Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

Wiselius

Wiselius, Samuel Iperuszoon, bestuurder, dichter en toneelschrijver (Amsterdam 4-2-1769 - Amsterdam 15-5-1845). Zoon van Iperus Wiselius, koopman, en Johanna Alijda van Heekeren. Gehuwd op 3-5-1791 met Suzanna Le Poole (1772-1813). Uit dit huwelijk werden 5 zoons en 6 dochters geboren, van wie 1 dochter jong overleed.

Samuel Wiselius was de enige zoon van een koopman in olie en traan aan de Nieuwe Zijds Kolk in Amsterdam. Vader Iperus Wiselius - die een tweelingbroer Samuel had en zelf naar zijn oom Iperus Ameland werd vernoemd - had een grote historische en literaire belangstelling en gaf zijn zoon op jeugdige leeftijd zelf onderwijs in de geschiedenis. Wiselius senior was bovendien politiek actief en werd in mei 1787 - toen de politieke strijd tussen Oranjegezinden en Patriotten in Amsterdam een hoogtepunt bereikte - benoemd tot Patriots kolonel van de schutterij.

Na de Latijnse School met glans te hebben doorlopen en na nog een jaar de colleges van de filoloog en filosoof Daniël Wyttenbach op het Athenæum Illustre te hebben gevolgd vertrok Samuel in 1786 naar Franeker. Tot de beoogde studie in de letteren aan de universiteit aldaar kwam het echter niet. Wel ontmoette hij hier de hoogleraren Theodorus van Kooten, een taalkundige en dichter, en Johan Valckenaer, een jurist die eveneens taalkundig goed was onderlegd. Met beiden kreeg Wiselius spoedig een goede band die tijdens de revolutionaire ontwikkelingen in latere jaren verder zou worden versterkt.

Ondanks deze vriendschap verwisselde Wiselius na een klein jaar Franeker voor Leiden, waar hij zich op 29 mei 1787 liet inschrijven voor de rechtenstudie. Hij volgde hier onder meer colleges bij de hoogleraar Frederik Willem Pestel, een specialist in het natuurrecht. In Leiden richtte Wiselius in 1788 de semi-maçonnieke broederschap 'l'Infanterie des Cinq Sabres' op, een verkapte Democratische club, waar hij contacten legde met verschillende leeftijdgenoten en latere Bataafse prominenten, onder wie Cornelis Felix van Maanen. In 1789 vertrok hij naar Göttingen om daar verder te studeren, aan de Georg-August universiteit die bekend stond als een bolwerk van de Verlichting. Na een klein jaar keerde hij terug naar Leiden om hier op 6 november 1790 in Leiden te promoveren op een dissertatie over een onderwerp uit het oudvaderlands recht, getiteld De Successionibus ab intestato ex jure Hollandorum.

Drie dagen na zijn promotie vestigde Wiselius zich als advocaat in Amsterdam. Spoedig daarop, op 3 mei 1791, trad hij in het huwelijk met de negentienjarige Suzanna Le Poole, de dochter van een welgestelde doopsgezinde greinfabrikant uit Leiden. De juridische praktijk beviel hem echter maar matig, waarop hij besloot deelnemer te worden in zijn vaders handel in olie en traan. Toen Iperus Wiselius in augustus 1793 op 57-jarige leeftijd overleed, kwam de leiding van de gehele onderneming in handen van Samuel. Over Wiselius' koopmansactiviteiten is niet veel bekend. Wel moet zijn handelsachtergrond van invloed zijn geweest op zijn politieke en maatschappelijke ontwikkeling. Veel Amsterdamse Patriotten waren namelijk beurshandelaren en kooplieden, die elkaar ontmoetten in de Amsterdamse sociëteit 'Doctrina et Amicitia'.

Tijdens de Oranjerestauratie die volgde op de omwenteling van september 1787, zette Wiselius zijn belangrijkste politiek-theoretische beschouwingen uiteen in drie lezingen voor 'Doctrina': Over de Geoorloofdheid der Zelfverdediging (1789), Verhandeling over de Burgerlijke Vrijheid en Staatkundige Gelijkheid (1791) en Proeve over de verschillende Regeringsvormen, in derzelver betrekking tot het Maatschappelijk Geluk (1793). Nog geen 25 jaar oud, meester in de rechten en economisch zelfstandig door een welgestelde echtgenote en - vanaf 1793 - als eigenaar van een eigen bedrijf, maakte Wiselius, blakend van zelfvertrouwen, furore met deze lezingen die hij steeds voor een overvolle zaal hield. In 1792 werd hij bibliothecaris van 'Doctrina', en twee jaar later werd hij secretaris van deze sociëteit.

