Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

VINKELES, Reinier, graficus en tekenaar (Amsterdam 19-06-1741 – Amsterdam 30-1-1816). Zoon van Harmen Vinkeles, middenstander, en Elizabeth Prengers. Gehuwd op 25-5-1781 (ondertrouw) met Catharina Jurgens (1753-1802). Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 3 dochters geboren.

Reinier Vinkeles groeide op als de middelste van drie zoons in de Amsterdamse Pijlsteeg, een straat die bekend stond als een hoerenplek. Aangezien zijn vader eigenaar was van een rouwwinkel – waar men benodigdheden voor een begrafenis kon huren, zoals rouwkleding en drinkgerei – kwam hij in zijn jeugd al vroeg in aanraking met de dood. Reinier was een slimme en oplettende jongen. Het verhaal gaat dat hij, door zijn ouders bestemd voor de koophandel, op bijzondere wijze tot het kunstenaarschap werd gebracht. Op de lagere school schepte een medeleerling op over de door hem gevolgde tekenlessen en hoe moeilijk die waren. Reinier wilde bewijzen dat dit best meeviel. Toen deze klasgenoot hem zijn werk liet zien, evenals het voorwerp dat hij had nagetekend, probeerde Reinier dit voorbeeld eveneens weer te geven. Hij deed het zo nauwkeurig dat iedereen onder de indruk was. Dit succes stimuleerde hem zich te bekwamen in het tekenen, waarna zijn ouders besloten hem de graveerkunst te laten leren.

Of dit verhaal op waarheid berust, is onzeker. Wel staat vast dat Vinkeles in 1752 als leerling werd geplaatst bij Jan Punt, niet alleen de beroemdste toneelspeler van zijn tijd, maar ook een graveur van naam. Deze bracht hem tevens de etskunst bij. Op zijn vijftiende was Vinkeles al meer medewerker dan leerling van Punt, en na zo’n tien jaar bij hem in dienst te zijn geweest vestigde hij zich als zelfstandig graveur. In oktober 1762 werd Vinkeles lid van de Amsterdamse Stadsteekenacademie. Na de reorganisatie in 1765 kreeg hij zelfs zitting in de zeskoppige directie. Als een der directeuren moest hij een maand per jaar bij het tekenen aanwezig zijn om de leerlingen aanwijzingen te geven en hun theoretische kennis bij te brengen.

In de technische ontwikkeling die Vinkeles doormaakte, zijn drie stadia te onderscheiden. Aanvankelijk volgde hij zijn leermeester Punt, die voornamelijk werkte volgens de classicistische stijl en zijn prenten zeer zorgvuldig bewerkte. Uit zijn vroegste werk komt evenwel ook de invloed naar voren van Simon Fokke, omstreeks 1760 een van de grootste prentkunstenaars, die opviel door zijn ongebonden stijl en de grote levendigheid van zijn voorstellingen. Sommige van Vinkeles’ prenten zijn geheel op Fokkes schilderachtige en bewegelijke manier bewerkt, maar uit ander werk blijkt weer zijn streven een nauwkeurige gravure te maken, zoals de illustratie voor het toneelstuk Olympia (1764). In deze eerste periode maakte Vinkeles dus van beide stijlen gebruik.

Omstreeks 1770 raakte Fokkes luchtige stijl van illustreren uit de mode en ging Vinkeles zich weer toeleggen op de classicistische tekenwijze, die in de laatste dertig jaar van de achttiende eeuw algemeen werd. Inmiddels was Vinkeles een bekend graveur geworden, en om zich verder te bekwamen besloot hij in 1770 in de leer te gaan bij de Franse graveur Jacques-Philippe Le Bas in Parijs. Deze was bekend om zijn droge-naaldtechniek, waarmee de plaat nog zorgvuldiger kon worden bewerkt. Deze speciale werkwijze wilde Vinkeles zich graag eigen maken. Hij werd opgenomen onder Le Bas’ leerlingen en mocht zelfs bij hem inwonen. Tijdens zijn verblijf in de Franse hoofdstad werd Vinkeles door de gezant van de Russische keizerin Catharina II een post aangeboden als medebestuurder van de Academie der Schone Kunsten in Sint-Petersburg. Hij sloeg dit eervolle aanbod echter af, omdat hij te zeer gehecht was aan zijn eigen land en familie.

