Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

Wonder, Pieter Christoffel, schilder (Utrecht 10-1-1777 - Amsterdam 12-7-1852). Zoon van Johan Jacob Wonder, ondernemer, en Anna Geertruy Bergfeld. Ongehuwd.

Pieter Wonder werd geboren in Utrecht in een evangelisch-luthers gezin met zes dochters en twee zoons, van wie hij het zesde kind en de jongste zoon was. Zijn vader had een goedlopend leerlooiers- en zeembereidingsbedrijf, en Pieter was voorbestemd hem op te volgen. Hij kreeg daarom ‘ter uitspanning’ niet meer dan wat tekenonderwijs bij de Utrechtse behangsel- en rijtuigschilder Theodorus de Rouver. Voor hem vervaardigde hij tevens gedurende een jaar of twee randen rond behangsels. Dat Pieter talent voor het schilderen had, werd al vroeg onderkend, door onder anderen de gerenommeerde kunstverzamelaar Jean Aarnout Bennet uit Leiden die van hem een werk aankocht.

Aangemoedigd door zijn succes besloot Wonder van het schilderen zijn beroep te maken. Om zich hierin verder te bekwamen tekende hij, zoals hij zelf verwoordde, ‘alle voorwerpen met en zonder kleuren naar het leven maar na’ (geciteerd in: Algra, 9). Ook nam hij deel aan de bijeenkomsten van kunstenaars, schrijvers en musici die plaatsvonden in het huis van de Utrechtse onderwijzer Rijnier Swillens. Hier leerde Wonder onder anderen de dichteres en schrijfster Petronella Moens kennen. Daarnaast werd hij lid van het Utrechtse departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. In 1804 vertrok Wonder – 27 jaar oud – naar Düsseldorf om daar in de beroemde schilderijengalerij van de keurvorst van de Palts de werken van oude meesters als Peter Paul Rubens en Anthony van Dyck te bestuderen en kopiëen. Ook tekende hij daar op de gerenommeerde Kurfürstlich-Pfälzische Academie naar afgietsels uit de klassieke oudheid.

In 1805 keerde Wonder in Utrecht terug, waar hij, evenals zijn plaatsgenoot de schilder Jean Baptiste Kobell, enige tijd lid was van het Schilderscollege. Ontevreden over dit kwijnende genootschap richtten beide kunstenaars in oktober 1807 – samen met de amateurs W.A. Haanebrink, F.C. Knoll en A.J. van Mansvelt – een ‘modern teekengezelschap naar het gekleed model’ op. Het doel van dit gezelschap, dat vanaf 1814 de naam Schilder- en Teekenkundig Genootschap ‘Kunstliefde’ zou dragen, was de beoefening en aanmoediging van de schilder- en tekenkunst voor zowel beroepsbeoefenaars als amateurs. Hiertoe werd één – en vanaf 1813 twee – keer per week een bijeenkomst georganiseerd. Daarbij werd getekend naar gekleed model wat, beter dan de tot dan toe gangbare voorkeur voor het naaktmodel, aansloot bij de moderne schilderstijl die zich richtte op de werken uit de zeventiende eeuw. Nadat Wonder eerst, vanaf 1807, samen met Kobell en later, vanaf 1809, met Van Mansvelt het directeurschap had gedeeld, bleef hij vanaf 1810 als enige directeur over. Hij zou deze functie vervullen tot 1822.

De leden van ‘Kunstliefde’ waren grotendeels afkomstig uit de gegoede burgerij, en van velen van hen of van hun familieleden zou Wonder in de loop der jaren portretten vervaardigen. Bovendien werd hij in 1807 gevraagd de – in Utrecht residerende – nieuwe landscommandeur van de Ridderlijke Duitsche Orde te portretteren, een traditie die hij tot en met 1841 mocht voortzetten. Ook maakte hij een aantal portretten van hoogleraren van de Utrechtse Universiteit. Verder schilderde Wonder in deze periode veel genrestukken en historiestukken met Bijbelse thema’s. Qua schilderstijl richtte hij zich op zeventiende-eeuwse schilders als Gerard Terborch, Pieter de Hooch en Caspar Netscher. Vooral voor de laatstgenoemde had hij veel waardering.

