Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

NAEREBOUT, Frans, loods en mensenredder (Veere 30-8-1748 - Goes 29-8-1818). Zoon van Matheus Naerebout, visser, en Catharina Spruijt. Gehuwd op 18-2-1775 met Sara Johanna Hoevenaar (1783-1816). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 4 dochters geboren.

Frans Naerebout werd geboren als jongste zoon in een vissersgezin uit Veere. Tijdens zijn eerste levensjaar verhuisde het gezin naar Vlissingen, waar hij zijn jeugd doorbracht. Veel onderwijs zal Frans niet hebben genoten, want van jongs af hielp hij, met zijn oudere broer Jacob, zijn vader bij de garnalenvisserij. Zodoende raakte hij al snel ‘even goed bekend op zee als in de straten van Vlissingen’ (Van Wallenburg (1948)).

In maart 1775 trouwde Naerebout met de acht jaar jongere Saartje Hoevenaar, met wie hij tussen 1775 en 1789 zes kinderen zou krijgen. Intussen kwam zijn kennis over de soms verraderlijke Zeeuwse kust de jonge visser goed van pas, want naast het vissen ging hij steeds vaker schepen beloodsen. Als loods adviseerde hij schepen over de veiligste route naar de haven van Vlissingen. Dit deed hij blijkbaar met accuratesse, want omstreeks zijn dertigste stond Naerebout in Vlissingen bekend als een betrouwbare en bekwame loods.

Op 23 juli 1779 vestigde Naerebout zijn reputatie als kundig zeeman voorgoed. Die zaterdag liep het koopvaardijschip ‘Woestduijn’ van de Zeeuwse Kamer van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) op de Schelde vast op de Rassen, een verraderlijke zandbank tussen Vlissingen en Westkapelle. Aan boord bevonden zich ruim honderd passagiers en bemanningsleden, die dreigden om te komen. De golven deden het schip namelijk al na een enige uren doormidden breken, waarbij een aantal schepelingen overboord sloeg.

Naerebout, die de ‘Woestduijn’ net kon zien liggen, achtte het echter mogelijk de overgebleven opvarenden te redden. Die nacht wist hij zijn broer Jacob, een neef en zes andere Vlissingse zeelieden te bewegen met hem uit te varen in een kleine vissersschuit. Of Naerebout bij deze stoutmoedige reddingspoging werd geleid door mededogen - zoals in de literatuur wordt gesuggereerd - of door motieven van financiële aard, is onbekend. Vast staat dat zijn riskante onderneming slaagde. Ondanks de harde regen en wind wisten de negen Vlissingers in de ochtend van 24 juli 66 mannen, een vrouw en vier kinderen van de ‘Woestduijn’ te redden. De zestien overgebleven schipbreukelingen moesten wachten tot Naerebout en de zijnen in de loop van de dag een tweede tocht ondernamen, waarbij ook zij werden gered.

De redding van de ‘Woestduijn’ was tot in Noord-Holland nieuws. Ook de VOC was onder de indruk van de redding. De Kamer Zeeland schonk op 23 september een bedrag van 1.800 gulden om onder de negen redders te verdelen, met dien verstande dat de Frans en Jacob Naerebout elk een dubbel aandeel zouden ontvangen. Tevens ontvingen de twee broers vijf dagen later tijdens een plechtige bijeenkomst ieder een zilveren gedenkpenning en 23 dukaten. Bovendien werd Naerebouts moed bezongen in literaire werken: Rhijnvis Feith schreef direct na de redding een kort feestgedicht ‘Voor de redders Jacob en Frans Naerebout’ (1778) en van de hand van de eveneens uit Vlissingen afkomstige Jacobus Bellamy verscheen het gedicht ‘De schipbreuk’ (1780). Later, in 1792, zou Adriaan Loosjes Pzn. zelfs een toneelstuk aan de heldendaad wijden, getiteld De gebroeders Naerebout.

