroting voor de verbetering van de waterlopen in en om Eindhoven. In 1783 gaf hij blijk van zijn deskundigheid door een prijsvraag te winnen van het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam inzake de mogelijkheid van een kanaal van 's-Hertogenbosch naar Luik. Bovendien werd hij vanaf 1783 geregeld als deskundige ingeschakeld bij ontwikkelingen rond de Baardwijkse Overlaat tussen Drunen en Waalwijk.

Ook als politicus en bestuurder was de Patriot Verhees van betekenis. In zijn woonplaats Boxtel bekleedde hij diverse bestuursfuncties. Zo werd hij in1786 schepen, en hij bleef dat tot februari 1790, toen de 'paapse' Verhees, na een klacht, plaats moest maken voor een gereformeerde. Waarom van de drie rooms-katholieke schepenen juist hij moest vertrekken, werd door de advocaat-fiscaal van de Raad van Brabant als volgt beargumenteerd: Verhees had 'zig door een der voorname hoofden van dat verderflijk zoogenaamd Patriottismus' laaten emploieeren, om de Zaden daarvan ook in de meijerije voort te planten' (geciteerd in: Pel, Op de kaart gezet, 25). Bovendien zou Verhees' termijn als schepen al lang zijn verlopen.

Na het uitroepen van de Bataafse Republiek in januari 1795 ging er echtereen andere politieke wind waaien. Bij de verkiezing van een nieuw dorpsbestuur in Boxtel, op 16 april van dat jaar, veranderden de bestaande verhoudingen grondig. Verhees, vijf jaren eerder aan de kant geschoven, keerde nu terug als president-schepen. In de vijf jaren van buitensluiting was zijn invloed in de Brabantse Patriottenbeweging zodanig gegroeid dat hij in 1795 tot de meest vooraanstaande politici van Brabant behoorde.

Het was dan ook Verhees die op 11 juni 1795 zitting nam als een van de twintig 'Provisionele Representanten des Volks van Bataafsch Braband'. Toen dit tussen bestuur op 1 januari 1796 werd vervangen door 28 door het volk gekozen 'Representanten van Bataafsch Braband', was Verhees een van hen. Samen met Jan van Hooff uit Eindhoven en de Bosschenaar Willem Hubert jr. ging hij vervolgens naar Den Haag om daar te onderhandelen over de toetreding van Brabant als gelijkwaardig gewest tot de republiek en over het vaststellen van de gewestelijke bijdrage aan de nationale belasting.

Nadat hij op 1 maart 1796 met zijn twee Brabantse mede-afgevaardigden de slotzitting van de oude Staten-Generaal had bijgewoond, nam Verhees op diezelfde dag zitting in de opvolger, de Nationale Vergadering. Hoewel hij wat zijn politieke opvattingen betreft doorgaans tot de federalisten wordt gerekend, was hij eerder een pragmaticus. In tegenstelling tot andere federalistische volksvertegenwoordigers werd Verhees na de twee opeenvolgende Unitarische staatsgrepen van 22 januari en 12 juni 1798 niet gearresteerd. Zonder scrupules legde hij de verklaring tegen 'het verfoeilijke federalisme' af, en hij bleef gewoon aan als volksvertegenwoordiger. Zo maakte hij van 22 januari tot en met 4 mei 1798 deel uit van de Constituerende Vergadering en was hij vervolgens tot 12 juni 1798 lid van de Tweede Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam en van 31 juli 1798 tot 17 juli 1801 lid van de Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam.

Alleen gedurende de vijf jaren dat hij als volkvertegenwoordiger op nationaal niveau actief was, verbleef Verhees buiten Brabant; hij woonde toen in de Haagse Venestraat. Maar het hem afvaardigende gewest c.q. (sinds 1798) departement was hij allerminst vergeten. Hartstochtelijk verdedigde hij in Den Haag de Brabantse belangen. Zo keerde hij zich tegen het voorstel om de oude generaliteitsschulden gelijkelijk over alle samenstellende delen om te slaan. Ook was hij er fel op tegen dat niet-ingeborenen het weer in Brabant voor het zeggen zouden krijgen. Bovendien kwam hij op voor gelijkberechtiging van de rooms-katholieken en hun geloof.

