Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830


HEIM, Jhr. Paulus van der (verheven in de Nederlandse adel bij K.B. d.d. 16-9-1815), bestuurder, minister en politicus (Brussel (Oostenrijkse Nederlanden) 8-2-1753 - ’s-Gravenhage 6-4-1823). Zoon van Jacob van der Heim, bestuurder, en Maria Arnoldina Gevaerts. Gehuwd op 22-3-1784 met Jacoba Elisabeth Groeninx van Zoelen (1764-1784). Dit huwelijk bleef kinderloos. Na haar overlijden (aangeg. 17-12-1784) gehuwd op 14-8-1791 met Agatha Philippina van der Does (1768-1792). Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. Na haar overlijden (begr. 7-7-1792) gehuwd op 11-9-1796 met Maria Aletta van der Hoeven (1774-1833). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 9 dochters geboren.

Paulus van der Heim stamde uit een van de aanzienlijkste regentengeslachten van Holland en trad in behoorlijk grote voetstappen. Zijn grootvader Anthonie was raadpensionaris van Holland (1737-1747) geweest en zijn grootmoeder was een zuster van raadpensionaris Anthonie Heinsius (1689-1720). Hun zoon Jacob van der Heim, de vader van Paulus, was - behalve lid van de vroedschap en burgemeester van Rotterdam - van 1746 tot 1795 secretaris van de Admiraliteit op de Maze te Rotterdam.

Paulus groeide op met minstens twee broers en vier zusters. Als regentenzoon kreeg hij de voor zijn stand gebruikelijke opleiding. Daarnaast begaf hij zich continu in een stimulerende omgeving. Tussendoor werden bijvoorbeeld buitenlandse reizen gemaakt, zoals in 1761 naar Frankrijk. Een dergelijke Grand Tour had in belangrijke mate een educatief karakter. Op 19 september 1768 begon Paulus met de rechtenstudie aan de universiteit in Leiden, waar hij op 28 december 1772 promoveerde op De officio praesides (: Over het ambt van stadhouder).

Op 26 februari 1772 werd de negentienjarige Paulus toegevoegd aan zijn vader als tweede secretaris bij de Admiraliteit te Rotterdam. Bij deze benoeming werd bepaald dat hij Van der Heim senior bij diens overlijden zou opvolgen als secretaris Dit soort adjunct-schappen was niet ongebruikelijk. Op deze wijze kon de zoon immers het ambt van zijn vader leren om zodra de tijd rijp was in diens voetsporen te treden.

De politiek van de Republiek der Verenigde Nederlanden werd vanaf de jaren zeventig van de achttiende eeuw beheerst door de vraag of het leger dan wel de vloot moesten worden versterkt en verbeterd. De positie van de Stadhouder, als opperbevelhebber van zowel de land- als de zeestrijdkrachten, ondervond daarbij steeds meer kritiek. Uiteindelijk leken grootscheepse hervormingen onafwendbaar. Bij de Staatse marine omvatten deze velerlei terreinen: van de financiën tot het bestuur, van de officiersopleiding tot de bouw van oorlogsschepen. Dit alles vergde de nodige plannenmakerij, waarvoor vader en zoon Van der Heim uit hoofde van hun functie een grote hoeveelheid informatie bijeenbrachten. Zodoende kregen zij tevens belangstelling voor meer technische zaken. In 1786 werd Paulus maecenas (: lid) van het Bataafsch Genootschap der proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam.

In de eerst helft van de jaren tachtig verscherpten zich de politieke tegenstellingen tussen Prinsgezinden en Patriotten. In Rotterdam kwam het in 1783 en 1784 tot rellen, waarbij de Van der Heims de kant kozen van de impopulaire stadhouder Willem V. Voor vader Jacob leidde dit ertoe dat hij, toen de Patriotten in 1787 de overhand in het stadbestuur kregen, zelfs korte tijd als burgemeester het veld moest ruimen. In de loop van 1794 verzocht Paulus vanwege zijn gezondheid de Admiraliteit verlof om de wintermaanden in het buitenland te mogen doorbrengen. Na de Franse inval en de daaropvolgende Bataafse omwenteling kwam er begin 1795 een einde aan zijn aanstelling als tweede secretaris.

