Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

BROEK, Joachim George le Sage ten, rooms-katholiek emancipator, journalist en publicist (Groningen 27-11-1775 - Grave 11-07-1847). Zoon van Johannes Jacobus le Sage ten Broek, gereformeerd predikant en hoogleraar, en Anna van Brievingh. Gehuwd op 3-9-1800 met Wilhelmina van Lil (1778-1853). Dit huwelijk bleef kinderloos. Het echtpaar had 1 adoptiefzoon.

Joachim le Sage ten Broek werd geboren in Groningen als oudste van twee kinderen van een hoogleraar filosofie aan de universiteit aldaar. In oktober 1777 verruilde laatstgenoemde zijn academische werkkring voor het ambt van gereformeerd predikant in Rotterdam, waarin hij in februari 1778 werd bevestigd; hij werd hier tevens hoogleraar aan de Illustre School. In de politieke twisten van de jaren tachtig tussen Oranjegezinden en Patriotten schaarde Ten Broek senior zich aan de zijde van de hervormingsgezinden. Toen deze partij in september 1787 het onderspit dolf, werd hij uit zijn bediening ontzet en vertrok hij - uit vrees voor een anti-Patriotse reactie - naar Antwerpen, waar hij in de lokale gereformeerde schuilkerk de predikdienst waarnam. Zijn twee zoons Joachim en de twee jaar jongere Hendrik Willem gingen met hem mee, terwijl zijn echtgenote Anna om onduidelijke redenen in Rotterdam achterbleef. In Antwerpen zou Joachim teken- en schilderlessen volgen bij de landschapsschilder Balthasar-Paul Ommeganck.

Na de Bataafse Omwenteling keerde vader Ten Broek in het voorjaar van 1795 terug naar Rotterdam, waar hij weer als predikant werd aangesteld en zijn zoons zich konden herenigen met hun moeder. Joachim koos in hetzelfde jaar, tegen de zin van zijn vader, voor de rechtenstudie bij een niet nader bekende rechtsgeleerde in Rotterdam. Nog voor voltooiing hiervan dertien jaar later, trouwde hij in 1800 met Wilhelmina, weesdochter van een Rotterdamse handelaar. Ten Broek probeerde in deze tijd als dichter door te breken, maar aan zijn letterkundige aspiraties kwam snel een einde bij gebrek aan succes. In 1808 legde hij het notarisexamen af en opende hij in Rotterdam een eigen praktijk.

In deze jaren maakte Ten Broek een diepe geloofscrisis door en in augustus 1806 bekeerde hij zich in de Rotterdamse Sint-Rosaliakerk tot het rooms-katholicisme. De exacte doopdatum is niet bekend. De oorzaak van deze crisis is onduidelijk. Onder invloed van de geschriften van de zeventiende-eeuwse Franse bisschop Jacques Bénigne Bossuet, verwees hij weleens naar de onderlinge theologische verschillen binnen de protestantse kerken, die hij niet goed te rijmen vond met de Waarheid, waarnaar hij op zoek was. Zeker is echter dat hij zich pas na 1800 in Rotterdam in het rooms-katholicisme verdiepte onder begeleiding van een franciscanenpater.

In 1814 vroeg Ten Broek overplaatsing als notaris naar Naaldwijk aan koning Willem I, die dit verzoek inwilligde. Als woonplaats kozen hij en zijn vrouw het nabijgelegen Poeldijk. Zijn naam raakte kort daarna in opspraak door enkele onzorgvuldig opgestelde akten die ongeldig werden verklaard. Grote gevolgen voor zijn praktijk had dit incident niet, maar in enkele polemische geschriften werd zijn bekering wel toegeschreven aan de noodzaak zijn geweten te sussen. In dezelfde periode - mogelijk als reactie hierop - besloot hij zich nadrukkelijk als rooms-katholiek in het openbare leven te manifesteren.

In het voorjaar van 1816 gaf Ten Broek De Voortreffelijkheid van de Leer der Roomsch-Katholijke Kerk uit. Doel van dit apologetische werk was protestanten te overtuigen dat de Bijbel alleen onder leiding van het gezag van de Kerk van Rome juist was te interpreteren. Deze brochure ontketende een ware pamflettenoorlog met tientallen geschriften vóór en tegen zijn stellingen. Auteurs hiervan waren uiteraard theologen uit beide kampen, onder wie enkele priesters en Ten Broeks broer Hendrik Willem, gereformeerd predikant te Haamstede - met wie de verhouding nooit meer goed zou komen - maar ook de dichter Willem Bilderdijk. Deze verdedigde in Een Protestant aan zijne medeprotestanten (1816) de leer van de 'Soli Scriptura' (: alleen de Heilige Schrift) tegen Ten Broeks opvattingen rond het kerkelijke onfeilbare gezag. In de eerste helft van 1817 kwam de storm tot bedaren, maar Ten Broeks naam raakte voorgoed verbonden met de strijd ter bevordering van de katholieke zaak.

