Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

HOOFF, Joannes Franciscus Rudolphus van, politiek activist, bestuurder en minister (Eindhoven 26-8-1755 (doop) - Utrecht 13-6-1816). Zoon van Martinus van Hooff, koopman in linnen en Anna Elisabeth Bols van Arendonck. Ongehuwd.

Jan van Hooff werd geboren in Eindhoven in een rooms-katholiek gezin met tien kinderen. Vader Martinus wordt in de literatuur zowel ‘koopman’ als ‘fabrikant’ genoemd. De familie Van Hooff lijkt in goede doen te zijn geweest. Zij woonde in de Rechtestraat in Eindhoven en was in staat verscheidene zoons uit het gezin te laten studeren. Om katholiek middelbaar onderwijs te volgen ging Jan niet naar de Latijnse school in Eindhoven, die onder leiding stond van een protestantse rector, maar bezocht hij het Franciscaner internaat in het Oost-Brabantse Handel. Na hier en bij de pastoor van het nabijgelegen Boekel een klassieke scholing te hebben ontvangen begon hij aan een rechtenstudie, eerst in Leuven en vervolgens in Nancy. Aan de laatstgenoemde academie behaalde hij het licentiaat, en algemeen wordt aangenomen dat hij hier ook is gepromoveerd.

In Nancy raakte Van Hooff onder de invloed van de ideeën van de Franse Verlichting, waarmee de basis voor zijn Patriots en Bataafs revolutionair denken en handelen werd gelegd. Volledig afstand van zijn geloof heeft hij echter nooit genomen. Hij bleef zich katholiek noemen en zou op latere leeftijd weer terugkeren naar een intensievere religieuze beleving. Door de Brabantse katholieken zou hij in de Patriottentijd en turbulente Bataafse jaren steeds als hun politieke leider worden aanvaard.
Eenmaal terug in Eindhoven opende Van Hooff een advocatenpraktijk. Vanaf 1786 ontpopte hij zich als een vurig aanhanger van de Patriotten, wier invloed onder de rivieren tot dan relatief beperkt was gebleven. Afkeer van het regentendom en ‘alle tirannie en overheersing’ waren hierbij voor hem belangrijke ideologische motieven. Vanaf het begin speelden hierbij echter ook algemeen-Patriotse doelstellingen een rol, zoals economisch, emancipatie van het Generaliteitsland Staats-Brabant en gelijkberechtiging van alle religieuze gezindten. In 1786 gaf Van Hooff de Brabantse Patriottenbeweging een belangrijke impuls door de oprichting van de sociéteit ‘Concordia’, die op zijn initiatief tot stand kwam en op 16 juni van dat jaar in Eindhoven met haar activiteiten begon. Van 1 mei 1787 tot aan zijn vlucht in februari 1788 was hij één van de twee burgemeesters van Eindhoven.

Als leider van ‘Concordia’ stond Van Hooff in contact met Patriotse sociéteiten elders in het land, in het bijzonder met ‘Libertatis amor’ in Waalwijk. Mede vanuit deze sociéteit werd in juni 1787 in Brabant een hulpactie op touw gezet ter verdediging van de Patriotten in Holland. Van Hooff sloot zich aan bij deze groep Brabantse vrijwilligers en werd na zijn aankomst in Utrecht als leidend Patriot tot commandant van een detachement schutters gemaakt. Actief militair optreden zou Van Hooff echter niet, en nadat de Staten-Generaal de terugkeer van alle uitgetrokken militaire vrijwilligers uit de Generaliteitslanden hadden gelast, ging Van Hooff in augustus 1787 naar zijn geboortestad terug.