Naerebout, die tot dan toe ad hoc als loods had gewerkt, kreeg in maart 1781 van overheidswege een vaste betrekking. Terzijde gestaan door vier medewerkers loodste hij allerhande schepen langs de Zeeuwse en Hollandse kusten. Daarbij behoedde hij hen overigens niet alleen voor schipbreuk, maar in een aantal gevallen - door snel en daadkrachtig handelen - ook voor verovering door Britse kapers, die tijdens de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) jacht maakten op de koopvaardijschepen van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Toen duidelijk werd dat Naerebouts redding van de ‘Woestduijn’ geen incident was, bood de Zeeuwse Kamer van de VOC in 1783 hem een aanstelling aan. Naerebout accepteerde het aanbod: hij zou voortaan rijkbeladen compagnieschepen beloodsen.

Naerebout was een consciëntieuze werknemer, die er eer in legde iedere beloodsing tot een goed einde te brengen. Soms betekende dat grote persoonlijke offers, zoals in december 1788. In die maand verloor het compagnieschip de ‘Zuiderburg’, dat naar Indië vertrok, al op een zandbank bij Vlissingen het roer. Omdat de zee vol ijsschotsen lag, leek er geen mogelijkheid het schip te redden, tot grote frustratie van de Zeeuwse VOC-bewindhebbers: de ‘Zuiderburg’ had namelijk niet alleen vierhonderd man aan boord, maar ook een half miljoen gulden in contanten. Nu bewees Naerebout echter zijn waarde. De loods wist zich met een kleine sloep vanuit Westkapelle een weg te banen naar de ‘Zuiderburg’ en liet bij wijze van hulproer een kleine loodsgaljoot aan de achterzijde van het grote schip vastbinden. Zijn plan was om de ‘Zuiderburg’ naar een Zuid-Engelse haven te loodsen, waar het schip met een nieuw roer zou kunnen worden uitgerust. Na een zware tocht - de loodsgaljoot werd door een hevige storm van het schip gescheiden, waardoor Naerebout zonder enig roer moest navigeren - bereikte de ‘Zuiderburg’ na tien dagen de haven van Plymouth. Het duurde vervolgens lang voordat het schip met een nieuw roer kon uitvaren: pas na vijf maanden keerde Naerebout terug in Vlissingen. De Zeeuwse Kamer van de VOC gaf hem voor zijn redding van het schip met zijn kostbare lading een beloning van zeshonderd gulden. Naar verluidt vond de loods de geringe omvang van dit bedrag zo vernederend laag, dat hij het weigerde aan te nemen.

Nog langer was Naerebout van huis in 1794, een jaar na de dood van zijn broer Jacob. De koopvaarder ‘Voorland’, die Naerebout in oktober beloodste, kon hem vanwege een storm niet in een Engelse haven afzetten, waardoor Naerebout genoodzaakt was tot aan Kaap de Goede Hoop mee te varen: een reis van vele maanden. In Zuid-Afrika moest hij bovendien enkele weken wachten op een retourschip dat hem mee terug kon nemen. Tijdens zijn verblijf aan de Kaap had Naerebout overigens een bijzondere ontmoeting - zo tekende hij op in zijn reisjournaal - met een man ‘die ik van het schip “Woestduin” gered had. Die vriend toonde mij zulk een vriendschap, dat hem de tranen van zijne oogen afliepen’ (Nierstrasz, 101).

Naerebouts terugreis verliep nog minder voorspoedig dan de heenreis: het koopvaardijschip waarop hij voer, viel bij Sint Helena in handen van Britse kapers. Naerebout kwam als gevangene in Londen terecht. Pas op 23 september 1795 wist hij te ontsnappen, doordat een kapitein die hij kende hem in het ruim van zijn schip verborg. Naerebout loodste het schip langs verscheidene schepen van de Royal Navy naar de haven van Rotterdam, vanwaar hij per binnenvaartschip naar Vlissingen reisde. Hij was meer dan een jaar afwezig geweest en had al die tijd geen salaris ontvangen.

Inmiddels was de Bataafse Republiek gevestigd, die als bondgenoot van het revolutionaire Frankrijk, deel moest nemen aan de strijd tegen Groot-Brittannië. Voornamelijk vanwege deze oorlogssituatie viel er voor Naerebout vanaf 1796 steeds minder loodswerk te verrichten. Op 48-jarige leeftijd werd hij op een mager pensioen gesteld. Nog slechts een enkele keer werkte Naerebout als loods. Zo wist hij in 1804 het Bataafse flottielje dat onder leiding stond van schout-bij-nacht Carel Hendrik Verhuell, dicht onder de kust varend, vanuit Vlissingen naar Oostende, Duinkerken en Boulogne te loodsen, waardoor het uit handen van de Britten bleef. Tamelijk wrang was, dat Naerebout uitgerekend tijdens zijn laatste beloodsing in 1805 gewond raakte. Tot aan zijn dood zou hij van de gevolgen van deze verwonding last houden.

