Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

DONGEN, Adrianus van, rooms-katholiek priester en kerkbestuurder (Den Hout (Staats-Brabant) 30-8-1754 - Hoeven (N.Br.) 27-11-1826). Zoon van Godefridus van Dongen en Allegonda Rutten. Ongehuwd.

Adrianus van Dongen werd geboren in Den Hout als zoon uit een vooraanstaande familie. Hij volgde de Latijnse school in het naburige Oosterhout. Daarna studeerde hij eerst vanaf 1773 filosofie aan de universiteit van Leuven en daarna vanaf 17 oktober 1775 theologie aan het seminarie van het bisdom Antwerpen in Antwerpen. Uit handen van de bisschop van dit diocees ontving hij eerst op 17 juni 1778 de diakenwijding en een half jaar later, op 19 december, de priesterwijding. Na in verschillende parochies kapelaan te zijn geweest werd hij op 25 augustus 1795 pastoor van de schuilkerk in de Nieuwstraat te Breda.

Toen het bisdom Antwerpen in 1801 als gevolg van het concordaat tussen de Franse Republiek en de Heilige Stoel werd opgeheven, was Van Dongen betrokken bij het overleg met de vroegere Antwerpse vicarissen Adrianus Oomen en Ignatius van Gils om te komen tot een eigen kerkelijk bestuur voor het Bataafse gedeelte van het vroegere bisdom Antwerpen, dat de dekenaten Bergen op Zoom en Breda omvatte. De twee vicarissen dienden op 24 januari 1802 een verzoek in bij de Congregatie de Propaganda Fide in Rome om beide dekenaten een kerkelijke zelfstandigheid te geven. Oomen en Van Gils gaven de voorkeur aan een apostolisch vicaris ten einde een eventueel herstel van het bisdom Antwerpen niet bij voorbaat onmogelijk te maken.

Op 31 januari 1803 stelde de Congregatie van de Propaganda Fide Van Dongen - tot zijn eigen verrassing - als apostolisch vicaris aan. Deze benoeming werd op 22 maart van dat jaar door paus Pius VII bevestigd. Om financiële redenen zou hij deze functie tot 1816 met zijn Bredase pastoraat combineren. Al die tijd bleef hij daar in de pastorie wonen.

Van Dongens pastorale opvattingen als apostolisch vicaris zijn bekend uit zijn jaarlijkse vastenbrieven. Hierin kunnen in chronologisch opzicht twee thema’s worden onderscheiden. Vóór 1819 wijst hij zijn gelovigen op de noodzaak de vastenwetten te onderhouden. In 1810 bracht hij hun de groeiende onverschilligheid jegens de godsdienst en de daarmee samenhangende verplichtingen onder de aandacht. Volgens Van Dongen werd deze onverschilligheid gevoed door contacten met onkerkelijken. Ook anderszins waren gelovigen blootgesteld aan gevaren. Van Dongen waarschuwde voor het lezen van ongodsdienstige boeken en het verkeren in gevaarlijk gezelschap. In 1816 toonde Van Dongen zich ingenomen met het herstel van de vrede na de val van Napoleon. Hij riep zijn gelovigen op hun dankbaarheid hierover te tonen door een trouwe plichtsvervulling. Na 1819 keerde hij zich - met uitzondering van de vastenbrief van 1824 over de betekenis van het sacrament van het vormsel - vooral tegen de uitwassen van het carnaval.

Het apostolisch vicariaat Breda telde 50.000 gelovigen, die leefden in 25 parochies. Van Dongen stond voor de taak het kerkelijk leven in het vicariaat op te bouwen in een instabiele tijd. Hij had achtereenvolgens te maken met de Bataafse Republiek, het Koninkrijk Holland, het Franse Keizerrijk en het Koninkrijk der Verenigde Nederlanden. Daarbij kwam een voortdurende onzekerheid over het voortbestaan van het vicariaat zelf. De verschillende commissies Ontwerp-Organisaties Kerkgenootschap, die achtereenvolgens door koning Lodewijk en keizer Napoleon werden ingesteld, publiceerden in 1810 en 1812 voorstellen waarbij voor het departement des Bouches du Rhin één bisdom met een zetel in ’s-Hertogenbosch was voorzien. Zolang de totstandkoming van een definitieve kerkelijke structuur uitbleef, diende de voormalige bisschop van Roermond regelmatig het vormsel toe. Aangezien dit een onbevredigende situatie was, gaf de Paus de apostolisch vicarissen van ’s-Hertogenbosch en Breda verlof dit sacrament toe te dienen. Van Dongen diende voor de eerste maal in augustus 1823 in de parochiekerk van Hoeven het vormsel toe.

Van Dongen toonde in zijn houding jegens het wereldlijk gezag een pragmatische inslag. Zo verbood hij in 1822 - in overeenstemming met het processieverbod van de overheid - het kerkbestuur van het bij Breda gelegen dorp Princenhage om op sacramentsdag een processie buiten het kerkgebouw op het kerkhof te houden. Waar mogelijk zocht hij samenwerking met de wereldlijke autoriteiten. Van Dongen kantte zich fel tegen het in zijn ogen zedeloze carnavalsfeest en riep in zijn vastenbrief van 1822 de gezagsdragers op de losbandigheden en uitgelatenheden tegen te gaan en zoveel mogelijk te weren. Overigens wilde hij de Vastenavondviering niet helemaal verbieden. Een eerbare, zedige en christelijke vreugde paste, zijn inziens, bij deze dagen. Een jaar later sprak Van Dongen zijn tevredenheid uit over de maatregelen van de burgerlijke overheid tegen de uitwassen van dit volksfeest.