Na zijn Haagse periode keerde Verhees definitief terug naar zijn ouderlijk huis in Boxtel, waar hij na de dood van zijn ouders - die beiden in 1802 overleden - gedurende de rest van zijn leven als vrijgezel zou blijven wonen. Hij ging weer aan de slag als landmeter, waterbouwkundige en aannemer-architect. Opnieuw was hij bereid tot het vervullen van lokale bestuursfuncties. Zo was hij in 1805 schepen van de municipaliteit Boxtel en vervulde hij van 1806 tot 1810 het ambt van president-schepen.

Verhees ontwikkelde in de loop der jaren een goed onderbouwde visie op de waterstaatkundige toestand van de toenmalige Meierij. Naar zijn mening waren het bevaarbaar maken van rivieren als de Dommel en de Aa en het graven van nieuwe kanalen van groot belang voor zowel de afwatering als de economische ontwikkeling van het gebied. Toen de Staatsregeling van 1798 geld uittrok voor het bevaarbaar maken van de Dommel, de Aa en de Run (of Ley), klopte het Agentschap van 's Lands Waterstaat in 1798 bij Verhees aan voor adviezen over de verbetering van deze drie rivieren.

Verhees gold blijkbaar als een autoriteit op dit gebied. Het is dan ook niet vreemd dat hij in 1803 door het Departementaal Bestuur van Bataafs Brabant - dat sinds eind 1802 verantwoordelijk was voor de waterstaatszaken - werd aangesteld als 'Directeur van het werk ter verdieping en het bevaarbaar maken van de Aa'. Geheel alleen belichaamde Verhees op dat moment de provinciale waterstaat. In juli 1805 kreeg hij assistentie van een commissaris die zorgde voor de financiële kant van het project, maar hij bleef tot 1810 verantwoordelijk voor de praktische uitvoering.

Kennelijk had Verhees er geen moeite mee het koninkrijk Holland (1806-1810) te dienen. Dat blijkt ook uit het feit dat koning Lodewijk hem in april 1809 benoemde tot lid van de 'Commissie tot de zaken ter verbetering van den Binnenwaterstaat in het Departement Braband', waarvan - naast Verhees - ook de ingenieur van 's Rijks Waterstaat Frederik Beijerinck deel uitmaakte. Deze commissie - ook wel aangeduid als 'une Commission de deux Ingenieurs du Waterstaat' (geciteerd in: Pel, Op de kaart gezet, 154) - werd betrokken bij alle waterstaatsactiviteiten in het departement, waaronder ook de aanleg en het onderhoud van wegen viel. Verhees en Beijerinck werkten nauw samen met de landdrost van Brabant en deskundige ingenieurs uit de nationale waterstaatsdienst, zoals Conrad Brunings en Arie Blanken Jzn. Er bestaat een aanwijzing dat Verhees koning Lodewijk in april 1809 op zijn reis door de Meierij heeft vergezeld. Hoewel niet helemaal zeker, is dit op zijn minst plausibel, aangezien Verhees, als de maker van de grote kaart van dit gebied, de fysieke staat en infrastructuur van dit deel van Brabant als geen ander kende.

Op 16 maart 1810 werd Brabant ingelijfd bij het Franse keizerrijk. De bestaande civiele rechtbanken werden toen vervangen door vredegerechten: permanent colleges, steeds bestaande uit één vrederechter, twee plaatsvervangers en een griffier, en gevestigd in de hoofdplaats van elk kanton. De vrederechter was een alleensprekende rechter. Hij behoefde geen jurist te zijn en werd geacht recht te spreken naar billijkheid. Met ingang van14 mei 1811 werd Verhees benoemd tot vrederechter in het kanton Boxtel.

