Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

HOPE, Henry, bankier en kunstverzamelaar (Huize 'Payne's Hill', Quincy (Massachusetts, Noord Amerika) ?-?-1735 - Londen (Groot-Brittannië) 25-2-1811). Zoon van Henry Hope, koopman, en Sarah Willard. Ongehuwd.

Aan het einde van de zeventiende eeuw dreef de van oorsprong Schotse koopman Archibald Hope een bloeiende handel op Engeland en Schotland in Rotterdam. Twee zoons, Thomas en Archibald junior, volgden hun vader op en verplaatsten het bedrijf naar Amsterdam, waar zij in 1724 samen actief waren. Na Archibalds dood nam Thomas zijn broer Adrian op in de firma, die sindsdien Thomas & Adrian Hope heette. In korte tijd wist het bedrijf zich een naam te verwerven tussen de plaatselijke handelshuizen. Een vierde broer, Henry, had minder slag van zaken. Omstreeks 1730 emigreerde hij naar Noord-Amerika en vestigde zich in de omgeving van Boston. Zijn daar geboren zoon Henry junior verliet de kolonie als dertienjarige jongen om in Londen een Britse scholing te volgen. In 1754 kwam hij in dienst bij de firma Gurnell, Hoare & Co., zakenrelaties van zijn Amsterdamse ooms. Zes jaar later maakte Henry de overstap naar Amsterdam, waar hij in 1762 - samen met Thomas' zoon John - toetrad tot de firma, die toen werd omgedoopt tot Hope & Co.

In deze jaren beleefde de Amsterdamse zakenwereld een schitterende nabloei. De groei van de goederenhandel bleef weliswaar achter bij die van omringende landen, en qua volume was de Londense markt vermoedelijk inmiddels groter, maar de sector bezat nog steeds een forse omvang en dynamiek, vooral wat de Atlantische handel betreft. De branche ontleende deze kracht aan de commissiehandel. Door het grote handelsvolume kon zij deze diensten relatief goedkoop aanbieden en zo goederenstromen naar zich toetrekken die de Republiek der Verenigde Nederlanden anders geheel zouden zijn voorbijgegaan. Betaling en krediet geschiedde door middel van wissels. Dankzij de goede reputatie van Amsterdamse firma's en de muntstabiliteit in de Republiek kreeg de guldenwissel geleidelijk een internationale positie. Op basis hiervan ontwikkelden zich weer nieuwe patronen van dienstverlening, zoals het arrangeren van grote geldzendingen en leningen voor buitenlandse mogendheden.

Zo verrichtte Thomas & Adrian Hope tijdens de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) troepenbetalingen voor de regering in Londen op het continent en plaatste de firma tevens een deel van de Britse staatsleningen. Tevens deed Hope tijdens de jaren vijftig van de achttiende eeuw mee met de hausse in leningen op onderpand van plantages in het Caribische gebied. De macht van de firma maakte het indrukwekkende bedrijfscomplex van woonhuizen, pakhuizen en kantoren tussen Prinsengracht en Keizersgracht bij het Molenpad tot een bezienswaardigheid voor toeristen.

In 1780 nam Henry Hope de leiding van de firma over en stuwde het bedrijf tot een indrukwekkende expansie langs de eerder uitgezette lijnen. De grootschalige goederenhandel voor derden bleef de kernactiviteit, daarnaast groeiden het emissiebedrijf sterk, met in 1768 de eerste van een reeks Zweedse leningen, gevolgd door een Spaanse in 1782. Daar tussendoor plaatste de firma leningen voor de Poolse koning, allerlei Poolse en Duitse vorsten, en voor de Franse regering. Van de populaire leningen aan de jonge Verenigde Staten hield Hope & Co. zich afzijdig, mogelijk uit sympathie voor Groot-Brittannië.

In 1788 wist Henry Hope het vertrouwen te winnen van tsarina Catharina de Grote. Zo bemachtigde hij de klandizie van de Russische regering, die voorheen werd behandeld door het Amsterdamse huis R. & Th. de Smeth. Het was het begin van een langdurige relatie: tot diep in negentiende eeuw bracht Hope & Co. als exclusieve hofbankier zeer omvangrijke Russische leningen op de markt. Dit gebeurde met opvallend gemak dankzij een hechte organisatie van onderaannemers, vanaf omstreeks 1790 geleid door Willem Borski. In deze jaren evenaarde het balanstotaal van de firma dat van de befaamde Amsterdamse Wisselbank met een bedrag van omstreeks 25 miljoen gulden, waarmee Hope & Co. waarschijnlijk veruit het grootste Europese handelshuis van zijn tijd was. De groei ging echter gepaard met een dalende winstgevendheid, teken dat het bedrijf eigenlijk onvoldoende emplooi vond op zijn thuismarkt.

