Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

DOOREN, Petrus Cornelis Ludovicus van, ondernemer (Tilburg 22-2-1784 – Tilburg 27-1-1845). Zoon van Martinus Cornelis van Dooren, ondernemer en bestuurder, en Adriana Josepha Dams. Gehuwd op 27-4-1815 met Sophia Maria van Dooren (1796-1871). Uit dit huwelijk werden 6 zoons en 8 dochters geboren, van wie 3 zoons en 1 dochter jong overleden.

Pieter van Dooren was de oudste van elf kinderen in een rooms-katholiek fabrikantengezin te Tilburg. In 1783, een jaar voor Pieters geboorte, richtte zijn vader samen met zwager Gerardus Dams de firma in wollen stoffen M.C. van Dooren & Co. op, later Van Dooren & Dams geheten. In 1800 was het bedrijf gevestigd in een afzonderlijk gebouw en niet langer in het woonhuis van de familie Dams. Er werd laken gemaakt, in het bijzonder militair laken, van hoge kwaliteit. Voor betalingen en kredietverleningen had Van Dooren relaties met het bankiershuis Van Lanschot in ’s-Hertogenbosch.

Zoals gewoon in fabrikantenfamilies kreeg Pieter een praktijkopleiding in zijn vaders bedrijf, waar hij in ieder geval vanaf 1805 werkzaam was. Vader en zoon volgden de nieuwste technische ontwikkelingen op de voet om die in hun eigen fabriek te kunnen benutten. Pieter reisde daartoe geregeld naar het buitenland. Zo introduceerde het bedrijf in Tilburg in 1809 als eerste de door een rosmolen aangedreven spinmachine, namelijk van de Waalse firma Cockerill werden er twee spinassortimenten geïnstalleerd.

De Franse tijd had niet alleen een gunstige invloed op de lakenindustrie door de leveranties aan het leger, maar ook op de maatschappelijke positie van fabrikanten. Toen koning Lodewijk (1806-1810) – op rondreis door Brabant – op 17 en 18 april 1809 Tilburg bezocht, waren het niet zozeer lokale bestuurders die hem ontvingen als wel industriëlen. De vorst logeerde in het grote herenhuis van Pieters vader, ‘Het Kasteeltje’ genaamd. Het dorp Tilburg en zijn nijverheid maakten tijdens dit bezoek zo’n indruk op de Koning, dat hij deze plaats een kanaal beloofde en tot stad verhief. Pieters vader werd hiervan in 1809 de eerste burgemeester.

Toen Van Dooren senior twee jaar later, in juni 1811, overleed, zetten zijn compagnon Dams en zijn twee oudste zoons Pieter en Louis de firma voort. Werd er voorheen vooral aan huisarbeid gedaan, in deze en volgende jaren veranderde dit snel. In 1812 had het bedrijf 38 arbeiders in dienst, van wie er 22 in de fabriek werkten en slechts 16 thuis. Dat het aantal fabrieksarbeiders ten opzichte van het aantal thuiswerkers toenam, was voor Tilburg indertijd heel modern.

In april 1815 trad Van Dooren in het huwelijk met zijn in Rotterdam woonachtige nicht Sophie van Dooren. Tussen 1816 en 1840 zouden uit dit huwelijk veertien kinderen worden geboren, van wie er in de jaren dertig vier op zeer jonge leeftijd stierven.

Na het overlijden van Dams in 1817 kwam de leiding van de firma geheel in handen van de familie Van Dooren, met Pieter als leidende figuur. Ondanks economische achteruitgang deed de onderneming het goed. Zij was de tweede producent van legerlaken in heel Brabant en evenals in 1808 en 1809 gebeurd was, werden nu prijzen behaald op de nijverheidstentoonstelling te Gent in 1820.

‘Ergens in het jaar 1825 viel ten huize van de familie Van Dooren de beslissing dat Pieter zelfstandig een lakenvolderij en wollengarenspinnerij zou gaan oprichten’ (Muntjewerff, 110). Aan een dergelijk bedrijf was in Tilburg behoefte. Tijdens eerdere bezoeken aan Groot-Brittannië had Van Dooren kennis gemaakt met de toepassing van stoommachines in het productieproces en hij zag het economische belang hiervan. Echter, de financiering van nieuwe machinerie en nieuwbouw kon voor de familie Van Dooren een bedrijfsrisico inhouden, zolang immers familieleden voor hun levensonderhoud van de firma afhankelijk waren. Van Dooren nam vermoedelijk om die reden de beslissende stap voor zichzelf te beginnen en het familiebedrijf te verlaten. Pieters jongere broer Hendrik kreeg er de leiding.