Met de advocaat Pieter Paulus werd Wiselius door zijn lezingen en activiteiten bij 'Doctrina' de belangrijkste exponent van de Patriottenbeweging aan het begin van de jaren negentig. Hij liet deze een gedurfde nieuwe richting inslaan door scherp afstand te nemen van de Unie van Utrecht en het oud-Patriotse programma van de Grondwettige Herstelling (1784). In zijn lezingen - waarin het natuurrecht op maatschappelijk geluk en de daartoe noodzakelijke burgerlijke vrijheid en gelijkheid centraal stonden - betoonde Wiselius zich een verklaard tegenstander van de aristocratie, die in de Republiek de dominante bestuursvorm was geworden. Tevens sprak hij zich uit ten gunste van een representatieve democratie, waarbij hij overigens tegelijk de deur naar een monarchale regeringsvorm openliet.

Begin 1795 kon Wiselius de daad bij het woord voegen. Als lid van het Comité Revolutionair in Amsterdam gaf hij mede leiding aan de Bataafse omwenteling die zich hier op 18 januari voltrok. In de daaropvolgende periode bleef Wiselius als revolutionair actief. Mede door zijn toedoen werd op 26 januari de revolutionaire Vergadering van Provisionele Representanten van het Volk van Holland geïnstalleerd. Van 30 januari 1795 tot eind februari 1796 maakte hij hiervan deel uit. Daarnaast was Wiselius lid van verscheidene gewestelijke revolutionaire comités, waaronder het Algemeen Comité van Waakzaamheid dat met contraspionage en de binnenlandse veiligheid was belast.

Namens Holland nam Wiselius eind mei 1795 zitting in de 'gezuiverde' Staten-Generaal, die hem vrijwel onmiddellijk, op 3 juni 1795, benoemde in een commissie van twaalf die een plan voor een 'Nationale Conventie' moest ontwerpen. Als commissielid verzette hij veel en belangrijk werk, waarbij hij vanaf het begin radicaal koos voor de eenheidsstaat. Alleen dan zou, naar zijn mening, de ontmanteling van het aristocratisch stelsel werkelijk mogelijk zijn.

Wiselius' hartstochtelijke Unitarisme bracht hem nog in 1795 in conflict met het stadsbestuur van het politiek machtige Amsterdam, dat al snel in gematigd, conservatief vaarwater was terechtgekomen. Toen het conflict in november 1795 escaleerde - mede als gevolg van verontrustende informatie over de internationale situatie en nieuws over een mogelijke terugkeer van Oranje, dat al of niet bewust door Wiselius was gelekt - dreigde hij zelfs te worden gearresteerd. Zo ver zou het niet komen. Wel werd Wiselius, na een volgend conflict over een nieuw door hem ontworpen provinciaal reglement, eind februari 1796 door Amsterdam ontslagen als lid van de Vergadering van Provisionele Representanten van het Volk van Holland.

Wiselius verdween begin 1796 niet alleen uit het provinciaal bestuur, hij werd ook niet gekozen in de Nationale Vergadering die op 1 maart van dat jaar werd geïnstalleerd. Daarmee brak een nieuwe fase in zijn leven aan, waarin zijn directe invloed op de politieke besluitvorming op nationaal niveau begon af te nemen. Wel deed hij nog van zich spreken in 'De Uitkijk', de Democratische opvolger van het Comité Revolutionair in Amsterdam. Verder leverde hij bijdragen aan het sinds juni 1796 verschijnende weekblad De Democraten en was hij een vooraanstaand lid van de sociëteit 'Voor Een- en Ondeelbaarheid', die in maart 1797 mede door hem te Amsterdam werd opgericht.