In 1771 keerde Vinkeles terug in Amsterdam, waar hij liet zien dat hij zich de bij Le Bas geleerde technieken goed had eigen gemaakt. In deze tweede periode van zijn kunstenaarschap behoorde hij met zijn – geheel volgens de heersende norm – zorgvuldig gegraveerde prenten tot de besten op zijn vakgebied. Vinkeles maakte in de jaren zeventig en tachtig vooral historie- en genretaferelen. Zijn prenten hebben een fraaie en doordachte compositie en de voorstellingen vallen op door hun levendigheid, diepte en helderheid. Vinkeles werd dan ook overladen met opdrachten, en hoewel hij verschillende leerlingen aannam om hem bij zijn werk te helpen – onder wie zijn zoons Johannes en Abraham en zijn jongste broer Harmanus –, moesten klanten vaak lang op hun bestellingen wachten. Men nam dit echter graag voor lief en was bereid hem voor zijn werk veel geld te betalen.

In 1781 trouwde de inmiddels bijna veertig jaar oude Vinkeles met de 27-jarige Catharina Jurgens. De plechtigheid had overigens zestien maanden na de geboorte van hun eerste kind plaats. Het was een gelukkig huwelijk: tussen 1780 en 1794 kreeg het echtpaar vier zoons en drie dochters. Uit de bewaard gebleven briefwisseling van Vinkeles met de bevriende Amsterdamse boekhandelaar en uitgever Volkert van der Plaats komt voor deze jaren een opgewekte en vrolijke echtgenoot en vader naar voren.

Vanaf 1800 worden Vinkeles’ brieven minder vrolijk van toon. ‘Man Lief onze kinderen beginnen ons te doen denken [dat] wij onze jaren krijgen’, liet hij zijn vriend op 19 april van dat jaar weten (geciteerd in: Jansen, 113). ‘Oud worden foeij dat is leelijk’. Vinkeles’ zwaarmoedigheid nam toe. Lichamelijk ging het hem uitstekend, maar geestelijk voelde hij zich steeds minder goed. ‘Ik voor mij doe alles noch met het zelfde gemak als voor 25 jaaren’, maar hij constateerde wel ‘minder lust’ in het leven te hebben, omdat ‘de Geestelijken Boosheid in de lugt los gebroken is’ (geciteerd in: Jansen, 113). In juni 1801 berichtte hij Van der Plaats dat het erg slecht ging met de gezondheid van zijn vrouw. Hij moest echter ondanks ‘al die zorgelijke uitzichten’ doorgaan met werken en plannen maken, omdat hij zeven kinderen had voor wie hij moest zorgen (geciteerd in: Jansen, 114).

Het overlijden van zijn echtgenote op 21 april 1802 greep Vinkeles ten zeerste aan: ‘Wat een gemis voor mij’, verzuchtte hij op haar sterfdag tegenover Van der Plaats. ‘Voortaan zal mijne woning eene spelonke der droefheid wesen. Het licht dat warmte en genoegen versprijde is uitgedoofd. Ruim drie en twintig Jaaren ben ik eene der gelukkigste stervelingen geweest, helaas geweest’ (geciteerd in: Jansen, 115). Na Catharina’s dood werd Vinkeles steeds neerslachtiger. Zijn werk zag hij vanaf dat moment nog slechts als middel om te overleven en om zichzelf en zijn kinderen te kunnen onderhouden.

Dat Vinkeles minder plezier had in het graveren, was aan zijn werk te zien. Vanaf 1790 begonnen prenten van hem te verschijnen met een minder zuivere bewerking. In deze derde periode van zijn kunstenaarschap werd het onderscheid tussen deze onzorgvuldige gravures en zijn vroegere werk steeds groter. Na 1800 was het technisch verval onmiskenbaar: fijnere nuanceringen blijven dan achterwege en de prenten maken de indruk zeer vluchtig en ruw opgewerkte etsen te zijn.