Ten Broek presenteerde zich graag als een vastberaden, maar vredelievende man, en in zijn stukken zijn vaak vriendelijke woorden te vinden voor zijn tegenstanders. Toch kon zijn toon behoorlijk fel worden, en hij nam doorgaans geen blad voor de mond, vooral niet wanneer hij aanvallen op geestelijken of op de katholieke leer meende te moeten ontkrachten. In 1818 - het jaar waarin hij en zijn vrouw naar Loosduinen bij Den Haag verhuisden - richtte Ten Broek het maandblad De Godsdienstvriend. Tijdschrift voor Roomsch-Catholijken op. Deze periodiek kon snel op veel bijval rekenen en maakte hem definitief in heel Nederland bekend. De naam van het blad was geïnspireerd op het in 1814 opgerichte Franse katholieke orgaan L'Ami de la Religion et du Roi, dat ook in Nederland bekend was. Andere bladen die hij in de jaren twintig oprichtte - waaronder de tweemaal per week verschijnende Roomsch-Catholijke Courant (1822-1823), de eerste katholieke krant van Nederland - bleken alle van korte duur.

In De Godsdienstvriend richtte Ten Broek zijn pijlen vooral op het protestantisme en het rationalisme. Tegelijkertijd probeerde hij in zijn krant ook het gemeenschapsgevoel onder Nederlandse katholieken te versterken, voornamelijk door gedetailleerd te berichten over het katholieke leven in het land, zoals religieuze feesten, bekeringen, kerkwijdingen etc. Hiervoor kon hij rekenen op een omvangrijk netwerk van informanten en correspondenten, grotendeels geestelijken, in heel het land. Ook de geschiedenis van het 'gouden tijdperk' van het katholicisme - de Middeleeuwen - kwam aan bod in een aantal stukken over oude kloosters en kerken. Het anti-katholieke geweld tijdens de Opstand - met als bekendste voorbeeld de Martelaren van Gorcum, die in 1572 om hun geloof door de watergeuzen waren vermoord - bleef evenmin onvermeld.

Ten Broek aarzelde niet om in De Godsdienstvriend politieke meningen vanuit een katholiek standpunt te uiten. Vooral de maatschappelijke positie van zijn medegelovigen was hem een doorn in het oog. Ondanks de in de grondwet opgenomen godsdienstvrijheid bleven de katholieken in het openbare leven van de Noordelijke Nederlanden sterk gemarginaliseerd. De boosdoener was in zijn ogen niet koning Willem I zelf, die Ten Broek steeds als de 'goede huisvader' afschilderde, maar met name Cornelis Felix van Maanen, van 1815 tot en met 1842 minister van Justitie, die de vorst slecht zou adviseren in zijn kerkelijke politiek. Met lede ogen zag Ten Broek hoe het concordaat van 1827 door de Nederlandse regering nooit werd uitgevoerd. In die jaren protesteerde hij tevens tegen de oprichting in 1825 van een staatsopleiding voor priesters in de vorm van het Collegium Philosophicum te Leuven.

Ten Broeks engagement beperkte zich niet tot zijn publicaties. Zo had hij in 1820 een Roomsch-Catholijke Maatschappij van godsdienstige Wetenschap en goede Zeden voor het Koninkrijk der Nederlanden opgericht ter verspreiding van katholieke - vooral devotionele - literatuur. Voor deze tegenhanger van de als te protestants beschouwde Maatschappij tot Nut van 't Algemeen werden contacten gelegd in Zuid-Nederland, zowel met geestelijken als met gewone gelovigen, in de hoop een nationaal katholiek front te vormen. Aangezien de Maatschappij niet de door de regering vereiste erkenning bezat, zou zij in 1823 worden verboden. In 1822 opende Ten Broek op het landgoed 'Meer en Bosch' bij Loosduinen een gelijknamig Kindergesticht, waar arme en verlaten kinderen een katholieke opvoeding konden krijgen. Ook dit initiatief, waarvoor Ten Broek evenmin een officiële erkenning had gevraagd, werd door de overheid met veel wantrouwen bekeken. Het Kindergesticht zou in 1830 door gebrek aan fondsen zijn deuren sluiten.