In Eindhoven raakte Van Hooff spoedig in conflict met de plaatselijke vertegenwoordigers van het stadhouderlijk gezag. In september 1787 werd hij op last van de advocaat-fiscaal van de Raad van Brabant gearresteerd en in gevankelijk naar Den Haag gevoerd. Van Hooff ontkende de aanklacht van staatsondermijnende activiteit en werd, bij gebrek aan bewijs, binnen een maand in vrijheid gesteld. In Eindhoven werd hij door zijn plaatsgenoten nog als een held binnengehaald, maar ook in Staats-Brabant waren inmiddels de dagen van de Patriotten geteld. Begin oktober 1787 zou ‘Concordia worden ontbonden.

Nadat de Stadhouder, dankzij een Pruisische militaire interventie, in september 1787 volledig in zijn gezag was hersteld, vertrokken vele Patriotse vluchtelingen, beducht voor represailles van de Orangisten, naar het zuiden. Tegen deze achtergrond verliet in februari 1788 ook Van Hooff het land, nadat hij met hulp van vrienden had kunnen ontsnappen toen hij op de twaalfde van die maand op het stadhuis, waar hij de raadsvergadering presideerde, voor de tweede maal gevangen was gezet. In 1789 leidde Van Hooff een zwervend bestaan in de Oostenrijkse Nederlanden. Aanvankelijk kon hij bij familie terecht en bood een klooster in Turnhout, waar een tante overste was, hem gastvrijheid. Door het kerkelijk verbod op het verlenen van onderdak aan politieke vluchtelingen, moest hij echter weer uitwijken naar adressen van relaties in Brussel en Leuven. Eind 1789 besloot hij naar Lille te gaan en vervolgens naar Parijs, in de hoop daar geldelijke steun te vinden.

Later zou Van Hooff noteren dat met het verblijf in de Franse hoofdstad het ‘tweede tijdvak’ in zijn leven aanbrak (Autobiographie, 26). In Parijs hield hij zich aanvankelijk buiten de clubs van Patriotse vluchtelingen. Dit veranderde toen de revolutie in Frankrijk vanaf 1792 radicaliseerde, in het bijzonder na het uitroepen van de Franse Republiek op 22 september van dat jaar. Bij de Noord-Nederlandse ballingen nam hierdoor de hoop op terugkeer toe. Om die terugkeer voor te breiden werd - nadat in augustus 1792 al de militaire krachten waren gebundeld in het Bataafs Legioen onder leiding van Herman Willem Daendels - op 22 oktober 1792 in Parijs het Comité Revolutionair der Bataven opgericht. Van Hooff was hiervan medeoprichter en lid.

Het Bataafse Comité Revolutionair trad allengs steeds meer op de voorgrond als de voorlopige revolutionaire regering in ballingschap en vaardigde als zodanig enkele revolutionaire publicaties uit, waaronder Aan het Volk van Nederland (1792) en Waarschouwing aan het Volk van Nederland (1793). Ondertekenaars waren Johan Coenraad de Kock, Hendrik Schilge en Van Hooff. In deze publicaties wordt in niet mis te verstane bewoording tot de strijd tegen het stadhouderlijk bewind opgeroepen, waarbij vergaande maatregelen tegen tegenstanders in het vooruitzicht worden gesteld. De radicale inhoud van de publicaties wijkt daarmee af van de gematigde toon die Van Hooff doorgaans kenmerkte wanneer hij over de revolutionaire ontwikkelingen sprak. Er wordt daarom wel verondersteld dat hij niet direct betrokken was bij de redactie van deze teksten. Als lid van het Bataafs Comité Revolutionair kon Van Hooff uitgroeien tot een nationale politiek figuur. Door de Franse Nationale Conventie werd hij alvast belast met de politieke leiding in het spoedig te veroveren Brabant.