De kritiek op Vinkeles’ werk nam toe, wat hij onrechtvaardig vond: ‘de Posteriteyt zal kunnen oordeelen’, schreef hij op 16 september 1801 aan Van der Plaats, dat ‘ik iets meer als boekprentjes hebbe kunne maken, en dat het niet mijn maar wel het GeEerde Publicq haar schuld is [dat] ik mijn tijd met de laatste hebbe moeten verbeuzelen’ (geciteerd in: Janssen, 114). Het maken van simpele illustraties om den brode zag hij, met ander woorden, als tijdverspilling; zijn talent reikte immers verder. De mooie, grote platen die hij omstreeks 1801 vervaardigde van de zalen van het gebouw van ‘Felix Meritis’, het genootschap ter bevordering van kunst en wetenschap aan de Amsterdamse Keizersgracht, laten dit inderdaad zien. Deze gravures vormen het hoogtepunt in zijn oeuvre, maar van dergelijk werk kon hij tot zijn spijt niet leven.

In maatschappelijk opzicht ging het Vinkeles intussen nog steeds voor de wind. Van 1797 tot mei 1812 was hij lid van het letterkundig genootschap ‘Concordia et Libertate’, een besloten, vrijzinnig gezelschap waarvan de leden elkaar in de wintermaanden wekelijks onderhielden met lezingen op het terrein van hun kennis of belangstelling. Ook Vinkeles gaf hier in de loop der jaren vijftien kunstbeschouwingen voor zijn medeleden, waarbij hij werken van verschillende meesters en verschillende graveertechnieken besprak.

Een grote eer was Vinkeles’ benoeming door koning Lodewijk op 6 juli 1808 tot lid van het twee maanden eerder opgerichte Koninklijk Nederlandsch Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten. Hij kreeg hier zitting in de Vierde Klasse, waarin de beeldende kunstenaars en musici waren verenigd. Op 22 augustus 1808 werd Vinkeles gekozen tot president van de Vierde Klasse. Hij was hiermee de eerste officiële voorzitter voor een termijn van zes maanden. Daarna maakte Vinkeles deel uit van verscheidene commissies die de Koning of zijn ministers moesten adviseren over allerlei zaken met betrekking tot de kunst.

Het lidmaatschap van het Koninklijk Instituut moet voor Vinkeles erg belangrijk zijn geweest. Het gaf hem nog meer aanzien dan hij als beroemd graveur al genoot. Bovendien verkeerde hij hierdoor – evenals door zijn lidmaatschap van ‘Concordia’ – in de hoogste kringen. Intussen behoorde Vinkeles nog altijd tot de directeuren van de Stadsteekenacademie, sinds 1805 als de oudste in rang. In juni 1808 besloot hij echter om na 43 jaar deze functie neer te leggen. Wel bleef hij als honorair lid aan deze instelling verbonden.

Begin 1816 overleed Reinier Vinkeles op 74-jarige leeftijd na een kort ziekbed. Hij liet een uiterst omvangrijk oeuvre na: het aantal door hem gegraveerde prenten wordt geschat op 2.500, waarvan 1.500 naar eigen tekeningen. Toch raakte hij – ondanks de vele lovende woorden na zijn overlijden – snel in de vergetelheid. Wat Vinkeles heeft nagelaten is echter heel bijzonder, omdat geen Noord-Nederlandse graveur de kwaliteit van zijn prenten kon of kan evenaren en zeker de enorme omvang van zijn oeuvre niet.


Archivalia:
  • Brieven van en aan R. Vinkeles in de Universiteitsbibliotheken van Leiden en Amsterdam, de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage en in het Stadsarchief Amsterdam.
  • Correspondentie tussen R. Vinkeles en V. van der Plaats ‘in een particulier familiearchief te Amsterdam’. Al deze brieven (18 stuks) zijn in transcriptie weergegeven in de bijlage van het onder ‘Literatuur’ genoemde artikel van Jansen. pp. 111-119].
  • De veilingcatalogus van het kunstbezit van R. Vinkeles (1816) in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie te ’s-Gravenhage.

Prestaties:
Een globale inventarisatie van het grafisch werk van Vinkeles is te vinden in de onder ‘Literatuur’ genoemde ongepubliceerde doctoraalscriptie van Jung, Bijlage 20, pp.1-30.

Literatuur:
Portret:
Schilderij, olieverf op doek (1816) door Charles Howard Hodges (detail); Collectie Rijksmuseum te Amsterdam (beschikbaar via: Het Geheugen van Nederland).

Carlien Jung

laatst gewijzigd: 12/11/2013