In 1810 exposeerde Wonder voor het eerst op de jaarlijkse openbare ‘Tentoonstelling van Leevende Meesters’ in Amsterdam, met onder meer de allegorische voorstelling De Tijd. In de jaren erna zond hij vooral veel genrestukken en schilderijen met kleine huishoudelijke tafereeltjes in, die goed in de smaak vielen bij het publiek. Vooral zijn natuurgetrouwe weergave van verschillende stoffen oogstte bewondering, en zijn schilderstijl werd vergeleken met grote zeventiende-eeuwse meesters als Johannes Vermeer. Wonders populariteit zorgde ervoor dat ook niet-Utrechters zich door hem lieten vereeuwigen, zoals de dichter Willem Bilderdijk en de letterkundige Hieronymus de Bosch. Tijdens een bezoek aan Dordrecht in 1812 portretteerde hij onder anderen de gebroeders Abraham en Jacob van Strij, die beiden een belangrijke rol speelden in het plaatselijke Teekengenootschap ‘Pictura’. In 1817 won hij de gouden erepenning bij de jaarlijkse wedstrijd van het departement van tekenkunde van de Amsterdamse Maatschappij der Verdiensten onder de zinspreuk ‘Felix Meritis’ met zijn schilderij van een musicerend gezelschap. Uit deze jaren zijn drie leerlingen van Wonder bekend: Willem Pieter Hoevenaar, Abraham Hendrik Winter en Christiaan Kramm.

In 1819 leerde Wonder de welgestelde Schotse kunstverzamelaar sir John Murray kennen, die toen een reis door Nederland maakte en daarbij ook het atelier van Wonder bezocht. Murray was erg onder de indruk van Wonders talent, en tijdens een nieuwe reis in 1823 haalde hij hem over om naar Groot-Brittannië te komen door te wijzen op de zeer gunstige financiële vooruitzichten die hem daar wachtten. Na een korte oriënterende reis in het voorjaar van 1823, vertrok Wonder het jaar daarop naar Londen om zich hier voor onbepaalde tijd te vestigen.

Op introductie van Murray verwierf Wonder in de Britse hoofdstad al snel portretopdrachten van de welgestelde Britse aristocratie. Enkele van zijn portretten werden in 1824 tentoongesteld in de gerenommeerde Royal Academy of Arts. Tussen 1826 en 1831 zouden in het British Institution for Promoting the Fine Arts ook nog eens achttien schilderijen van hem te zien zijn. Daarnaast toonde ook de Londense kunsthandel belangstelling voor Wonders werk. Zo ontving hij in maart 1827 een uitnodiging van de schilder en kunsthandelaar William Armfield Hobday om op een tentoonstelling van levende kunstenaars te exposeren.

Het chef d’oeuvre van Wonders werk in Groot-Brittannië was echter De Kunstgalerij van Murray. Op dit schilderij, dat hij in opdracht van John Murray vervaardigde, werden de belangrijkste schilderijen uit bijzondere kabinetten afgebeeld, terwijl ze worden bewonderd door leden van de Britse aristocratie. Wonder was nog druk bezig met dit werk, toen zijn inmiddels goede vriend Murray in het najaar van 1827 overleed. Tot ongeveer 1830 bleef Wonder aan dit doek werken, waarna het in 1831 in het British Institution werd tentoongesteld. In 1832 keerde Wonder, mogelijk omdat hij zonder zijn beschermheer niet meer in staat was zich van voldoende opdrachten te verzekeren, terug naar zijn geboortestad.