De situatie van de - inmiddels - ‘Bataafse’ ballingen veranderde ingrijpend toen Frankrijk op 1 februari 1793 de Stadhouder de oorlog verklaarde. Bij de daaropvolgende opmars werd het Noorderleger onder leiding van generaal Charles-François Dumouriez vergezeld door de leden van het Comité Revolutionair. Deze militaire operatie leidde echter niet tot het door de Bataven gewenste resultaat. De enige Noord-Nederlandse plaats die kon worden veroverd en waar korte tijd de revolutionaire plannen ten uitvoer konden worden gebracht, was Breda. Hier nam Van Hooff op 24 februari de leiding van het burgerlijk bestuur op zich. Maar de Fransen moesten deze vestingstad al weer binnen enkele weken verlaten door het oprukken van de Oostenrijkse troepen. Toen deze Dumouriez een zware nederlaag toebrachten in de slag bij Neerwinden, vreesde deze generaal de reactie van de revolutionaire regering in Parijs en liep hij begin april 1793 over naar Oostenrijk. Van Hooff bleef aanvankelijk in Breda op zijn post maar moest midden april toch naar Brussel vluchten, toen in de capitulatievoorwaarden was bedongen dat hij zou worden geëxecuteerd. Vanuit Brussel reisde hij vervolgens, met een tussenstop in Lille, naar Parijs. De rol van het Bataafs Comité Revolutionair was door de mislukte invasie en de nieuwe politieke situatie in Frankrijk na juni 1793 feitelijk uitgespeeld.

Zijn verbintenis met Dumouriez bracht Van Hooff begin 1794 in grote moeilijkheden. In maart 1794 besloot hij, samen met enkele andere leden van het Bataafs Comité Revolutionair, nogmaals zijn diensten aan te bieden aan het Comité de Salut public om behulpzaam te zijn bij acties van het Noorderleger. Dit aanbod had evenwel een averechts effect. Er werd met groot wantrouwen op gereageerd, met als direct gevolg dat Van Hooffs medestander De Kock werd gearresteerd en ruim een week later werd geguillotineerd. Van Hooffs arrestatie volgde in april 1794. In afwachting van zijn proces werd hij voor de derde keer in zijn leven gevangen gezet, eerst in het Collège des Irlandais en vervolgens in het Luxembourg. Zijn positie werd nog hachelijker in juli 1794 toen hij tijdens het hoogtepunt van het Schrikbewind naar de Concièrgerie werd overgebracht, wat voor de meesten een zeker doodvonnis betekende. Zijn overlijden werd al openlijk in de krant betreurd. Het gerucht van zijn executie bleek evenwel ongegrond. Volgens de overlevering - ten dele door Van Hooff zelf gevoed, maar waarschijnlijk onjuist - zou door een naamsverwarring een ander in zijn plaats zijn geëxecuteerd. Door de val van Maximilien Robespierre en de zijnen, eind juli 1794, ontkwam Van Hooff aan de guillotine. Hij werd overgeplaatst naar het Collège du Plessis en werd uiteindelijk begin november van dat jaar vrijgelaten, nadat enkele landgenoten bij het Comité de Sûreté Générale daarom hadden verzocht.

Het is opmerkelijk dat Van Hooff - die in 1793 tot de vooraanstaande revolutionairen behoorde - geen rol heeft gespeeld toen de Bataafse Revolutie zich in januari 1795 eindelijk voltrok. Na uit de gevangenis te zijn ontslagen verkoos hij namelijk in Frankrijk te blijven, waar hij zich toelegde op de restitutie van gelden die hij in 1793 in Breda aan de Fransen uit eigen zak had voorgeschoten. Pas na langdurig aandringen van familie en bekenden keerde hij een jaar na zijn vrijlating, op 9 november 1795, in zijn geboorteplaats terug.

Eenmaal terug in Eindhoven stortte Van Hooff zich weer snel in het politieke bedrijf. Hij was van 1 januari 1796 tot 29 januari 1798 lid van de vergadering van de Representanten van het Volk van Bataafs Brabant en gedurende één dag, 1 maart 1796, namens zijn gewest gedeputeerde in de inmiddels revolutionair vernieuwde Staten-Generaal. Tijdens deze allerlaatste zitting van dit bestuurslichaam hield Van Hooff met de hem kenmerkende welsprekendheid een inspirerende redevoering, waarin hij nogmaals zijn persoonlijk credo beleed. Hij pleitte voor de gelijkberechtiging van de verschillende religieuze gezindten en voor de emancipatie van Brabant, terwijl hij - onder de indruk van wat hij in Frankrijk had gezien - geweld als instrument van verandering afwees. Op diezelfde dag werd de Nationale Vergadering geconstitueerd, waarin Van Hooff zitting nam voor het district Leende.