Over Hope's persoonlijke leven is weinig bekend. Hij leefde als vrijgezel op grote voet in het huis Keizersgracht (tegenwoordig de nummers 444-446). Zijn ooms hadden dit al aan het Molenpadcomplex toegevoegd; door verwerving van belendende percelen vergrootte Hope het pand aanzienlijk om er zijn omvangrijke en nochtans uitgelezen verzameling schilderijen en kunstvoorwerpen in onder te brengen. Uiteindelijk bood het gebouw zoveel ruimte dat tijdens het seizoen 1789-1790 het Hoogduitsch Tooneelgezelschap, waarvan Hope grootaandeelhouder was, daar kon spelen, na het afbranden van de verderop gelegen stadsschouwburg.

Al in 1769 had Hope het buitenverblijf 'Welgelegen' aan de rand van Haarlem gekocht, dat hij vervolgens met omringende landgoederen sterk uitbreidde. De bestaande panden liet hij tijdens de jaren 1786-1788 vervangen door een imposant neoklassiek paleis, vermoedelijk ontworpen door de Sardijnse consul in Amsterdam Michel baron de Triqueti naar het voorbeeld van villa's in de omgeving van Rome.

Als bekendste bankier van zijn tijd onthaalde Hope internationale grootheden als de Amerikaanse politicus en wetenschapper Benjamin Franklin en de Zweedse theoloog en mysticus Emanuel Swedenborg op vorstelijke wijze bij hem thuis. Hij verschafte ook bijzonderheden over de Amsterdamse markt aan de filosoof en econoom Adam Smith voor diens beroemde An inquiry into the nature and causes of the wealth of nations (1776). Deze bedankte Hope hiervoor door in 1786 de vierde druk van zijn boek aan hem op te dragen. In tegenstelling tot zijn beide ooms vervulde Hope geen openbare bestuursfuncties. Wel koesterde hij evenals zij Orangistische sympathieën, wat hem in oktober 1787, een maand na de Pruisische inval, op een duwpartij kwam te staan toen hij met een oranjekokarde op zijn hoed de overwegend Patriotsgezinde beurs betrad. Dit incident belette hem niet om drie jaar later stadhouder Willem V op 'Welgelegen' met de voor hem gebruikelijke luxe te ontvangen.

Hope was niet alleen een mecenas van de kunsten, die naast het Hoogduitse ook het Franse theater in Amsterdam financieel steunde en persoonlijk met schilders over de prijs van hun werk onderhandelde. Hij stond tevens bekend om zijn genereuze schenkingen aan liefdadige doelen en had daarnaast oog voor individuele noden. Toen hem ter ore kwam dat een onbemiddelde Britse klerk ergens in Amsterdam ziek dreigde te creperen, liet hij deze John Williams bij zich thuis verplegen en nam hij hem in dienst toen deze weer was opgeknapt. In 1782 trouwde Williams met een nicht van Hope. Tegelijkertijd trad hij toen toe tot de firma, waarna hij zich John Williams Hope liet noemen.

Hoewel Hope & Co. nog in 1789-1790 graanzaken voor de nieuwe Franse regering had gedaan, verwachtten de firmanten weinig goeds van de revolutionaire legers die na 1792 naar het noorden opdrongen. In het najaar van 1794 verhuisden zij met bedrijf en al naar Londen, het Amsterdamse kantoor achterlatend onder de hoede van zaakwaarnemers. Hope nam zijn kunstverzameling mee en verdeelde deze over een groot pand in het centrum van de Britse hoofdstad en een buitenhuis in de buurt van Richmond, waar hij zijn luxueuze levensstijl voortzette.

