Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

ZOUTMAN, Johan Arnold, marineofficier (Huize ‘Kantwijk’ bij Reeuwijk 10-5-1724 – ’s-Gravenhage 7-5-1793). Zoon van Johan Arnold Zoutman, procureur, en Anna Margaretha van Petcum. Gehuwd op 26-9-1768 met Adriana Johanna van Heusden (1741-1800). Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren.

Johan Arnold Zoutman is de meest onwaarschijnlijke zeeheld die de Republiek der Verenigde Nederlanden heeft gekend. Zijn wieg stond alvast ver weg van de zee: hij werd geboren op Huize ‘Kantwijk’ – later ‘Doeslust’ genaamd – nabij Reeuwijk onder Gouda. Zijn vader en diens enige broer Dirk bekleedden beide het ambt van advocaat en procureur voor het Hof van Holland en Zeeland. Het sociale milieu van het gezin laat zich kenmerken als gegoed en met een professionele inslag. Waarom Johan, met zijn redelijk deftige achtergrond, voor de zee koos, is onbekend maar het is wel kenmerkend voor de achtergrond van vele zeeofficieren in de loop van de achttiende eeuw.

In 1736 trad Zoutman op twaalfjarige leeftijd als adelborst in dienst bij de Admiraliteit te Amsterdam. Na drie reizen te hebben gemaakt werd hij in 1742 op achttienjarige leeftijd eerst luitenant en vier jaar later kapitein. In 1744 maakte hij een merkwaardig incident mee op volle zee met Franse schepen, waarbij het bijna tot een gevecht kwam en hij samen met anderen korte tijd gevangen werd gehouden. Vanaf 1747 volgden enkele aanstellingen als commandeur. Vermoedelijk legde Zoutman in 1749 een navigatie-examen af. In 1750 benoemde stadhouder Willem IV hem tot extraordinaris kapitein-ter-zee, wat inhield dat hij voortaan tweede kapitein was op een schip. Op zijn eerste reis als zodanig schreef hij zijn scheepsjournaal gedeeltelijk vol met allerlei aantekeningen omtrent de navigatie, als bewijs van zijn kennis en  kunde. Toen tijdens de volgende reis de kapitein van het schip waarop hij voer, in februari 1753 in de Spaanse zee overleed, nam Zoutman het commando over.

In de achttiende eeuw bestond het werk op de Staatse vloot vooral uit veel routinewerk, in het bijzonder het konvooieren van koopvaarders in het Kanaal, rond de Middellandse Zee en in de West. In de overzeese havens moest verder vooral contact worden onderhouden met plaatselijke consuls. Zoutman doorliep geruisloos de gebruikelijke rangen en diende onder verscheidene officieren als Adriaan Roemer Vlacq en Adriaan van der Does, alvorens in 1760 tot kapitein-ter-zee te worden bevorderd.

Over Zoutmans privéleven is weinig bekend. Aangezien de meeste zeereizen al gauw één tot twee jaar duurden, was hij langdurig van huis. Hij was in ieder geval vrijmetselaar en trad in 1758 toe tot de Haagse loge. In 1767 kocht hij hier een groot patriciërshuis inclusief koetshuis aan de Prinsegracht voor 16.000 gulden. Het volgende jaar trouwde hij op 44-jarige leeftijd in Geertruidenberg met Adriana Johanna van Heusden, de dochter van de plaatselijke rentmeester van de domeinen en van de geestelijke goederen Waltherus van Heusden. Haagse hofconnecties bezorgden hem vermoedelijk zijn bruid: Geertruidenberg was immers bezit van de Oranjes, terwijl de toenmalige prins van Oranje, Willem V, tevens admiraal-generaal van de vloot was. Het echtpaar zou tussen 1769 en 1780 in totaal zes kinderen krijgen.

Zoutman was als marineofficier behoudend van aard en iemand van de oude stempel. Met het vorderen der jaren nam het belang van zijn commando’s toe. Van 26 juli 1770 tot 27 april 1772 diende hij als kapitein op het linieschip ‘Nassau Weilburg’ en voerde hij het bevel over een eskader naar de Middellandse Zee om onderhandelingen te voeren met de Dey van Algiers, in het bijzonder over de overlast door zeerovers. Vervolgens kwam hij pas eind 1776 weer in actie, toen hij het commando over het linieschip ‘Bellona’ overnam van kapitein Lodewijk graaf van Bylandt-Halt. Ruim een jaar later werd Zoutman bevorderd tot schout-bij-nacht titulair. Van 20 januari 1780 tot 1 mei 1782 voerde hij het bevel op het linieschip ‘Admiraal de Ruyter’, met als kapitein Anthonis Staring.