Als lid van de Nationale Vergadering besteedde Van Hooff veel aandacht aan het samenvoegen van de provinciale schulden en het aandeel dat zijn eigen gewest daarin zou moeten nemen. Tegen de zin van zijn Brabantse mede-afgevaardigden in stemde Van Hooff in mei 1797 voor het samensmelten van de schulden, omdat hij, conform zijn politieke overtuiging, het nationale belang boven dat van het voormalige Generaliteitsland wilde laten prevaleren.

Van Hooffs rol bij de totstandkoming van een staatsregeling (: grondwet) is wat onbestemd. Aanvankelijk behoorde hij tot het kamp van de radicale unitaristen. Om de eenheidsstaat tot stand te brengen zocht hij actief de invloed van Frankrijk, en in dit verband reisde hij in oktober 1796 met zijn Brabantse mede-afgevaardigde Pieter Vreede naar Parijs. Terug in Den Haag werd Van Hooff op 2 december 1796 lid van de zevenkoppige commissie onder leiding van Jacob George Hieronymus Hahn, die tot taak kreeg de door de eerste Grondwetscommissie opgestelde ontwerpconstitutie in overeenstemming te brengen met het principe van ‘Een en Ondeelbaar’. In de loop van 1797 begon Van Hooffs standpunt echter te schuiven en wisselde hij zijn radicaal-unitaristische principes meer en meer in voor gematigde denkbeelden.

Nadat Van Hooff was herkozen en op 1 september 1797 voor het district Eindhoven zitting had genomen in de Nationale Vergadering, kwam het op 21 december daaropvolgend ter vergadering tot een heftige confrontatie tussen hem en zijn vroegere geestverwant Vreede. Aanleiding was Vreede’s steun aan een petitiebeweging voor een omvorming van de volksvertegenwoordiging om een radicaal-unitaristische staatsregeling te kunnen doordrukken. Volgens Van Hooff was deze poging niets anders dan een ‘attentat... tegen de Natie zelve’ (geciteerd in: Verhagen, 45).

Deze confrontatie bleek spoedig de opmaat tot de gebeurtenissen van begin 1798. Eerst vierde Van Hooff nog een kleine triomf toen hij op 5 januari in het tweewekelijks roulatieschema tot voorzitter van de Nationale Vergadering werd gekozen. Tweeënhalve week later bevond Van Hooff zich onder de 22 gematigde leden van deze volksvertegenwoordiging die bij de radicale staatsgreep van 22 januari 1798 werden gearresteerd. Aldus werd hij voor de vierde maal in zijn leven gevangengezet, eerst tot 3 februari in de Voorpoort en vervolgens in Huis ten Bosch.

Ditmaal zat Van Hooff een kleine zes maanden vast. Pas nadat op 12 juni 1798 de staatsgreep van Daendels een einde had gemaakt aan de het bewind van Vreede en de zijnen, kwam hij op 14 juli vrij. Kort daarop werd hij bij de nieuwe verkiezingen in juli 1798 namens Eindhoven gekozen tot lid van het Vertegenwoordigend Lichaam, het nieuwe parlement dat inmiddels was geconstitueerd. Maar omdat hij zich niet had ingeschreven, kon hij hierin geen zitting nemen.

Wel werd Van Hooff weer bestuurlijk actief. Op 31 augustus 1798 trad hij als één van de vijf directeuren toe tot het nieuwe, gematigde Uitvoerende Bewind. Het lidmaatschap van het hoogste bestuurcollege van het land paste bij zijn ambities. Van Hooff aanvaardde zijn benoeming en vestigde zich - met een korte onderbreking in 1807 - definitief in Den Haag. Naar eigen zeggen brak daarmee in zijn carrière een ‘nieuw eervol tijdvak’ aan (Autobiographie, 44).