Verhees' privéleven blijft duister. Wel is het op basis van indirecte bronnen mogelijk enkele voorzichtige conclusies te trekken. Hij was geen gemakkelijke man. Hij komt naar voren als een wat arrogante einzelgänger met querulante en narcistische trekjes. Deze persoonlijkheidskenmerken maakten hem bij nogal wat mensen impopulair. Daartegenover staat dat Verhees met een aantal personen jarenlang heeft samengewerkt. Het is denkbaar dat zij zijn vaak minder aangename karakter verdroegen vanwege zijn vakmanschap. Het is evident dat Verhees een ongelooflijk harde werker moet zijn geweest. Hij was altijd op pad en had steeds verschillende werkzaamheden tegelijk onder handen. Hij moet een ijzeren gestel hebben gehad. Uit de bronnen blijkt dat hij op latere leeftijd leed aan jicht, maar over andere kwalen wordt met geen woord gerept. Over de oorzaak van zijn onverwachte overlijden in 1813 op 68-jarige leeftijd is niets bekend.

Zoals blijkt uit zijn voor die tijd enorme bibliotheek, had Verhees een brede belangstelling. Veel boeken betroffen vakliteratuur: wis-, bouw-, natuur- en waterstaatkunde. Ook bezat hij verscheidene atlassen van Willem en Joan Blaeu en talrijke plaats- en landbeschrijvingen. Reisverhalen over vele oorden brachten hem zowat de hele wereld onder handbereik. Opvallend is dat hij ook literatuur bezat over slavernij en slavenhandel.

Hendrik Verhees behoorde tot de homines novi, de 'nieuwe burgers' die door zelfstudie en hard werken een vooraanstaande positie wisten te bereiken. Deze stijging op de maatschappelijke ladder was mogelijk geworden doordat het oude, gesloten regentenpatriciaat werd opengebroken onder invloed van de ideeën van de Verlichting en de Franse Revolutie. Verhees benutte de geboden kansen volop, eerst door zitting te nemen in het provinciale bestuur en daarna als Brabants afgevaardigde in de opeenvolgende nationale parlementen in Den Haag.


Publicaties:
'Antwoord op de vraage: zijn er eenige natuurlijke of andere hinderpaalen, die het ondoenlijk zouden maaken om een kanaal te graaven van's-Hertogenbosch af tot aan of nabij de steden Maastricht of Luik ...', in: Verhandelingen van het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam VIII (Rotterdam 1787) 158-167, met aanmerkingen van het Genootschap op blz. 172-176.

Literatuur:
  • J.C. Ramaer, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek IX (Leiden 1933) 1188-1189.
  • P. Gerlach, 'Het schetsenboek van Hendrik Verhees', in: Bossche Bijdragen 16 (1938/1939) 266-281.
  • J. van Laarhoven, Het schetsenboek van Hendrik Verhees ('s-Hertogenbosch 1975).
  • J.N.S. Stokman, 'Hendrik Verhees', in: Caert Thresoor. Tijdschrift voor de Geschiedenis van de Kartografie in Nederland 5 (1986) nr.1, pp.12-17.
  • J.N.S. Stockman [e.a.], Hendrik Verhees, een grensoverschrijdende Brabantse landmeter, cartograaf en patriot (1744-1813).Onder red. van J.N.S. Stokman [e.a.] ([Heeswijk-Dinther] 1990).
  • J.N.S. Stokman, 'Hendrik Verhees (1744-1813) landmeter, architect, waterstaatkundige en bestuurder', in: Brabantse Biografiën.Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders. Onder red. vanJ. van Oudheusden [e.a.] III (Amsterdam [etc.] 1995) 129-131.
  • J.W. Hagen, 'De onderlinge verhouding van de hooge dorpen in de Franse tijd. Toelichting bij een onbekend kaartje van Hendrik Verhees uit 1812' in: Venster op het verleden. 20 jaar heemkunde in Vessem, Wintelre en Knegsel.
  • Hans Pel, Op de kaart gezet. Hendrik Verhees, politicus, kaartenmaker en waterstaatkundige, 1744-1813 (Boxtel 2007).
  • Website van de Stichting Cultuurgeschiedenis Boxtel-Meierij 'Hendrik Verhees' (zie: 'Info over Verhees').

Portret:
Portret door Cornelius Rogge (afgebeeld in: Geschiedenis der staatsregeling, voor het Bataafsche volk (Amsterdam 1799)).

Hans Pel

laatst gewijzigd: 15/02/2016