Vanaf 1 maart 1796 wijdde Wiselius het grootste deel van zijn tijd aan het Comité tot de Zaken van de Oost-Indische Handel en Bezittingen. Van dit Oost-Indisch Comité - dat gedomineerd werd door Democraten - werd hij de drijvende kracht. Als lid van deze instelling, kreeg Wiselius te maken met de financieel-organisatorische onttakeling van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en - daarmee in samenhang - met het onder nationaal bestuur brengen van de bezittingen in Azië, zowel in administratief, financieel als militair opzicht. Tevens moest het Comité vorm geven aan een Bataafs-Indische handelspolitiek en strekte zijn bemoeienis zich ook uit naar de Kaap Kolonie. Binnen het Oost-Indisch Comité stelde Wiselius samen met de medeleden en medejuristen Bogislaus Frederik von Liebeherr en Frederik Willem Fennekol een koloniale paragraaf op die - na een aanpassing - gedeeltelijk zou worden opgenomen in de Grondwet van 1798.

Begin 1798 was Wiselius via de 'De Uitkijk' nauw betrokken bij plannen de Nationale Vergadering ertoe te brengen een Grondwet te aanvaarden welke zou zijn gebaseerd op de principes van de eenheidsstaat. Maar aan de Unitarische staatsgreep van 22 januari 1798 nam hij uiteindelijk niet actief deel. Hij distantieerde zich daarna ook van het radicale Uitvoerend Bewind, en verzoeken om functies te bekleden, zoals die van Agent van Marine, weigerde hij beslist. Wel liet hij zich op 2 maart 1798 benoemden tot een van de vier directeurs van de Amsterdamse Schouwburg. Dit gebeurde op voorspraak van zijn vriend Theodorus van Kooten die twee weken eerder Agent van Nationale Opvoeding was geworden.

Wiselius' inbreng bij de daaropvolgende zwenking van het Bataafs regime in 1798 was grillig en werkte uiteindelijk nadelig voor hem uit. Door zich in april van dat jaar in Parijs met de Franse minister van Buitenlandse Zaken Charles Maurice de Talleyrand in verbinding te stellen, hoopte hij de radicale koers van het Uitvoerend Bewind op termijn met Franse hulp te kunnen temperen. Mede dankzij 'officiële' steekpenningen - bedoeld voor een overeenkomst over de retourvloot en het vrijwaren van de Bataafse handel van Franse kapersactiviteit - slaagde Wiselius er in enige toezeggingen te krijgen. Zijn strategie werd echter ruw doorkruist door de coup van 12 juni 1798. Het nieuwe gematigde Uitvoerend Bewind bleef hem na zijn terugkomst uit Parijs met enige scepsis bezien, terwijl Wiselius op zijn beurt - mede als gevolg van de radicale zuiveringen waardoor ook hij in maart 1797 tijdelijk zijn stemrecht verloren had - een steeds grotere afkeer kreeg van de Bataafse politiek. Hij begon daarom steeds meer op te schuiven naar de politieke periferie. Dit proces werd in 1799 nog bespoedigd door zijn contacten met een Engelse spion en de intriges die daaruit volgden ten tijde van de Brits-Russische inval in Noord-Holland, die in de late zomer en herfst van dat jaar plaatsvond.

Na 1799 kwam Wiselius ook wat zijn werkzaamheden inzake Indië betreft in toenemende mate onder druk te staan. Weliswaar kreeg hij nog zitting in de Raad der Aziatische Bezittingen en Etablissementen - die op 15 mei 1800 in de plaats kwam van het Oost-Indisch Comité - maar de hoogtijdagen van de Democraten op koloniaal gebied waren inmiddels voorbij. Na de conservatieve staatsgreep op 19 september 1801, die in opdracht van de Franse machthebber Napoleon Bonaparte plaatsvond, kreeg Wiselius te maken met een groeiende tegenwerking van het nieuw geïnstalleerde Staatsbewind. Een eerder conflict, uit 1796, met oud-aandeelhouders van de VOC laaide weer op en nam in 1802 de vorm aan van een pamflettenstrijd die door Wiselius met een groeiende eruditie èn verbetenheid werd gevoerd. Niettemin trok hij uiteindelijk aan het kortste eind. Bij de verplaatsing van de zetel van de Aziatische Raad van Amsterdam naar Den Haag in maart 1804 werd hij weg gezuiverd. Bovendien beschuldigde het Staatsbewind hem van fraude.