Bracht zijn directeurschap enerzijds een persoonlijke triomf, anderzijds betekende het aanvaarden van deze functie een stijlbreuk in zijn loopbaan. Vóór zijn benoeming in het Uitvoerend Bewind was Van Hooff een flamboyante en gepassioneerde en daardoor enigszins grillige revolutionair geweest. Na zijn aanstelling ontplooide hij zich meer als een beroepsbestuurder. Wel maakte hij door zijn persoonlijk optreden furore tijdens de Brits-Russische invasie in Noord-Holland in augustus en september 1799. In overleg met het Franse opperbevel coördineerde hij toen binnenlandse tegenacties en trok hij naar het bedreigde gebied om de bewoners moed in te spreken en tot standvastigheid ten aanzien van de Bataafse Republiek te bewegen. Mede dankzij de inzet van Van Hooff, die na deze crisis als voorzitter van het Uitvoerend Bewind werd aangesteld, slaagde de kleine Frans-Bataafse legermacht erin de invasie een halt toe te roepen en zo de Bataafse Revolutie veilig te stellen. Conform het reglement moest Van Hooff op 10 juni 1800 aftreden als Directeur en mocht hij in de twee daaropvolgende jaren geen openbare betrekking bekleden.

Op 22 november 1803 kreeg hij voor Brabant zitting in het Wetgevende Lichaam, waarvan hij tot president zou worden benoemd. Meer persoonlijk gedreven dan politiek geïnspireerd continueerde Van Hooff het lidmaatschap van dit parlement ook tijdens het eenjarig Raadpensionarisschap van Rutger Jan Schimmelpenninck. Pas nadat Louis Bonaparte door zijn broer Napoleon tot koning van Holland was uitgeroepen, kwam hieraan een einde. De Koning, die voor zijn komst Van Hooff als ‘un grand ami des français' had aanbevolen gekregen, was vanaf het begin onder de indruk van diens persoon. Dat Lodewijk een groot vertrouwen in hem had, liet hij blijken door Van Hooff op 4 juli 1806 te benoemen tot directeur-generaal van Justitie en Politie, een functie die 25 dagen later zou worden omgezet in die van minister.

Het departement van Justitie en Politie was een nieuw departement, waarvan Lodewijk wist dat de introductie en de organisatie bij de Hollandse bevolking moeilijk zouden liggen. Van Hooff stond ambivalent tegenover zijn benoeming. Enerzijds was hij nog steeds ambitieus en beschouwde hij het ministerschap als eervol. Anderzijds zag hij op tegen zijn nieuwe taak, en vanaf het begin had hij dan ook - zo liet hij later weten - om gezondheidsredenen willen weigeren. Als minister legde Van Hooff zich vooral toe op de zakelijke organisatie van zijn departement. Al in augustus 1806 kon hij de Koning hierover een uitvoerige notitie aanbieden, maar toen hij zijn plannen wilde uitvoeren bleek de praktijk weldra weerbarstig. Behalve met een wantrouwige en geregeld protesterende bevolking, kreeg Van Hooff te maken met tegenwerking van lagere organen. Bovendien moest hij met andere ministers en departementen een competentiestrijd voeren, die in niet onbelangrijke mate werd aangewakkerd door het wispelturig beleid van koning Lodewijk. Hierbij kwam dat de spanningen van de revolutiejaren hun sporen bij de inmiddels 51-jarige Van Hooff hadden achtergelaten. Hij had aan veerkracht moeten inboeten en bleek steeds minder opgewassen tegen de moeilijkheden die zijn functie in de praktijk met zich bracht.