Naerebout liep inmiddels tegen de zestig. Aan zijn heroïsche verleden als onverschrokken loods had hij vooral symbolische memorabilia overgehouden: gedenkpenningen, eretekens, prenten en een zilveren zakhorloge. Aan geld ontbrak het hem echter. Om zijn lage pensioen aan te vullen, legde Naerebout zich daarom toe op de garnalenvisserij. Twee van zijn kleinkinderen assisteerden hem daarbij.

Op 1 maart 1807 verhuisde Naerebout met zijn vrouw Saartje van Vlissingen naar Goes, waar hij een betrekking had gekregen als lichtwachter van de nieuwe vuurbaak aan de mond van de Zandkreek ten noorden van de stad. Het was zijn taak iedere avond een houten trap van vijftien treden te beklimmen om het grote petroleumlicht op de baak te ontsteken; in de ochtend moest hij dit licht dan weer doven. Het grootste nadeel van deze tamelijk eenvoudige betrekking was het ontbreken van geschikte huisvesting bij de zeedijk aan de Oosterschelde. Het enige beschikbare onderkomen in de nabijheid van de baak was een eenvoudige, half ingegraven keet, met een dak van zeilen en planken. Deze schamele hut werd ongeschikt geacht voor bewoning door een vrouw, dus huurde Saartje in Goes een woning. Naerebout verbleef ’s nachts in de keet. Overdag voer hij geregeld met schippers mee naar Goes, om Saartje te bezoeken en om bij te komen van de ontberingen op de dijk.

In 1812 leken Naerebouts levensomstandigheden zich te verbeteren. Niet alleen kreeg hij in juni een tweede betrekking als havenmeester en sluiswachter van het Goese Sas. Tevens verrees toen op de zeedijk een houten huisje met pannendak, zodat Naerebout en zijn echtgenote nabij de vuurbaak konden wonen. De voorspoed was echter van korte duur: in de loop van 1814 werd de uitbetaling van Naerebouts salaris als havenmeester gestaakt. Hij had de betrekking tijdens de inlijving bij Frankrijk gekregen, en de nieuwe bewindhebbers van Goes hadden verzuimd de nodige gelden voor zijn post beschikbaar te stellen.

Het leek erop dat Naerebout zijn laatste dagen in armoede zou moeten slijten, maar in 1816 ontving hij een zeker financieel eerherstel. Dat had hij vooral te danken aan de inspanningen van hooggeplaatste sympathisanten die zich zijn armoede aantrokken. In maart 1816 schonk bijvoorbeeld de hoogbejaarde luitenant-admiraal Jan Hendrik van Kinsbergen - die hij al in 1781, tijdens de Vierde Engelse Oorlog, als loods had leren kennen - hem via het Provinciaal Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen honderd gulden. ‘Groot is mijne dankerkentenis van U edelens Hagbaar heer hadmiraal’, schreef Naerebout hem kort daarna (De Klerk, 9). En op 16 september 1816 reikte het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen Naerebout tijdens een plechtigheid eveneens een bedrag van honderd gulden uit. Verder drongen invloedrijke personen als Van Kinsbergen er bij koning Willem I op aan de oude loods financieel tegemoet te komen. Dit had niet alleen tot gevolg dat de vorst Naerebout op 31 oktober 1816 tot broeder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw benoemde - een onderscheiding met een jaargeld van tweehonderd gulden - , maar hem kort daarop ook vijfhonderd gulden aan achterstallig salaris liet toekennen. Naast financieel eerherstel viel Naerebout ook een artistieke hommage ten deel. In 1818 gaf Van Kinsbergen de Middelburgse kunstschilder Johan Pieter Bourjé namelijk opdracht portretten te schilderen van twee Nederlandse zeehelden, te weten Michiel de Ruyter en Frans Naerebout. Het portret van Naerebout kwam te hangen in het gebouw van het Zeeuwsch Genootschap.