Intussen was Van der Heim in 1784 getrouwd met de Rotterdamse regentendochter Jacoba Groeninx van Zoelen, een huwelijk dat door haar dood op jonge leeftijd slechts ruim een half jaar duurde. Hij hertrouwde bijna zeven jaar later, in 1791, met Agatha van der Does. Ook zij was een Rotterdamse regentendochter, en wederom was hij binnen een jaar weduwnaar. In 1796 volgde een derde huwelijk met de 21 jaar jongere Maria van der Hoeven, wederom de dochter van een Rotterdams vroedschapslid. Zij zou hem elf kinderen schenken.

Na de Bataafse revolutie van januari 1795 volgde voor de Oranjegezinde Van der Heim een ambteloze periode van ruim tien jaar. In deze periode droeg hij onder meer zorg voor de afwikkeling inzake de familiebezittingen te Rotterdam en zijn eigen landerijen in de omgeving van Dordrecht. Bovendien trad hij af en toe op bij rechtsgedingen voor de Zeeraad van de Bataafse Republiek. Begin 1805 kreeg hij nog 840 gulden uitgekeerd van de Raad van Marine in een slepende procedure over inlevering van zijn reeks minuut-notulen van de Admiraliteit te Rotterdam over de jaren 1782-1795. Eind december 1803 werd Van der Heim namens Rotterdam tot een van de twintig departementale kiezers verkozen voor de Grondvergadering van de Bataafse Republiek.

Bij het aantreden van Louis Bonaparte als koning van Holland in juni 1806 hervatte Van der Heim zijn ambtelijke carrière. In de daaropvolgende jaren benoemde de Koning hem vanwege zijn kennis en kunde, in het bijzonder op het gebied van handel en scheepvaart, in een reeks van ambten. Allereerst werd hij op 6 juli 1806 directeur-generaal voor de Zaken van de Indiën, de Koophandel en Koloniën. Vervolgens werd Van der Heim op 29 juli 1806 benoemd tot minister van Koophandel en Koloniën. In hetzelfde jaar werd hij tevens voorzitter van een commissie voor het ontwerpen van een permanente algemene (staats)begroting. Van begin juni tot eind september 1807 presideerde hij - tijdens het verblijf van de Koning in Frankrijk - de zittingen van de Staatsraad. Op 10 december 1807 volgde Van der Heims aanstelling als minister van Marine. Toen begin 1808 een departementale herschikking plaatsvond, werd het ministerie van Koophandel en Koloniën samengevoegd met dat van Marine. Vanaf 8 januari ging het verder als het ministerie van Marine en Koloniën. Aan het hoofd plaatste de Koning Van der Heim, omdat hij hem als ‘neutraal en onpartijdig’ beschouwde in het debat over de toekomst van de overzeese bezittingen (Van Hogendorp, 93).

Naast Lodewijks politieke vertrouweling was Van der Heim inmiddels ook een vaak geziene gast aan het hof. Zijn derde echtgenote, Maria van der Hoeven, die was opgevoed in Parijs en daardoor voortreffelijk Frans sprak, was een van de hofdames van koningin Hortense de Beauharnais. Gereserveerder dan de Koning in hun oordeel over Van der Heims bestuurlijke talenten toonden zich zijn naaste collega’s. Minister-secretaris van Staat Willem Fredrik Röell was één van degenen die hem typeerden als een minister die weliswaar ‘arbeidzaam was, maar erg traag werkte’. Men moest dat maar accepteren, vond hij, want hem tot spoed manen, had geen zin. Uit eigen ervaring wist hij dat wanneer Van der Heim ‘had toegezegd iets binnen veertien dagen te zullen afhandelen, men maar het beste kon uitgaan van vier weken’ (Van Hogendorp, 27). Gijsbert Karel Van Hogendorp noemde deze minister in 1809 ‘de geduldigste, meest slaafse en onderdanigste man ter wereld’ (Ibidem, 234). Hoewel deskundig geacht, meenden sommigen dat hij ‘niet de capaciteiten bezat voor de belangrijke ambten die hem waren toevertrouwd’ (Colenbrander, Gedenkstukken V-1, 372).