Op 4 mei 1807 werd Van Hooff op eigen verzoek ontslag verleend, zij het na enige aarzeling omdat Lodewijk hem graag wilde behouden. Een benoeming, op 8 mei 1807, tot Commissaris-generaal van het bij het Koninkrijk Holland gevoegde departement Oost-Friesland te Aurich wilde Van Hooff nog wel op zich nemen. Tevens aanvaardde hij op dezelfde datum zijn benoeming tot lid van de Staatsraad. In 1808 trok hij zich terug uit de actieve dienst: eerst op 8 februari - na de benoeming van een Landdrost - als Commissaris-generaal van Oost-Friesland, vervolgens op 30 juni als Staatsraad, waarbij hij door de Koning met een pensioen van 4.000 gulden werd begiftigd. Op 9 februari 1809 werd Van Hooff in Amsterdam nog in een laatste erefunctie benoemd, namelijk die van voorzitter van de koninklijke commissie ter ondersteuning van de slachtoffers van de grote watersnoodramp, die in januari van dat jaar het gebied van de grote rivieren in Midden-Nederland had getroffen.

Tijdens de inlijving van de ‘Hollandse departementen’ bij Frankrijk vervulde Van Hooff geen bestuursfunctie meer. Nadat Brabant al vier maanden eerder, op 16 maart 1810, deel van het keizerrijk was geworden, had Van Hooff -die zich kennelijk als geboren Brabander aangesproken voelde - zich overigens nog wel met een ‘Mémoire’ tot Napoleon gewend. In deze autobiografie en tevens verkapte adhesiebetuiging noemt hij zichzelf een ‘nieuw onderdaan’ van de Keizer en wijst hij hem op zijn verdiensten, zijn opofferingen, zijn trouw en zijn ’26 jaar van toewijding’ aan de Franse zaak (Autobiographie, 55). Daar hij zichzelf - zo betoogt hij - nooit financieel had willen verrijken ten koste van de hogere politieke belangen en idealen die hij voorstond, was zijn fortuin beperkt gebleven. Onder de nieuwe politieke omstandigheden hoopte hij dat de Franse Keizer hem in financieel opzicht welgezind zou zijn. Een reactie van Napoleon op zijn smeekbede bleef echter uit. Van Hooff bleef ambteloos burger en zou ook na 1813, tijdens het Koninkrijk van Willem I, noch in de politiek noch in een bestuursfunctie terugkeren. In 1816 kwam hij op doorreis in Utrecht plotseling te overlijden. Hij werd zestig jaar.

Jan van Hooff mag een sleutelfiguur in de Noord-Nederlandse geschiedenis van het einde van de achttiende worden genoemd. Zijn levensstijl als Patriots en Bataafs revolutionair was flamboyant en zijn optreden in die jaren moet, door zijn verschijning en redenaarstalent, indrukwekkend zijn geweest. Als de onbetwiste leider van de Patriotten en de rooms-katholieke Bataafse revolutionairen in Brabant wist hij op beslissende momenten zijn gewest te betrekken bij het revolutionaire proces, waarbij hij zowel de gewestelijke als de nationale belangen goed in het oog hield. Voorts was Van Hooff van landelijke betekenis, omdat hij met zijn vurig beleden credo van gelijkheid van allen voor de wet, religieuze tolerantie en geweldloze opstelling in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het bijzondere karakter van de Nederlandse revolutie in de achttiende eeuw. In 1792 en 1793 bevond hij zich als lid van het Comité Revolutionair in de voorhoede van het Bataafs revolutionair proces. Ideologische bijdragen leverde hij met welbespraakte redevoeringen in de Nationale Vergadering. Praktisch was hij als representant actief betrokken bij regelgeving voor de scheiding van kerk en staat, de emancipatie van de joden, het onderwijs en de vrijheid van drukpers.