Na decennia van betrekkelijke rust geraakte de Republiek op 20 december 1780 weer in oorlog met Groot-Brittannië. De Vierde Engelse Oorlog had voor de Staatse vloot een ongelukkig begin door onenigheid over de inzet, waarna zij vooral werkeloos toe moest kijken. In de vroege ochtend van zondag 5 augustus 1781 werd door een Staats eskader ten zuidoosten van Texel een Brits konvooi waargenomen dat onderweg was vanuit de Sont. De schepen werden door opperbevelhebber Zoutman onmiddellijk gevechtsklaar gemaakt en in gevechtslinie geformeerd. Een eskader van zeven Britse oorlogsschepen, onder leiding van vice-admiraal Hyde Parker, scheidde zich af en voer op de Staatse oorlogsschepen aan om hen de loef af te snijden. De Hollanders waren met een gelijk aantal schepen, maar minder zwaar bewapend. Op het laatste moment ontstond nog enige verwarring in de Staatse gelederen over de juiste gevechtsorders. Aldus begon voor Zoutman, na bijna een halve eeuw van actieve dienst, zijn eerste zeeslag.

Het liniegevecht begon om kwart voor acht ’s ochtends en duurde zo’n vier uur tot even voor twaalf, toen Parker met zijn schepen afhield. Hij deed dit in de eerste plaats wegens noodzakelijke inspectie van de opgelopen schade die zo groot bleek dat hervatting van het gevecht onmogelijk was. Het was een hevig en bloedig gevecht geweest. Zoutmans schip de ‘Admiraal de Ruyter’ was zelfs door twee schepen aanhoudend onder vuur genomen. Dit bleek ook uit het hoge dodental aan boord: de Britten hadden in totaal 104 doden en 339 gewonden, bijna evenveel (366) als aan Staatse zijde. Zoutman berichtte dat ook zijn schepen nauwelijks meer konden manoeuvreren en inmiddels buiten staat van verdediging waren geraakt; het oponthoud kwam dan ook geen moment te vroeg. De Hollanders bleven, na eerst een half uur in afwachting op hun plaats te hebben gedreven, nog drie uur benedenwinds van de vijand liggen om het tuig te repareren, alvorens terug te keren naar Texel.

Binnen enkele dagen arriveerden de eerste berichten over het gevecht in de Republiek. De zeeslag werd onmiddellijk als een grote triomf opgevat, hoewel er in werkelijkheid eerder sprake was van een onbesliste strijd. Zoutman had, zoals hij het gevecht omschreef aan zijn vrouw, ‘goed spel gespeeld’. Hoewel men in tactisch opzicht niet geheel foutloos had gehandeld, was er aan Staatse zijde vooral dapperheid getoond. In strategisch opzicht had men de doorgang van het Britse konvooi echter niet weten te verhinderen, terwijl men zelf ook terug in de havens moest.

De slag bij de Doggersbank zorgde voor een enorme geestdrift onder de bevolking. Nooit eerder in het land werd een zeeslag – en de helden – zo uitvoerig herdacht. Op voorstel van stadhouder Willem V kregen alle opvarenden bij wijze van bonus twee maanden traktement. Zoutman werd direct benoemd tot vice-admiraal van Holland en West-Friesland; de drie oudst aanwezige kapiteins werden allen bevorderd tot schout-bij-nacht. Als verder eerbewijs voor zijn leiderschap kreeg Zoutman namens de Staten-Generaal een gouden gedenkpenning hangende aan een gouden keten ter waarde van 1.300 gulden. Van de Stadhouder ontving hij een gouden degen.

Zoutman werd in tal van lofdichten en andere publicaties als een nationale held vereerd. Tevens zag hij zijn naam terugkeren op allerlei voorwerpen. Desondanks was er ook kritiek op zijn functioneren. Het weinig krachtdadige optreden eind 1782 bij de mislukte expeditie naar Brest om de Franse bondgenoot te ondersteunen – een plan waarvan Zoutman overigens vanaf het begin een tegenstander was – leidde er tevens toe dat de Patriotten steeds meer openlijke kritiek op de falende marineleiding gingen uiten. In een periode met een tekort aan heldendaden probeerde Willem V ondertussen politieke munt te slaan uit de populariteit van de vice-admiraal en de andere ‘Doggersbankhelden’. In maart 1782 werd Zoutman aangesteld als kapitein van een compagnie onder het tweede bataljon van het Regiment Mariniers van luitenant-admiraal Willem baron van Wassenaar. In datzelfde jaar zag hij zich bovendien benoemd tot een van de vijf leden van de Geheime Raad voor Marinezaken, een nieuw gecreëerde adviesraad voor de Stadhouder om de groeiende (politieke) problemen rond de Staatse vloot te verhelpen.