Wiselius spuide daarop zijn gram in een volgende reeks pamfletten, die hij gedeeltelijk anoniem liet verschijnen. In Beroep op het Bataafsche Volk, gedateerd 2 april 1804, bracht hij zijn ontslag in verband met de politieke ommekeer die ook de benoeming van voormalige Orangistische regenten op Bataafse bestuursposten mogelijk had gemaakt. Onder politieke druk en na waarschuwingen van de politie staakte Wiselius zijn publicitaire aanvallen. Wel probeerde hij onderhands nog Franse steun te verwerven voor zijn positie en trachtte hij de contrarevolutie af te wenden door politieke informatie toe te spelen aan generaal Auguste de Marmont, commandant van de Franse troepen in de Bataafse Republiek.
Na zijn ontslag uit de Aziatische Raad was Wiselius als bestuurder uitgerangeerd. Anders dan enkelen van zijn oude vrienden - onder wie Isaäc Gogel - stond hij afwijzend ten opzichte van het koninkrijk Holland, dat begin juni 1806 werd geproclameerd. Zo weigerde hij Napoleons broer - door hem consequent aangeduid als 'de heer Lodewijk Buonaparte' - als koning te erkennen. Bovendien stond Wiselius in contact met Maria Aletta Hulshoff , een revolutionair-democratisch activiste, die in pamfletten fel van leer trok tegen Lodewijks regime. De vrouw was een groot bewonderaarster van hem en van Johan Valckenaer en had hem eerder gesteund in zijn protest tegen het Staatsbewind. Toen zij na haar arrestatie in oktober 1809 uit haar cel wist te ontsnappen, hielp hij haar naar het buitenland te ontkomen.

Wiselius zette zijn bestuurlijke isolement in 1807 zelf verder kracht bij door met zijn gezin te verhuizen naar een klein buitenverblijf, 'Wel te Vrede', in de nabijheid van Utrecht, al bleef hij als koopman wel domicilie houden in Amsterdam. Op zijn buiten legde hij zich toe op tuinieren en de bestudering van de klassieken en de oude geschiedenis.

Hoewel hij niet langer bestuurlijk actief was, bleef de politiek Wiselius interesseren. Zo begon hij in deze jaren gedichten te schrijven, waarin hij ook zijn gedachten verwerkte over de deplorabele toestand waarin het land door de onderwerping aan Frankrijk was geraakt. Verder gaf hij in maart 1808 twee lezingen over De beschaving van den geest door het beoefenen van wetenschappen en letteren als de hechtste grondslag van 's menschen geluk en van den duurzaamsten welstand der burger-maatschappijen waarin hij teruggrijpt op de thematiek van zijn 'Doctrina'-voordrachten, die hij nu echter nadrukkelijk van een religieus kader voorziet. Politiek-theoretisch interessant is zijn Brief en dichtmatig iets aan den heere J.F. Helmers, bij de uitgave van het eerste deel zijner Gedichten uit 1809, waarin hij de negatieve interpretatie van de Bataafse Revolutie door de dichter Jan Frederik Helmers bekritiseert en zich tegelijk in opvallend positieve bewoording over het Huis van Oranje uitspreekt.

Nadat hij eerder al enige Franse toneelstukken had vertaald, begon Wiselius tijdens de inlijving bij Napoleons keizerrijk zijn eerste eigen treurspel Polydoros te schrijven. Deze in 1812 voltooide tragedie bevat vele verwijzingen naar de vreemde overheersing en werd, na streng door de Franse politie te zijn gecensureerd, in 1813 uitgebracht.

In zijn persoonlijk leven kreeg Wiselius na 1813 met forse tegenslag te kampen. Zijn handelsonderneming lijkt in de Napoleontische tijd veel schade te hebben opgelopen en was waarschijnlijk niet meer toereikend als bron van bestaan. Ingrijpender was het overlijden van zijn echtgenote Suzanna op veertigjarige leeftijd in maart 1813. Hun jongste kind was toen nog geen jaar oud. Vermoedelijk is Wiselius, nadat hij weduwnaar was geworden, weer met zijn kinderen van zijn buiten naar Amsterdam verhuisd. In november 1813 woonde hij in ieder geval op de Kloveniersburgwal, bij de Hoogstraat.