Intussen was Naerebouts gezondheid verslechterd. Hij werd in de zomer van 1818 in zijn huisje op de dijk verzorgd door een zekere Adriana van Poelje, daar zijn vrouw Saartje twee jaar eerder was overleden. Hijzelf overleed eind augustus 1818, één dag na zijn zeventigste verjaardag. Zijn begrafenis, bekostigd door door het Goese departement van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, trok veel toeschouwers. Op Naerebouts grafsteen in de Grote Kerk wordt hij geprezen als ‘de beroemde zeeman en edele menschenvriend’. Op de Vlissingse boulevard staat zijn standbeeld, en in de Grote Kerk in Goes en bij het Goese Sas herinneren gedenktekens aan hem. Een zin in het Zeeuwse volkslied is aan hem gewijd: ‘Dat immer hoog in eere houdt / den onverschrokken Naerebout’.

De daden van Frans Naerebout als onverschrokken mensenredder spraken al tijdens zijn leven bij velen tot de verbeelding. Zijn verdiensten als loods werden echter pas na zijn dood naar waarde geschat. Zij vormden vooral een bron van inspiratie voor het Nederlandse loodswezen, dat vanaf 1859 door de overheid centraal werd georganiseerd. In 1863 legde koning Willem III zelfs bij Koninklijk Besluit vast, dat altijd minstens één vaartuig van het Nederlandse loodswezen de naam ‘Frans Naerebout’ zou moeten dragen.

Archivalia:
Documentatiemap betreffende Frans Naerebout in het Zeeuws Documentatiecentrum te Middelburg.

Literatuur:
Naast de in de tekst genoemde publicaties:

  • J.W. te Water, Bericht wegens het verongelukte Oost-Indische schip Woestduin en de reddinge der schepelingen door de gebroeders Naerebout (Amsterdam 1780).
  • ‘Berigt wegens de verdiensten van den loots Frans Naerebout, bij gelegenheid van de hulde, hem onlangs door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Middelburg bewezen’, Algemeene Konst- en Letter-bode (Haarlem 1816) nr. 14, 210-215.
  • Lofrede op Frans Naerebout, uitgesproken in de vergadering van het Goessche departement der Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, den 20. van wintermaand 1819 (Goes 1820).
  • A.J. Lastdrager, De Nederlandsche zeeloods Frans Naerebout. Een schoolboek (Amsterdam 1820).
  • J.L. Nierstrasz jr., Frans Naerebout (Leeuwarden 1826).
  • J. Stamperius, Frans Naerebout. De loods van Vlissingen (Den Helder 1890).
  • L. van Wallenburg, ‘Frans Naerebout, de dappere loods’, Het Schouwvenster. Week-illustratie voor het christelijk Huisgezin, 15-1-1932.
  • L. van Wallenburg, ‘Frans Naerebout’, Provinciale Zeeuwse Courant, 17-8-1948.
  • A. Korteweg, ‘Frans Naerebout. Loods en mensenredder’, Provinciale Zeeuwse Courant, 23-7-1949.
  • A. Vorster, De redding van Woestduyn. Het leven van Frans Naerebout (’s-Gravenhage 1950).
  • F. Oudschans Dentz, ‘Helden der zee. De levensgeschiedenis van Frans Naerebout en zijn bezoek aan de Kaap’, Onze Vloot. Maandblad gewijd aan de Nederlandse Zeestrijdkrachten 42 (1953) 326-327.
  • Dignate Robbertz [= Johanna Beversluis-Verstraate], Man te roer (Nijkerk 1956) [biografische roman].
  • C. Harms, ‘Een bekende Zeeuw, Frans Naerebout’, Gens Nostra. Maandblad der Nederlandse Genealogische Vereniging 24 (1969) 102-103.
  • Leen Moerland, ‘Mensenredder van formaat’, Provinciale Zeeuwse Courant, 19-12-2001.
  • Frank de Klerk, De Goese jaren van Frans Naerebout (Goes 2005) [tentoonstellingscatalogus].
  • Jan J.B. Kuipers, ‘Frans Naerebouts pannen’, Provinciale Zeeuwse Courant, 3-10-2005

Portret:
Cliché-afdruk van een schilderij door Johan Pieter Bourjé (1818). Collectie Gemeentearchief Vlissingen.

Liesbeth Sparks

laatst gewijzigd: 12/11/2013