Om sneller een vergunning voor het plaatsen van een stoomwerktuig te verkrijgen, zocht Van Dooren een locatie aan de rand van Tilburg. Hierdoor zou de geluidsoverlast voor omwonenden beperkt blijven. Het gebruik van een stoommachine betekende immers ook de bouw van een ketelhuis en een schoorsteen bij de fabriek. Bovendien was door de ligging aan het riviertje de Leij water beschikbaar voor het productieproces. De vergunning werd hem in juli 1826 door Gedeputeerde Staten verleend.

In april 1827 werd met de uit Groot-Brittannië geïmporteerde stoomketel voor het eerst proefgedraaid. Dat dit bedrijf als eerste in Tilburg en omgeving gebruik ging maken van stoom voor het productieproces, zag niet iedereen als een vooruitgang. Harmoniemuziek had de binnenkomst van het stoomwerktuig vergezeld. Maar arbeiders die zich in hun werkgelegenheid bedreigd voelden, sloegen met keien en stukken hout naar de ketel en zij gooiden ruiten van Van Doorens woning in. Een ‘sluitende bewijsvoering’ van dit machine-oproer is er echter niet (Muntjewerff, 101).

De komst van de stoommachine betekende ook een strakke organisatie van het werk van de arbeiders. Van Dooren liet deze verandering in een reglement vastleggen. Naast werkplicht moest onderhoud aan machines bijvoorbeeld dan plaatsvinden, wanneer de productie zo min mogelijk werd gehinderd.

Eind mei 1827 was de wolspinnerij Pieter van Dooren een feit. Het nieuwe bedrijf werd aanvankelijk gefinancierd met eigen en familiekapitaal. Mogelijk kreeg Van Dooren – naast morele ondersteuning – ook financiële steun van zijn vermogende oom, de koopman en kunstverzamelaar Thomas van Dooren, die zelf geen nakomelingen had en Pieter als zijn eigen zoon beschouwde. De eerdergenoemde bankiers Van Lanschot verleenden kort- en langlopende kredieten. Verder wist Van Dooren zich gesteund door bestuurlijk en ondernemend Tilburg, dat het belang van technische vernieuwing inzag en hem hielp voorschotten uit het rijksnijverheidsfonds te verkrijgen. De firma Van Dooren & Dams en het bedrijf Pieter van Dooren werkten samen. Op contractbasis was er sprake van een verdeling van bewerkingen binnen het productieproces.

De Belgische Revolutie in augustus 1830 en de daaropvolgende afscheiding van het Zuiden hadden consequenties voor de positie van de firma Pieter van Dooren. Afzetmarkten verdwenen en de buitenlandse concurrentie nam toe. Omstreeks 1835 begon het bedrijf met de productie van wollen stoffen om de afnemende werkzaamheden in de spinnerij en de volderij te compenseren. Bovendien verleende de rijksoverheid  de firma uitstel bij het terugbetalen van voorschotten, gezien het belang van de onderneming voor de werkgelegenheid in Tilburg en omgeving.

Van Doorens doortastend en innovatief ondernemerschap brachten hem en zijn familie niet alleen fortuin – in 1844 behoorde hij tot de kleine groep van hoogstaangeslagen belastingbetalers in Noord-Brabant – , maar ook groot sociaal aanzien in Tilburg. Op velerlei terreinen in de stad bekleedde Van Dooren bestuurlijke functies. Zo was hij sinds 1804 lid van het exclusieve jachtgezelschap ‘Sint Hubertus’, waarvan een twintigtal aanzienlijke Tilburgers deel uitmaakten. Tussen 1814 en 1826 was hij hier bij herhaling deken en hoofdman. Van 1824 tot aan zijn dood had Van Dooren zitting in de raad van Tilburg. Hier liet hij zien op de hoogte te zijn van de economische conjunctuur en hij bracht er zijn ideeën over stadsontwikkeling naar voren.

Om op informele wijze contact te houden met andere Tilburgse fabrikanten was hij in 1840 medeoprichter van de Sociёteit ‘Philharmonie’. Volgens artikel 1 van het reglement was het de bedoeling ‘eens gezelligen en vriendschappelijken krings, zamengesteld uit de fatsoenlijke burger klasse dezer stad [te] vormen’. Er kwam een leestafel en er was een ruim aanbod van vermaak; ook werden er muziekuitvoeringen gehouden. Van Dooren werd op 5 augustus de eerste president van dit gezelschap, dat zou uitgroeien tot de belangrijkste fabrikantenclub van de stad. Ook koning Willem II (1840-1849) kwam hier met genoegen wanneer hij in het hem dierbare Tilburg verbleef.