Tegelijkertijd was Van Hooffs rol in het uiteindelijke staatsvormingsproces ambivalent. Hij was soms weinig consistent in zijn doen en denken, en zijn meervoudige gevangenschap - vooral in Parijs tijdens het Schrikbewind - lijken hem niet altijd mild, maar ook wantrouwend te hebben gemaakt. Mogelijk ligt aan het trauma dat Van Hooff aan de radicale revolutiedagen en zijn gevangenschap in Parijs had overgehouden ook de heftige botsing met Pieter Vreede ten grondslag. Dit kan eveneens het verbijsterende gemak verklaren waarmee hij enkele malen zijn grote passie voor de Bataafse Revolutie en de eenheidsstaat inruilde voor een zakelijk-bestuurlijke en verregaand zelfzuchtige opstelling.

Welbeschouwd kwam Van Hooff waarschijnlijk het best tot zijn recht tijdens het Koninkrijk Holland. De inrichting en aard van Lodewijks bewind lijken opmerkelijk goed in overeenstemming te zijn geweest met zijn karakter, ambities en zijn religieuze, nationale en latere revolutionaire wensen. Van Hooff was in deze jaren dan ook bestuurlijk actief, maar zijn carrière kwam niet meer tot een volledige ontplooiing, vooral niet omdat de voorafgaande revolutiejaren te veel van zijn energie en veerkracht hadden gevergd. Om dezelfde reden heeft Van Hooff ook geen rol meer gespeeld `tijdens het Verenigd Koninkrijk, waarbij het moeilijk is in te schatten in hoeverre zijn sterke Franse gezindheid - voor hemzelf en het regime van Willem I - hierop nog van invloed is geweest. Voor de Nederlandse geschiedenis blijft Jan van Hooff zodoende vooral van grote betekenis door zijn optreden in de laatste twee decennia van de achttiende eeuw, toen hij als leidend Patriots en Bataafs revolutionair belangrijk grondwerk heeft verzet voor het vestigen van de moderne Nederlandse democratie en de rechtsstaat.

Archivalia:
Archief J.F.R. van Hooff (1783-1814) in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage [inventaris].

Publicaties:
Autobiographie van mr. J.F.R. van Hooff. Uitgeg. door A.F.O. van Sasse van Ysselt (’s-Hertogenbosch 1918).

Literatuur:

  • H.T. Colenbrander, De Bataafsche Republiek (Amsterdam 1908).
  • J.C. Ramaer, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (Leiden 1930) VIII, 821-824.
  • Th. Goossens, Mr. J.F.R. van Hooff. Een Brabants Patriot, 1755-1816 (Nijmegen 1948).
  • F.B.A.M. Verhagen, Mr. Jan van Hooff. Spoortrekker voor de vrijheid vanuit Eindhoven en Brabant naar Den Haag (’s-Hertogenbosch [etc.] 1990).
  • L.G. Karper, Levensschets van mr. J.F.R. van Hooff. De eerste minister van Justitie en Politie 1806/1807 (Z.pl. 1979).
  • W. Th.M. Frijhoff, ‘De betekenis van Jan van Hooff. Toespraak bij gelegenheid van de onthulling van het standbeeld van Jan van Hooff te Eindhoven, 19 december 1992’, Noordbrabants Historisch Jaarboek 10 (’s-Hertogenbosch 1993) 183-194.
  • M.E. Verburg, Geschiedenis van het ministerie van Justitie. I: 1798-1898 (’s-Gravenhage 1994).
  • Jacques J.M. Baartmans, Hollandse wijsgeren in Brabant en Vlaanderen. Geschriften van Noord-Nederlandse Patriotten in de Oostenrijkse Nederlanden, 1787-1792 (Nijmegen 2001).
  • Joost Rosendaal, Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk, 1787-1795 (Nijmegen 2003).

Portret:
Gravure door Reinier Vinkeles (detail) (afgebeeld in: A.M. Elias en Paula C.M. Schölvinck, Volksrepresentanten en wetgevers. De politieke elite in de Bataafs-Franse tijd, 1796-1810 (Amsterdam 1991) 116).

Johan Joor

laatst gewijzigd: 12/11/2013