In 1818 stelde Van Dongen een reglement voor de kerkbesturen op, gebaseerd op de oude verordeningen van het bisdom Antwerpen, waarin geen betrokkenheid van de burgerlijke overheid was voorzien. Hij verzette zich dan ook toen het departement van Rooms-Katholieke Eredienst in 1823 een reglement voor kerkbesturen - dat in 1809 op basis van het concordaat van 1801 was vastgesteld - voor het gehele koninkrijk wilde invoeren. Volgens deze verordening zouden in kerkbesturen namelijk ook vertegenwoordigers van de burgerlijke overheid zitting krijgen. Hun aanwezigheid was zelfs een voorwaarde om rijkssubsidies te ontvangen. Van Dongen stelde voor de invoering van dit reglement uit te stellen totdat een concordaat met het hele koninkrijk was gesloten. De regering stemde hiermee in.

In 1819 verzocht Van Dongen - in tegenstelling tot zijn ambtgenoot in ’s-Hertogenbosch - gebruik te maken van de sinds 1814 beschikbaar gestelde rijkstoelagen voor geestelijken. Hij maakte daarbij echter een uitzondering voor de professoren van het grootseminarie. Aangezien hij veel waarde hechtte aan de vrijheid van het theologisch onderwijs, diende dat, naar zijn mening, in handen van de Kerk te blijven. Van Dongen weigerde daarom in 1825 studenten te sturen naar het door koning Willem I in Leuven opgerichte Collegium Philosophicum, dat in de plaats kwam van de kleinseminaries. Hij wees er daarbij op dat het apostolisch vicariaat geen kleinseminarie kende. De priesterstudenten volgden hun vooropleiding aan de Latijnse school van Oosterhout, die in 1798 door het vicariaat was opgericht. In een schrijven aan apostolisch vicaris Van Gils van ’s-Hertogenbosch bracht Van Dongen hem tevens onder de aandacht dat in zijn grootseminarie geen filosofie werd gedoceerd, omdat hij dit vak voor priesters niet noodzakelijk vond.

De ontwikkeling van het vicariaat werd bemoeilijkt door het priestertekort. Herhaaldelijk vroeg Van Dongen dispensatie aan Rome om mannen tot priester te wijden die de canonieke leeftijd van 24 jaar nog niet hadden bereikt. Het grootseminarie, dat vanaf 1800 op het landgoed ‘De Ypelaar’ nabij Breda was gevestigd, verplaatste hij in 1817 naar Hoeven.

Sommige parochies in Van Dongens vicariaat werden geleid door kloosterlingen, namelijk door de cisterciënzers uit Hemiksem en de norbertijnen uit Tongerlo - twee tijdens het Franse bewind opgeheven Vlaamse abdijen - en door de wilhelmieten uit Huijbergen. Van Dongen probeerde deze regulieren zoveel mogelijk te vervangen door in zijn eigen grootseminarie opgeleide wereldheren. Dit lukte in het begin niet altijd. Van Dongen zag zich gedwongen in 1806 een cisterciënzer van Hemiksem tot kapelaan van Wouw te benoemen. Hij huldigde de opvatting dat de Zuid-Nederlandse abdijen als gevolg van hun opheffing ook hun patronaatsrecht waren kwijtgeraakt. Hoewel hij voor dit standpunt geen gehoor vond bij de Propaganda Fide, benoemde hij later niettemin wereldheren tot pastoor in de norbertijnerparochies van Nispen, Klein-Zundert, Riel en in de cisterciënzerparochie van Hoeven.

Van Dongen had al in 1816 zijn Bredase pastorie verlaten en zich om gezondheidsredenen gevestigd in ‘Bovendonck’ te Hoeven, het oude buitenverblijf van de bisschoppen van Antwerpen. Dit landgoed was in dat jaar door koning Willem I ter beschikking van het apostolisch vicariaat gesteld. Vanaf 1817 was hier ook het grootseminarie gevestigd. Van Dongen stierf in Hoeven op 27 november 1826 op 72-jarige leeftijd.

Uit de bronnen rijst het beeld op van Adrianus van Dongen als een pragmatisch en principieel, maar ook traditioneel kerkbestuurder die zich defensief opstelde jegens de moderne tijd. Als overgangsfiguur is hij in een moeilijke tijd van grote betekenis geweest voor het apostolisch vicariaat, vooral omdat hij de priesteropleiding in stand heeft gehouden en waar mogelijk heeft uitgebouwd.

Archivalia:

Archief van het Apostolisch Vicariaat in het archief van het bisdom van Breda.

Publicaties:

‘Schrijven van den apost. vicaris van Dongen aan de Propaganda Fide’. Uitgeg. door J. Kleijntjes, Taxandria 49 (1942) 245-248, 279-280.

Literatuur:

Portret:

Schilderij van Adrianus van Dongen als apostolisch vicaris (afgebeeld in: Oosterhout, niet van gisteren. De geschiedenis van een vitale en veerkrachtige stad van de oude steentijd tot 2009. Onder red. van Cock Gorisse (Oosterhout 2009) 307).

Hans de Jong

laatst gewijzigd: 12/11/2013