Door zijn activisme raakte Ten Broek hoe dan ook bij vele katholieke geestelijken bekend. Hij onderhield vriendschappelijke contacten met Aloysius Ciamberlani, de door de Paus aangestelde vice-superior van de Hollandsche Missie, en de aartspriesters Jacobus Cramer van Holland en Zeeland en Gerrit van Nooy van Utrecht, die hem geregeld adviseerden en steunden, zij het achter de schermen om aanvaringen met de overheid te voorkomen. Ook de samenwerking met de Haagse drukkerij van de Gebroeders Langenhuijsen verdient vermelding, omdat hier Ten Broeks publicaties uit de jaren twintig het licht zagen. Met de Antwerpse priesters Jan-Baptist Buelens en Peter Jozef Visschers correspondeerde hij intensief. De eerste werd betrokken bij de Roomsch-Catholijke Maatschappij en met de tweede besprak Ten Broek eind jaren 1820 zijn mogelijke verhuizing naar Antwerpen, een plan dat uiteindelijk niet doorging. Deze contacten verwaterden overigens na de afscheiding van België in 1830.

Ten Broek had geen theologische opleiding gevolgd. Als autodidact ontleende hij zijn kennis vooral aan de katholieke bestsellers van zijn tijd. Hij las het maandblad Der Katholik dat in 1821 in Mainz was opgericht door onder anderen Andreas Räss, de later bisschop van Straatsburg. Uit het Frans vertaalde hij uittreksels uit de werken van de Franse traditionalist Louis de Bonald en de ultramontaan Joseph de Maistre. Van grote invloed was ook de populaire ultramontaanse Franse priester Félicité Robert de Lamennais, de geestelijke vader van het liberaal-katholicisme. Ten Broek profileerde zichzelf graag als ultramontaan. Geïnspireerd door Lamennais verklaarde hij zich een voorstander van een totale autonomie voor de rooms-katholieke Kerk, onder leiding van de Paus. Deze autonomie moest bestaan uit een brede in de grondwet vast te leggen godsdienst- en onderwijsvrijheid en kon worden bereikt door het mobiliseren van clerus en gelovigen.

Ten Broeks pleidooien voor een zelfstandige organisatie van katholieke initiatieven werden in regeringskringen met argusogen gevolgd. Vooral de ultramontaanse idee dat er een onafhankelijke macht - de Kerk - naast de Staat bestond, werd als 'staatsgevaarlijk' bestempeld. Na een eerste poging tot strafvervolging in 1822, werd vijf jaar later een nieuwe procedure tegen hem begonnen wegens enkele van zijn artikelen in De Godsdienstvriend. Tot een proces kwam het niet, wel tot een drie maanden durende voorhechtenis, van 23 augustus tot 24 november 1827, in Den Haag. Deze ervaring had ernstige gevolgen voor Ten Broeks fysieke gesteldheid. Zijn gezichtsvermogen nam al enige tijd af, maar het harde hechtenisregime bleek voor zijn ogen funest. Na zijn vrijlating was het lichaam van de inmiddels 52-jarige Ten Broek gebroken en was hij nagenoeg blind. Uiteindelijk zag hij zich, na een jaar verlof, in december 1829 gedwongen het notarisambt neer te leggen.

Al snel bleek echter Ten Broeks geest nog altijd even strijdlustig. Inmiddels in 1828 van Loosduinen naar Beers, in Noordoost-Brabant verhuisd, kon hij zich geheel en al richten op het bevorderen van de katholieke zaak. Hij werd hierbij geholpen door Josué Witz, die Ten Broek in 1826 als elfjarig pleegkind had aangenomen en die door hem zelf was onderwezen en gevormd; in 1838 adopteerde hij hem officieel als zijn zoon. De jongen maakte het hem mogelijk ondanks zijn handicap en ouderdomskwalen op volle kracht te blijven werken. Witz hielp met het redactie- en drukwerk maar ook met het voorlezen van de binnenkomende bladen en de correspondentie. Ten Broek kon verder rekenen op de steun van zijn vrouw, die hem steeds terzijdestond. Details over de echtelijke verhoudingen ontbreken weliswaar, maar het is bekend dat Wilhelmina altijd protestant bleef en daarom niet persoonlijk betrokken raakte bij het redactiewerk van haar man.