In Utrecht legde Wonder zich toe op het genre dat hij ook in Groot-Brittannië met succes had beoefend, namelijk portretten en gezelschapstukken. Op de ‘Tentoonstelling van Leevende Meesters’ stuurde hij in de jaren dertig hoofdzakelijk dit soort schilderijen in. Stukken die echter – getuige de kritieken in 1838 – niet altijd even enthousiast werden ontvangen. Na zijn terugkeer uit Groot-Brittannië lukte het Wonder namelijk niet aansluiting te vinden bij de nieuwe stromingen in de schilderkunst die in Nederland omstreeks het midden van de negentiende eeuw ontstonden. Hij bleef sterk op de zeventiende-eeuwse schilderkunst gelijkende werk vervaardigen, dat echter steeds meer werd beschouwd als een onvermogen tot originaliteit. Voor Wonder, die zo bepalend was geweest voor de beeldende kunst in Utrecht – en die misschien ook niet vrij was van enige arrogantie ten aanzien van zijn eigen verdiensten – was het moeilijk te verkroppen dat hij aldus aan de zijlijn kwam te staan. Hoewel hij, ondanks zijn leeftijd, productief bleef, nam het aantal opdrachten in de jaren veertig sterk af.

Wat Wonder het meest dwarszat, was dat hij door medekunstenaars ‘als versleten’ werd beschouwd. Zo ervoer hij de recensie van zijn schilderij Vijf wijze en vijf dwaze maagden in De Tijdspiegel (7 (juli 1851) 70) als uitermate kwetsend. Hierin wordt Wonders weergave van de desbetreffende Bijbelpassage (Mattheüs 25:1-13) belachelijk gemaakt als zou hij de Heilige Schrift niet goed hebben verbeeld. Hij trok zich dit bijzonder aan, omdat de kritiek niet zijn schilderkunst betrof, maar eerder een opzettelijke persoonlijke aanval leek.

Dat zijn Schriftkennis werd bekritiseerd moet des te grievender zijn geweest, omdat Wonder al jaren bezig was met het schrijven van een ‘Bijbelsch Tijdregister’, waarin hij de geschiedenis van het christendom beschreef tot aan de Reformatie. Het werk werd in zijn nalatenschap aangetroffen, maar is nooit gepubliceerd. Aan het eind van zijn leven was Wonder steeds meer zijn heil gaan zoeken in het lutherse geloof van zijn jeugd. De negatieve kritieken en de onverschilligheid van zijn omgeving moe probeerde hij nog slechts in het reine te komen met zijn leven en met God. Volgens zijn vriend Adriaan Cock verlangde hij in de laatste jaren van zijn leven geregeld naar de dood.

Wonder raakte in deze jaren ook steeds meer in een sociaal isolement. De schilder die jarenlang een graag geziene gast was geweest, moest constateren dat zijn gezelschap steeds minder op prijs werd gesteld. Mogelijk had dit te maken met zijn onwrikbare principes en strikte lutherse geloofsopvattingen, die aan het eind van zijn leven steeds overheersender werden en waarbij hij het niet naliet kritiek op anderen te uiten. Men zou daarom hebben geprobeerd hem te ontlopen om zo te voorkomen dat zij het slachtoffer werden van zijn uitvallen. Daarbij kwam dat velen van zijn (kunst)vrienden inmiddels waren gestorven. Bovendien overleden de kuiper Bernard Krebber en diens vrouw Geertje van Ede, bij wie Wonder inwoonde en met wie hij nauw contact onderhield, in september 1849 kort na elkaar aan de cholera.

Zijn indruk dat hij miskend werd, zag Wonder eens te meer bevestigd toen hij geen uitnodiging ontving voor de ‘Rembrandtfeesten', die in mei 1852 werden gehouden bij gelegenheid van de onthulling van diens standbeeld in Amsterdam. Slechts enkele weken na deze viering overleed Wonder op 75-jarige leeftijd onverwachts in Amsterdam. Hoezeer Wonder op dat moment uit het publieke leven was verdwenen, blijkt uit het feit dat het Utrechtsch Nieuwsblad in het bericht van zijn overlijden zijn naam verhaspelde tot ‘den heer Wünder’. Veelzeggend was verder dat niemand blijkbaar de moeite nam de eens gevierde schilder in een speciaal in memoriam te herdenken. Dit feit kon zijn vriend en executeur-testamentair Adriaan Cock niet naast zich neerleggen. Hij besloot zelf een korte Levensschets van Wonder te schrijven, die hij in oktober 1852 in Utrecht liet drukken. Bovendien zorgde hij het jaar daarop voor de publicatie van een door Wonder opgestelde Alphabetische lijst van de geboorte- en sterfjaren der voornaamste oude Nederlandsche kunstschilders en beeldhouwers, om daardoor bij het zien van schilderijen, waarop het jaarmerk geteekend is, dadelijk te kunnen afleiden in welken leeftijd zij door den kunstenaar gemaakt zijn (1853).