In nauwe samenwerking met de koopman en bankier Francis Baring lukte het Hope om, ondanks de turbulente tijdsomstandigheden, Hope & Co. zijn eersterangs positie in de internationale handels- en bankwereld te laten behouden. Die steunde mede op de grote zorg die de firmanten besteedden aan het behoud van een onbesproken reputatie en het beredderen van leningen die ze hadden gearrangeerd. Een absoluut hoogtepunt vormde in 1803 de door de Baring-Hope tandem georganiseerde 6% lening waarmee de Verenigde Staten Louisiana - ruwweg het gebied bewesten de Mississippi - van Frankrijk kochten, de zogeheten 'Louisiana Purchase'. Toen lag de dagelijkse gang van zaken in het bedrijf echter al in handen van John Williams Hope en met name van Pierre César Labouchère, een briljante bankier die door Hope was gerekruteerd bij zijn correspondent in Nantes.

Een deel van zijn fortuin stond Hope nog bij zijn leven af. In 1802 schonk hij bijvoorbeeld 'Welgelegen' aan John Williams Hope en diens gezin. Desondanks resteerde er bij zijn overlijden in februari 1811, op 76-jarige leeftijd, nog een vermogen van naar zeggen 1 miljoen pond, wat neerkwam op ruim tien miljoen toenmalige guldens. Met Hope's dood kwam er een einde aan de band tussen familie en firma. Zijn erven en de andere firmanten verkochten het bedrijf aan Alexander Baring. Deze zou, na het vertrek van de Fransen, samen met drie andere bankiers in 1814 Hope & Co. in Amsterdam heroprichten.

Als belangrijkste Europese bankier van zijn tijd bouwde Henry Hope een formidabel bedrijf op dankzij zijn vermogen om met uitgelezen medewerkers grote en complexe internationale transacties voor een scherpe prijs tot stand te brengen. Onder zijn leiding ontgon Hope & Co. een markt die pas veel later, ver in de negentiende eeuw, tot volle ontwikkeling zou komen. De zorg die de firma daarbij aan haar producten besteedde stelt hedendaagse navolgers in een pijnlijk licht.

Archivalia:

Archief van de Firma Hope en Co. in het Stadsarchief te Amsterdam.

Literatuur:

  • Necrologie in: The Times, 5-3-1811.
  • Necrologie in: Gentleman's Magazine, maart 1811, pp. 292-293.
  • H.W. Law en I. Law, The book of the Beresford Hopes (Londen 1925).
  • D.S. van Zuiden, 'Een acte over de moeilijkheden waarin het huis Hope & Comp. in 1796 verkeerde', Maandblad Amstelodamum 23 (1936) 116-118.
  • Blauw, K., 'Het provinciehuis van Noord-Holland', Jaarboek Haerlem (1959) 69-85.
  • Blauw, K., 'Van "hofstede" tot "paviljoen" Welgelegen', Jaarboek Haerlem (1962) 53-72.
  • M.G. Buist, At spes non fracta, Hope & Co. 1770-1815. Merchant bankers and diplomats at work (Amsterdam 1974).
  • J.C. Riley, International government finance and the Amsterdam capital market, 1740-1815 (Cambridge 1980).
  • Paviljoen Welgelegen 1789-1989. Van buitenplaats van de bankier Hope tot zetel van de Provincie Noord-Holland. Onder red. van L.H.M. Quant [e.a.] (Haarlem 1989).
  • D.J. Watkin, 'The Hope family and neo-classicism', Documentatieblad werkgroep Achttiende eeuw 22 (1990) 1-7.
  • Ben Broos [e.a.], Hollandse meesters uit Amerika (Zwolle 1990) 420.
  • J.P.B. Jonker, MeesPierson, schakel tussen verleden en toekomst, 275 jaar traditie en vernieuwing in het Nederlandse bankwezen (Amsterdam 1997).
  • J.P.B. Jonker en K.E. Sluyterman, Thuis op de wereldmarkt, Nederlandse handelshuizen door de eeuwen heen ('s-Gravenhage 2000).
  • J. Heijenbrok en G. Steenmeijer, 'Meer dan welgelegen. Abraham van der Hart en de familie Hope', Bulletin KNOB 107 (2008) 194-211.
  • Europäische Galeriebauten. Galleries in a comparative European perspective (1400-1800). Akten des internationalen Symposions der Bibliotheca Hertziana. Onder red. Van Christina Strunck en Elisabeth Kieven (München 2010) 192-193.

Portret:

Henry Hope op 41-jarige leeftijd; Mezzotint door Charles Howard Hodges (1788) naar een verloren gegaan schilderij door Joshua Reynolds (1776). Collectie National Portrait Gallery te Londen.

Joost Jonker

laatst gewijzigd: 12/11/2013