In december 1783 liet Willem V Zoutman polsen of hij er iets voor voelde om, na het recente overlijden van Van Wassenaar, luitenant-admiraal te worden. Hij wees het aanbod na enige bedenktijd af uit eerbied voor de oudere vlagofficieren, van wie hij er verscheidenen nog zelf had gediend. Zoutman betoonde zich daarmee, behalve een bescheiden man – zo verontschuldigt hij zich voor ‘mijne eenvoudige denkwijze en schrijfstijl’ – eveneens een typische representant van de heersende anciënniteitgedachte bij de marine. Hij wilde, zoals hij het zelf verwoordde, geen ‘beweegende oorzaak’ zijn van enig ongenoegen onder het officierskorps.

Met Zoutmans gezondheid ging het daarna steeds minder: jicht maakte zijn gevorderde levensjaren tot een min of meer dagelijkse kwelling. Van actieve dienst kon in elk geval geen sprake meer zijn. Door zijn traagheid stond de vice-admiraal in kleine kring inmiddels ook wel bekend als ‘Zoutzak’. Toch bleef de Stadhouder zinnen op een mogelijkheid om hem te bevorderen. In 1784 werd hij nominaal toegevoegd aan de Admiraliteit te Rotterdam, opdat hij het traktement van de overleden luitenant-admiraal à 2.400 gulden als jaarlijks pensioen zou kunnen ontvangen. Dit pensioen gold zijn leven lang en ging met terugwerkende kracht in op 5 augustus 1781 ‘op welken dag de voorsz. fameuse actie is voorgevallen’. Begin 1791 werd Zoutman benoemd tot extraordinaris luitenant-admiraal. Pas twee jaar later zou hij ook het bijbehorend traktement ontvangen, na het overlijden van Lodewijk graaf van Bylandt-Halt. Tevens kreeg hij toen het bevel over het nieuw opgerichte korps scheepsartilleristen. Dit commando wees hij echter af vanwege zijn slechte gezondheid. In zijn ogen was een actief vlagofficier daarvoor veel beter geschikt.

Johan Arnold Zoutman overleed in 1793 op 69-jarige leeftijd in Den Haag; een week later werd hij bijgezet in het familiegraf van zijn vrouw in de Groote Kerk te Geertruidenberg. Het ultieme eerbetoon voor een zeeheld, een grafmonument, bleef aanvankelijk voor hem achterwege. Ruim een halve eeuw later, in 1846, werd in de Groote Kerk alsnog een gedenkteken geplaatst namens het lokale departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Zoutmans naam en roem bleven aldus voortbestaan, ook al raakte de persoon langzaam vergeten. Met zijn eenmalige wapenfeit gaf Zoutman uiteindelijk vooral de aanzet tot een herwaardering van een grootser, maritiem verleden.


Archivalia:
  • Archief van J.A. Zoutman (1701) 1737-1793 in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage.
  • Verzameling Zoutman in het Archief van de Admiraliteitscolleges in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage.

Literatuur:
  • J.C. de Jonge, Geschiedenis van het Nederlandsche zeewezen IV (Haarlem 1861).
  • J. Huges, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek V (Leiden 1921) 1177.
  • R.B. Prud’homme van Reine, ‘Johan Arnold Zoutman (1724-1793), een Haagse zeeheld’, Ons Den Haag Gister en Vandaag  4 (1987) 54-55.
  • S.A. Vervoort, ‘Bekende Reeuwijkers (1) Admiraal Johan Arnold Zoutman’, Reeuwijkse Reeks 1 (1989) 25-29.
  • R.B. Prud’homme van Reine, Jan Hendrik van Kinsbergen 1735-1819 admiraal en filantroop (Amsterdam 1990).
  • Thea Roodhuyzen, In woelig vaarwater. Marineofficieren in de jaren 1779-1802 (Amsterdam 1998).
  • Nico Habermehl, Joan Cornelis van der Hoop (1742-1825). Marinebestuurder voor stadhouder Willem V en koning Willem I (Amsterdam 2000).
  • Jaap de Haan, ‘De slag bij de Doggersbank (1781)’, in: Verzameld Verleden: veertig gedenkwaardige momenten en figuren uit de vaderlandse geschiedenis. Onder red. van Els Kloek (Hilversum 2004) 104-107.

Portret:
Johan Arnold Zoutman als vice-admiraal; olieverf op doek (1801) door Cornelis van Cuylenburg (detail); Collectie Rijksmuseum te Amsterdam.

Otto van der Meij

laatst gewijzigd: 12/11/2013