Van Dooren overleed in januari 1845, op zestigjarige leeftijd. Hij en zijn vrouw waren in gemeenschap van goederen getrouwd. Na het overlijden van haar man, zette Sophie het bedrijf eerst zelf voort onder de firmanaam De Weduwe Pieter van Dooren. In 1853 droeg zij het bedrijf over aan haar twee oudste zoons.

Pieter van Dooren was in de eerste helft van de negentiende eeuw een van de belangrijkste ondernemers in Tilburg. Hij stond open voor de nieuwe technische en economische ontwikkelingen in zijn tijd, waarvan hij met succes gebruik maakte. Zijn moderne onderneming was van grote betekenis voor de plaatselijke werkgelegenheid. Zowel de belangen van het (eigen) bedrijf als die van de familie verloor Pieter van Dooren niet uit het oog. Door bewust en met plezier een prominente rol te spelen in het maatschappelijk leven van zijn woonplaats wist hij zich een vooraanstaande positie binnen de Tilburgse elite te verwerven.

Archivalia:

Archief Wolspinnerij Pieter van Dooren N.V. te Tilburg (1827-1968) in het Regionaal Archief te Tilburg.

Publicaties:

‘Mededeeling omtrent het Fabrijkwezen in Tilburg’, in: Tijdschrift ter Bevordering van Nijverheid 4 (1837) 460-464. Met een inleiding door Ton Wagemakers ook verschenen in: Tilburg. Tijdschrift voor Geschiedenis, Monumenten en Cultuur 4 (1986) 6-8.

Literatuur:

  • A.J.A.C. van Delft, ‘Van vroeger dagen 67. Mannen van naam: Pieter van Dooren’, Nieuwe Tilburgsche Courant, 5-3-1927.
  • J.H. van Mosselveld, ‘De magistraat van Tilburg in de Franse Tijd’, in: Van heidorp tot industriestad. Verkenningen in het verleden van Tilburg. Onder red. van H.J.A.M. Schurink en J.H. van Mosselveld (Tilburg 1955) 137-167 en bijlagen.
  • Th. Hoekx [e.a.], Sociёteit Philharmonie, 1840-1965 (Tilburg 1965).
  • J.M. Bos en W. de Natris, ‘Textielfabriek ‘Pieter van Dooren’ te Tilburg 1825-1975. Resultaten van een verkennend onderzoek ter plaatse en van een oriënterend historisch onderzoek’, Textielhistorische Bijdragen XVI (1975) 69-93.
  • Ton Wagemakers, ‘Een moderne textielfabriek omstreeks 1830. Een industrieel-archeologische reconstructie’, De Lindeboom VI (1982) 91-114.
  • Henk van Doremalen, ‘Sociale onrust, aktie en vroege organisatievormen onder de arbeidende bevolking in Tilburg 1825-1875’, De Lindeboom VI (1982) 115-134.
  • A.J.A. van Loon, ‘De Tilburgse jachtsociёteit Sint Hubertus’, De Lindeboom IX-X (1985-1986) 81-117.
  • H.P.J.E. Merkelbach, Inventaris van het archief van de wolspinnerij ‘Pieter van Dooren N.V.’ (Tilburg 1986).
  • P.J.M. van Gorp, Tilburg eens de wolstad van Nederland. Bloei en ondergang van de Tilburgse wollenstoffenindustrie (Eindhoven 1987).
  • Ton Wagemakers, ‘‘Den goeden geest en de prettige verhouding’. Pieter van Dooren 100 jaar stoom’, Tilburg. Tijdschrift voor Geschiedenis, Monumenten en Cultuur  5 (1987) 76-78.
  • Eric Berkers en Carla Wijnen,‘Ondernemen in Tilburg in de 19e eeuw. De wollenstoffenfabriek Van Dooren & Dams en haar ondernemers’, Tilburg. Tijdschrift voor Geschiedenis, Monumenten en Cultuur 8 (1990) 100-106.
  • H.A. Muntjewerff, De spil waar alles om draaide. Opkomst, bloei en neergang van de Tilburgse familie-onderneming Wolspinnerij Pieter van Dooren, 1825-1875 (Tilburg 1993).
  • Ronald Peeters, ‘Thomas van Dooren (1754-1836), koopman en kunstverzamelaar in Tilburg en Parijs’, Tilburg. Tijdschrift voor Geschiedenis, Monumenten en Cultuur 16 (1998) 35-41.
  • Jan Brouwers, ‘Familie Van Dooren’, in: Joop Visser [e.a.], Nederlandse ondernemers, 1850-1950. I: Noord-Brabant, Limburg en Zeeland (Zutphen [etc.] 2009) 75-83.

Portret:

Litho door een onbekende kunstenaar. Collectie Regionaal Archief Tilburg.

Marijcke Schillings

laatst gewijzigd: 12/11/2013