Pieter Wonder was als schilder een belangrijke vertegenwoordiger van de vroeg negentiende-eeuwse stroming in de schilderkunst die zich volledig richtte op de kunst van de Gouden Eeuw in een poging deze bloeiperiode te doen herleven. Zijn talent lag vooral in het portretteren, waarbij de lichtval en de stofuitdrukking bijzonder opvielen. Ook tot in latere tijd bleef Wonder om zijn specifieke talent een gerenommeerd en gewild kunstenaar. De oriëntatie van zijn werk op de zeventiende eeuw zorgde echter zowel voor zijn aanvankelijke roem als voor zijn uiteindelijke plaats in de vergetelheid.

Archivalia:

  • Een korte autobiografie alsmede enkele brieven van P.C. Wonder in het Rijksprentenkabinet te Amsterdam.
  • Brieven van P.C. Wonder in het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie te ’s-Gravenhage (Collectie Adriaan van der Willigen).

Prestaties:

  • De in de tekst genoemde publicatie.
  • Catalogus van schilderijen [..], fraaije teekeningen [...], lithografiën, grootendeels nagelaten door den beroemden kunstschilder P.C. Wonder [...], Utrecht 6 april 1853. Exemplaar in Museum Boymans Van Beuningen te Rotterdam.
  • Een overzicht van alle bekende door Wonder geschilderde portretten in de onder ‘Literatuur’ genoemde doctoraalscriptie van Algra.

Literatuur:

  • Roeland van Eynden en Adriaan van der Willigen, Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst, sedert de helft der XVIII eeuw, III (Haarlem 1820) 239-242.
  • [John Murray,] Tour in Holland in the year MDCCCXIX (Londen [1824]).
  • [Agnites] Vrolik, Feestrede, uitgesproken den 28. october 1850 in het schilder- en teekengenootschap Kunstliefde te Utrecht (Utrecht 1850) [Exemplaar in Bibiliotheek Universiteit Utrecht].
  • A. Cock, Levensschets van Pieter Christoffel Wonder. Eene bijdrage, aan de nagedachtenis van wijlen dien kunstschilder gewijd (Utrecht 1852).
  • J. van Liefland, ‘Pieter Christoffel Wonder’, Kronijk voor Utrecht’s Beeldende Kunst en Nijverheid 2 (1859) 70-72.
  • Christiaan Kramm, De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters, van den vroegsten tot op onzen tijd VI (Amsterdam 1863) 1884-1886.
  • A.Staring, ‘Een Schots verzamelaar in de Nederlandsche kunst', Oud Holland 42 (1925) 97-108.
  • J.W.C. van Campen, Het genootschap Kunstliefde, 1807-1947 (Utrecht 1947).
  • J.W. Niemeijer, ‘P.C. Wonder in Engeland. Aanvullende gegevens in verband met de compositieschets van sir John Murray's Kunstgalerij in het Rijksprentenkabinet’, Bulletin van het Rijksmuseum 13 (1965) nr. 3, 115-123.
  • Annemieke Hoogenboom, De stand des kunstenaars. De positie van kunstschilders in Nederland in de eerste helft van de negentiende eeuw (Leiden 1993).
  • Wiepke Loos, ‘Pieter Christoffel Wonder (1777- 1852), De Tijd’, De Negentiende eeuw 17 (1993) 97-99.
  • Margreet Algra,Pieter Christoffel Wonder (1777-1852). Een Utrechtse kunstenaar en zijn milieu (doctoraalscriptie vakgroep Kunstgeschiedenis Universiteit Utrecht 1997).
  • Jaap Röell, ‘De beeldende kunst beoefenen en kunstzin verspreiden’, Oud-Utrecht 80 (2007) nr. 2, 18-22.

Portret:
Zelfportret, ets (omstreeks 1814); Collectie Centraal Museum te Utrecht (beschikbaar via: Beeldbank Het Utrechts Archief).

Mariska Vonk

laatst gewijzigd: 12/11/2013