De val van Napoleons regime luidde voor Wiselius een volgende en - ambtelijk gezien - laatste levensfase in. Direct nadat in Amsterdam in november 1813 ongeregeldheden waren uitgebroken, werd hij, mede via Doctrina', bij de omwenteling ingeschakeld om toe te zien op verdachte correspondentie. Op voorspraak van de Amsterdamse hoogleraar in de rechten Joan Melchior Kemper werd Wiselius benoemd tot directeur van Politie te Amsterdam. Na deze functie een kleine maand provisioneel te hebben vervuld, werd hij op 28 januari 1814 officieel aangesteld. Hoewel pragmatische redenen een belangrijke rol speelden om de functie te aanvaarden, was deze voor Wiselius ook principieel aanvaardbaar. Hij was zich bewust van de nationale betekenis van het Oranjehuis en al in zijn 'Doctrina'-lezingen had hij de mogelijkheden van een monarchaal-democratische regeringsvorm gezien. Tegen zijn aanstelling kwam wel kritiek vanuit het Amsterdams patriciaat.

Als directeur van Politie loste Wiselius onder meer in 1819 op vrij spectaculaire wijze een chantagezaak tegen de kroonprins, de latere Willem II, op. Niettemin was zijn politieoptreden in het algemeen weinig opzienbarend. Veel steun kreeg hij van zijn oude vriend Cornelis Felix van Maanen, die tussen 1815 en 1842 vrijwel onafgebroken minister van Justitie was. Dankzij diens protectie kon Wiselius in 1835 aanblijven na een belastingoproer in Amsterdam, waarbij het optreden van de stedelijke autoriteiten aanleiding gaf tot veel kritiek. Het directoraat van Politie in Amsterdam zou Wiselius blijven vervullen totdat hem bij Koninklijk Besluit van 30 juni 1840 op eigen verzoek eervol ontslag werd verleend.

Het was duidelijk dat Wiselius' liefde na 1813 eigenlijk niet bij de politie lag, maar bij zijn literaire werk. Na de Polydoros, na de Franse tijd opgedragen aan Willem I, schreef hij nog zes tragedies, waarbij hij zoveel mogelijk trachtte terug te grijpen op oorspronkelijk, klassiek toneel. Met zijn vernieuwende aanpak zette hij zich af tegen de Romantische interpretatie van toneel en dramaturgie. Als toneelschrijver rekende hij het tot zijn taak het publiek op te voeden. In lijn met zijn streven het Nederlandse toneel op een hoger plan te brengen was ook zijn betrokkenheid bij de oprichting in 1820 van het Genootschap voor Uiterlijke Welsprekendheid in Amsterdam, dat tot doel had jonge toneelspelers te ondersteunen en op te leiden en daarmee de voorloper was van de toneelschool.

Op 21 november 1815 werd Wiselius benoemd tot lid van de Tweede Klasse van het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten; van deze klasse was hij van 1817 tot 1843 tevens secretaris. Als zodanig volgde hij Willem Bilderdijk op van wie hij een groot bewonderaar was en die hij via Valckenaer persoonlijk had leren kennen. Als teken van zijn verering had hij op zijn werkkamer een levensgrote bronzen buste van deze dichter staan.

Behalve toneelwerk publiceerde Wiselius na 1813 ook enige verzenbundels. Was zijn poëzie aanvankelijk lichtvoetig en - naar negentiende-eeuwse begrippen - speels, zijn latere gedichten zijn didactisch, moralistisch en sentimenteel van toon. Opmerkelijk is het gedicht 'Aan mijnen vriend NN zich beklagende over sommige Zuid-Nederlandsche Nieuws- en Dagbladen', dat hij schreef naar aanleiding van de Belgische Opstand en dat in 1833 in zijn Nieuwe Dichtbundel verscheen. Wiselius haalt hierin fel uit naar de Zuid-Nederlandse rebellen en lijkt hiermee wel erg veel afstand te hebben genomen van de vrijheid- en gelijkheidsidealen die hij veertig jaar eerder zelf beleed. Een ernstige belemmering voor zijn schrijverschap was dat hij na 1840 zijn rechterarm niet meer kon gebruiken door een onbekende aandoening.

Wiselius stierf in 1845 op 76-jarige leeftijd na een kort ziekbed in zijn huis op de Nieuwe Herengracht, waarheen hij nog vóór 1824 was verhuisd. Bijna een half jaar na zijn overlijden werd daar zijn omvangrijke bibliotheek met enkele duizenden zeldzame en kostbare banden geveild. Wiselius was zich van zijn historische rol zeer bewust, gezien de grote verzameling met correspondentie en andere documenten, die hij met het oog op een biografie heeft bewaard. In zijn testament wees hij zijn schoonzoon Petrus van Limburg Brouwer, een arts en een vooraanstaand classicus, als zijn biograaf aan.