Toen koning Lodewijk door Napoleon naar Parijs werd ontboden en daar lange tijd werd vastgehouden, trad Van der Heim van 27 november 1809 tot 8 maart 1810 tijdelijk op als voorzitter van de raad van ministers. In deze maanden, toen steeds duidelijker werd dat de Franse keizer de onafhankelijkheid van Lodewijks koninkrijk wenste te beëindigen, moest hij onder meer duidelijkheid van de Koning zien te krijgen over de mogelijke verdediging van het land, in het bijzonder van Amsterdam, alsmede voorbereidingen treffen voor een eventuele troonsafstand. In juni en juli 1810 verving Van der Heim de minister van Buitenlandse Zaken Willem Fredrik Röell (1808-1810) tijdens diens uitlandigheid. Na Lodewijks troonsafstand en vertrek naar het buitenland - Van der Heim was een van de weinigen die de vluchtroute naar Bohemen kende - was hij van 1 tot 9 juli 1810 voorzitter van de provisionele regentschapsraad.

Van der Heim was ‘den eenigen minister die van den aanvang der koninklijke regeering tot het einde in het kabinet bleef’ (Falck, 62). Desondanks had hij het over ‘s’majesteits wispelturigheid’ vanwege diens aanstellingsbeleid. Wat zijn eigen werkzaamheden in deze jaren betreft, schreef hij later: ‘maar toen ik de geest zag, om alles op zijn fransch te brengen, begreep ik, dat het geraden was, zoo weinig mogelijk over hoop te haalen, of aan verandering te denken’ (NA, Coll. Van der Hoop, inv.nr. 278, d.d. 22-03-1814). Over het uitgangspunt van zijn ministerieel handelen noteerde hij onder meer: ‘maar mijn aangenomen systema, dat geen opgevolgde regeering, in onzen ongelukkigen tijd, de onregtvaardigheden van de voorige kan verbeeteren, of wegnemen, zonder ’s lands inkomsten onbehoorlijk te verspillen’ (Ibidem).

Als gevolg van de inlijving van de ‘Hollandse departementen’ bij het Franse keizerrijk kwam er op 31 december 1810 aan alle ministersfuncties een einde. Van der Heim werd aansluitend per 1 januari 1811 aangesteld als zeeprefect van het maritiem arrondissement van Holland, met als standplaats Amsterdam. Als zodanig viel hij rechtstreeks onder het gezag van de minister van Marine en Koloniën in Parijs. Deze functie zou hij overigens slechts kort vervullen. Al op 24 maart 1811 werd hij door Napoleon tot lid van de sectie Marine van de Conseil d’ État benoemd. Deze belangrijke en uiterst eervolle functie interesseerde hem echter nauwelijks, en in december van dat jaar deed hij er alweer afstand van. Vanaf dat moment was Van der Heim een ambteloos burger.

In de herfst van 1813 werd duidelijk dat Napoleons heerschappij ten einde liep. In november begonnen turbulente weken, voorafgaand aan het vertrek van de Franse burgerlijke en militaire autoriteiten. Van der Heim werd juist toen ernstig gekweld door de jicht. Nadat de uit ballingschap teruggekeerde Prins van Oranje het bewind begin december 1813 op zich had genomen, werd Van der Heim op 2 maart 1814 aangesteld als één van de zeshonderd leden van de Vergadering van Notabelen die zich moest uitspreken over de nieuw opgestelde grondwet. Het feit dat hij bij deze bijeenkomst in de Nieuwe Kerk in Amsterdam niet kwam opdagen, belette de Soeverein Vorst vervolgens niet Van der Heim op 2 mei 1814 te benoemen tot lid van de Staten-Generaal. Na vereniging van de Noordelijke met de Zuidelijke Nederlanden en de daaropvolgende invoering van het tweekamerstelsel werd hij op 21 september 1815 benoemd tot lid van de Eerste Kamer, waarin hij tot aan zijn dood acht jaar later zitting zou houden. Op 16 september 1815 werd Van der Heim in de adelstand verheven. Van 1818 tot aan zijn dood was hij lid van de Ridderschap van Holland.

Paulus van der Heim overleed in 1823 op zeventigjarige leeftijd in Den Haag. Hij had er, met een reeks ambten vanaf 1772, een uitzonderlijke bestuurlijke carrière opzitten van een halve eeuw. In zijn werkwijze en stijl was hij vrij behoudend van aard. Bij besluitvorming ging hij niet over één nacht ijs. Dit maakte hem niet altijd even populair.

Archivalia:

  • Archief P. van der Heim (1798-1817) in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage [inventaris].
  • Collectie J.C. van der Hoop (1524-1825) in het Archief van de Admiraliteitscolleges in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage [inventaris].

Literatuur:

Portret: 

Pastel door Charles Howard Hodges (detail); particuliere collectie (beschikbaar via: Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie).

Otto van der Meij

laatst gewijzigd: 12/11/2013