Bij zijn eerste optreden als voltijds strijder voor de rooms-katholieke zaak kreeg Ten Broek het opnieuw aan de stok met de protestantse dichters Bilderdijk en Isaäc da Costa. Eerstgenoemde had bij herhaling erkend dat het katholicisme enkele aspecten van het oorspronkelijke christendom in zich had bewaard. Bovendien had hij samen met Da Costa meermaals de rationalistische 'tijdgeest' gelaakt, die ook in de protestantse leer steeds meer voet aan de grond kreeg. In deze opstelling meende de gedreven Ten Broek een lichtpunt van twijfel in het protestantse geloof van de twee mannen te bespeuren. In zijn Brief aan mr. W. Bilderdijk van J.G. Le Sage ten Broek en zijn Brief aan mr. W.[sic] da Costa, beide uit 1829, nodigde hij hen uit het katholicisme te omarmen. De grote dichter en zijn leerling wezen de poging van de katholieke polemist echter resoluut af. Na het obligate tegenantwoord in de Tweede brief van J.G. Le Sage ten Broek aan mr. W. Bilderdijk uit 1830 werd de polemiek niet voortgezet. De teleurstelling van Ten Broek was eens te meer groot.

Terzelfder tijd spande Ten Broek zich in om de petities die in 1828-1830 in Zuid-Nederland in groten getale werden opgesteld om grondwetshervormingen te eisen ook in Noord-Nederland te verspreiden. Een aantal vooraanstaande katholieken - onder wie de Leidenaar Cornelis van Bommel, vanaf 1829 bisschop van Luik - speelde hierin een belangrijke rol. Bovendien was het petitierecht in de grondwet erkend. Dit waren voor Ten Broek allemaal redenen de protesten als volledig geoorloofd te beschouwen. Het uitbreken van de Belgische Revolutie in 1830 moest hij echter veroordelen, aangezien goede katholieken het gevestigde gezag nooit mochten omverwerpen. Ten Broeks begrip voor de protesten bleef niettemin groot. Na 1830 begon hij steeds nadrukkelijker voor een grondwetswijziging te pleiten. Tevens wees hij het in 1827 gesloten - maar door de regering nooit uitgevoerde - concordaat af als een poging van de regering om in kerkelijke zaken een vinger in de pap te houden. Verder pleitte hij voor de invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid en een nieuw kiesstelsel, die beide de willekeur van de regering dienden in te perken.

In 1831 staakte Ten Broek de samenwerking met de Gebroeders Van Langenhuijsen. Om zijn geschriften sneller en goedkoper te kunnen uitgeven begon hij zijn eigen drukkerij in Grave, waar hij zich een jaar tevoren had gevestigd in de Begijnenstraat en waar hij tot zijn dood zou blijven wonen. Zijn pleegzoon bleek ook in deze fase van onschatbare betekenis. De werkplaats kreeg in 1840 zelfs de naam 'Drukkerij Josué Witz'.

In de drukkerij te Grave kwam - naast De Godsdienstvriend - in 1835 ook de eerste aflevering van het weekblad Catholijke Nederlandsche Stemmen over Godsdienst, Staat-, Geschied- en Letterkunde van de persen. Doel van dit blad was de rooms-katholieke leer en Kerk te verdedigen tegen aanvallen in de protestantse periodieken. Met name Da Costa's Nederlandsche Stemmen over Godsdienst, Staat-, Geschied- en Letterkunde had Ten Broeks titelkeuze geïnspireerd: 'Nederlands' mocht van hem per se geen synoniem van 'protestants' zijn. Naast het gebruikelijke pleidooi voor een vergaande grondwetswijziging en de hoop dat deze door de nieuwe koning Willem II (1840-1849) zou worden doorgevoerd, ruimde de Catholijke Nederlandsche Stemmen veel plaats in voor de internationale actualiteit. Daartoe bouwde Ten Broek een steeds groter wordend internationaal netwerk van correspondenten op. Voormannen van het liberaal-katholicisme in Frankrijk als Charles de Montalembert en de dominicanerpater Henri Lacordaire, de al genoemde Räss en de Britse Passionistenpater Ignatius Spencer behoorden tot zijn buitenlandse contacten. Daarnaast stond hij in verbinding met Nederlandse geestelijken in het buitenland - vooral missionarissen - en de redactie van katholieke bladen in geheel Europa. In 1838 ontving Ten Broek een aanmoedigingsbrief van paus Gregorius XVI, die zowel in De Godsdienstvriend als in de Catholijke Nederlandsche Stemmen werd afgedrukt.