Was Samuel Iperuszoon Wiselius voor zijn tijdgenoten in de eerste plaats een belangrijk dichter en toneelschrijver, zijn grote belang voor de Nederlandse geschiedenis ligt toch vooral in het werk dat hij als politicus en bestuurder in de jaren direct voor en na de Bataafse omwenteling van 1795 heeft verzet. Als jong Democraat en vurig Unitariër gaf Wiselius een nieuwe en beslissende wending aan de Patriottenbeweging. Hierdoor nationaliseerde de Bataafse revolutie daadwerkelijk en werd het land rijp gemaakt voor de constitutionele monarchie en de representatief-democratische eenheidstaat. Daarbij is de door hem aangelegde collectie van historische stukken van buitengewone betekenis voor de historiografie van zijn tijd. Ook heeft Wiselius belangrijk bestuurlijk werk verricht bij de financiële onttakeling van de VOC. Tot een nieuw revolutionair koloniaal beleid heeft zijn ijveren indertijd echter niet geleid.

Archivalia:
Archief van S.I. Wiselius (1788-1818) in het Nationaal Archief te 's-Gravenhage.

Publicaties:
Naast de in de tekst vermelde publicaties en het uitvoerige, maar onvolledig overzicht in A.J. van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden XX (Haarlem 1877) 329-331 kunnen uit W.P.C. Knuttel,. Catalogus van de pamfletten-verzameling berustende in de Koninklijke Bibliotheek (Utrecht 1978), de volgende pamfletten en verweerschriften worden genoemd: nrs. 227333, 23166, 23167, 23211, 23214, 23170, 23245, 23247 en 23248.

Literatuur:

  • Jacobus Radink en Frederik Muller, Catalogus der voortreffelijke en keurige bibliotheek, ... nagelaten door den hoog-edel gestrengen heer mr. Samuel Iperuszoon Wiselius, al hetwelk verkocht zal worden op Woensdag, den 22en Oct. 1845 en volgende dagen ... [Veilingcatalogus] (Amsterdam 1845).
  • P. van Limburg Brouwer, Het leven van mr. Samuel Iperuszoon Wiselius, beschreven door zijn behuwd zoon (Groningen 1846).
  • S.W.F. Margadant, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek II (Leiden 1912) 1546-1549.
  • H.J. Versteeg, Van schout tot hoofdcommissaris. De politie voorheen en thans (Amsterdam 1925).
  • J.Z. Kannegieter, 'Het belastingoproer te Amsterdam in 1835', in: Amstelodamum 32 (1935) 249-313.
  • H.J. Versteeg, 'De eerste directeur van politie te Amsterdam', in: Historia. Maandschrift voor Geschiedenis en Kunstgeschiedenis 6 (1940) 151-154.
  • C.H.E. de Wit, De strijd tussen aristocratie en democratie in Nederlanden 1780-1848 (Heerlen 1965).
  • G.J. Schutte, De Nederlandse Patriotten en de koloniën. Een onderzoek naar hun denkbeelden en optreden, 1770-1800 (Groningen 1974).
  • Hans de Leeuwe, 'Die Griechendramen des Holländers Wiselius', in: Der theatralische Neoklassizismus um 1800. Ein europäisches Phänomen? Uitgeg. door Roger Bauer [e.a.] (Bern [etc.] 1986) 278-300.
  • Johan Joor, De Adelaar en het Lam. Onrust, opruiing en onwilligheid ten tijde van het Koninkrijk Holland en de Inlijving bij het Franse Keizerrijk (1806-1813) (Amsterdam 2000).
  • Henny Ruitenbeek, Kijkcijfers. De Amsterdamse Schouwburg, 1814-1841 (Hilversum 2002).
  • 'Een kwestie van bevoegdheid. De Amsterdamse politie onder Wiselius', in: Skript. Historisch Tijdschrift 29 (2007).

Portret:
Samuel Iperuszoon Wiselius op jonge leeftijd; kopergravure door Reinier Vinkeles (afgebeeld in: E.S. van Eyck van Heslinga, Van compagnie naar koopvaardij (Amsterdam 1988) 39).

Johan Joor

laatst gewijzigd: 15/02/2016