Met de oprichting van De Katholiek. Godsdienstig, Geschied- en Letterkundig Maandschriftin 1842, de Bossche Noord-Brabander in 1829 en de Amsterdamse krant De Tijd. Godsdienstig-staatkundig Dagblad in 1845 kreeg Ten Broek er in zijn latere jaren niet alleen nieuwe medestrijders bij, maar ook concurrenten. Deze nieuwe initiatieven droegen het stempel van een jongere generatie katholieken, die vooral in de provincie Holland actief was. De in Noord-Brabant uitgegeven publicaties van Ten Broek, die in de loop der tijd weinig in structuur, inhoud en toon waren veranderd, boetten dan ook gestaag aan belang en invloed in.

In de zomer van 1847 overleed Joachim le Sage ten Broek op 71-jarige leeftijd, als gevolg van een beroerte. Daarna zette Witz De Godsdienstvriend en de Catholijke Nederlandsche Stemmen nog ruim twee decennia voort, maar bepalend voor het Nederlandse rooms-katholicisme waren deze bladen niet meer. Ten Broeks werk was echter niet tevergeefs geweest. Volgende generaties katholieken hebben zich onmiskenbaar Ten Broeks strijdpunten - godsdienst- en onderwijsvrijheid, belang van de pers, ontkrachting van de gelijkstelling Nederlands-protestants, contacten met België als katholieke bakermat van de Nederlanden - eigengemaakt. Om die reden werd de als protestant geboren Le Sage ten Broek door hen hun 'eerste emancipator' genoemd.

Archivalia:

Slechts zeer weinig archivalia over of van J.G. le Sage ten Broek zijn bewaard gebleven, in het bijzonder:
  • Correspondentie en documenten betreffende de Roomsch-Catholijke Maatschappij (inv.nrs. 1553, 2081 en 2508) in het archief van de Aartspriesters Hollandse Zending in het Utrechts Archief te Utrecht. [inventaris]
  • Correspondentie Peter Jozef Visschers (inschr.nrs. 18654/9, 10 en 11) in het Letterenhuis (voorheen Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven) te Antwerpen (België). [inventaris]
  • Dossier J.G. le Sage ten Broek Archief (Doos 42) in het Archief van het Bisdom ’s-Hertogenbosch.

Publicaties:

  • Een volledige bibliografie van J.G. le Sage ten Broek in de onder 'Literatuur' genoemde publicaties van Visschers (1857), 61-63 en Gorris (1949) II, 385-387.

Literatuur:

  • P.J. Visschers, Brieven, herinneringen, en gelegenheids-stukjes (Antwerpen 1856).
  • P.J. Visschers,'Ter nagedachtenis van den wedelachtbaren en geleerden heer Joachim Georgius le Sage ten Broek', in De Godsdienstvriend (1857) nr. 78, 1-29 en 49-75.
  • L.J. Sicking, Joachim George le Sage ten Broek (Nijmegen 1913).
  • J. Kleijntjens, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek VI (Leiden 1924) 207-209.
  • F.J.J.C. Vrijmoed, Lamennais avant sa défection et la Néerlande catholique (Parijs [etc.] 1930).
  • F. de Kock, De gevangenschap van Le Sage en zijn strijd voor de Kerk (Heiloo 1937).
  • A. Mulders [e.a.], Le Sage ten Broek, de katholieke emancipator ('s-Hertogenbosch 1948).
  • G.W.C. Gorris, J.G. Le Sage ten Broek en de eerste faze van de emancipatie der katholieken (2 dln.; Amsterdam 1947-1949).
  • L.J. Rogier en N. de Rooy, In vrijheid herboren, 1853-1953 ('s-Gravenhage 1953).
  • A.F. Manning, De betekenis van C.R.A. van Bommel voor de Noordelijke Nederlanden (Utrecht 1956).
  • J.A. Bornewasser, 'De Nederlandse katholieken en hun negentiende-eeuwse vaderland', in idem, Kerkelijk verleden in een wereldlijke context (Amsterdam 1989) 262-283.
  • J.A. Bornewasser, 'Roomse bezwaren tegen Da Costa's 'Bezwaren'', in idem, Kerkelijk verleden in een wereldlijke context (Amsterdam 1989) 345-356.
  • P. Raedts, 'Katholieken op zoek naar een Nederlandse identiteit 1814-1898', Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden 107 (1992) 711-725.
  • J.P. de Valk, Roomser dan de paus? Studies over de betrekkingen tussen de Heilige Stoel en het Nederlands katholicisme, 1815-1940 (Nijmegen 1998).
  • J. van Eijnatten en F. van Lieburg, Nederlandse religiegeschiedenis (Hilversum 2005).

Portret:
Portret door een onbekende kunstenaar. Collectie Katholiek Documentatie Centrum, afb. jp2A8289.

Roberto Dagnino

laatst gewijzigd: 12/11/2013