Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

REUVENS, Jan Everard, jurist en bestuurder (Haarlem 2-11-1763 - Brussel 22-7-1816). Zoon van Antonie Reuvens, comptoirbediende en procuratiehouder bij een brouwerij, en Catharina van Heimenberg. Gehuwd op 16-8-1790 met Maria Susanna Garcin (1759-1798). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 jong overleden dochter geboren.

Jan Everard Reuvens groeide op in een eenvoudig burgermilieu te Haarlem, samen met een oudere broer en zuster; vijf andere kinderen overleden jong. Reeds op zesjarige leeftijd verloor hij zijn vader. Van januari 1774 tot juni 1778 bezocht hij de Latijnse school in zijn woonplaats, waar hij vervolgens op het notariskantoor van zijn broer Caspar van Heimenberg Reuvens werd geplaatst. Dit was geen ongebruikelijke voorbereiding op een academische studie, omdat enige praktische kennis van het recht een voorsprong gaf bij het volgen van de juridische colleges. Op 13 september 1779 liet Reuvens zich als student inschrijven aan de Universiteit te Leiden, waarschijnlijk op kosten van zijn broer. Hij volgde in de eerste jaren colleges in de wijsbegeerte en letteren, daarna in de rechten bij de hoogleraren Bavius Voorda en Dionysius Godefridus van der Keessel. Op 6 november 1784 sloot hij zijn studie cum laude af met de verdediging van het proefschrift De cautione Muciana, handelend over een Romeins-rechtelijke erfstelling onder voorwaarden.

Kort hierna, op 23 november 1784, liet Reuvens zich inschrijven als advocaat bij het Hof van Holland en Zeeland en ging hij in de leer bij de Haagse advocaat F.J. Gallé, een beproefd kantoor voor de opleiding van jonge advocaten. Hij ging wonen in Den Haag aan 't Raampje, later aan de zuidzijde van de Prinsegracht. Kort daarna begon hij zijn eigen bescheiden praktijk.

In de strijd tussen Prinsgezinden en Patriotten, die juist in deze jaren in Den Haag in hevige onlusten tot uiting kwam, behoorde Reuvens tot de laatstgenoemden. In 1787 maakte hij dan ook deel uit van een gerechtelijke commissie die moest oordelen over deze ordeverstoringen. Maar in september van dat jaar, na militaire interventie van Pruisen ten gunste van de Stadhouder, keerden de kansen. Reuvens werd als lid van een Patriots leesgezelschap in Den Haag verdacht van anti-Orangistische sympathieën en vluchtte naar Brussel. Daar sloot hij zich aan bij de 'Société des Refugiés hollandois'. In de zomer van 1788 keerde hij naar Den Haag terug en hervatte hij zijn praktijk.

In 1790 trouwde Reuvens met Maria Garcin, de dochter van een Waalse predikant en hoogleraar in de Franse taal aan de Academie te Franeker. Via haar familie zou hij met tal van vooraanstaande personen in contact komen. Zo was een tante van Maria gehuwd met de natuurkundige Jan Hendrik van Swinden, met wie Reuvens nauwe betrekkingen onderhield. In 1791 werd een dochtertje geboren, dat echter al na vier maanden overleed. Twee jaar later kreeg het echtpaar een zoon, Caspar Jacob Christiaan, de latere grondlegger van de Nederlandse archeologie. Eind januari 1798 stierf Reuvens echtgenote. De opvoeding van de zoon kwam toen grotendeels in handen van de vrouw van zijn broer Caspar, die drie maanden eerder met zijn notarispraktijk van Haarlem naar Den Haag was verhuisd.

Intussen had de Bataafse omwenteling plaatsgevonden en was Reuvens op 16 januari 1795 lid geworden van de Haagse Raad van Lijfstraffelijke en Burgerlijke Rechtspleging. Dit was niet van lange duur, want een maand later, op 17 februari, volgde zijn benoeming tot raadsheer in het Hof van Holland en Zeeland. Reuvens werd allereerst belast met de afdoening van alle zaken van de inmiddels opgeheven Hoge Raad van Holland en Zeeland.

Als raadsheer werd Reuvens in 1796 door de Nationale Vergadering benoemd tot lid van de codificatiecommissie voor de nieuwe wetboeken. Deze 'Commissie van Twaalf' is nooit bijeen geweest, en pas in 1798 werd dit werk op grond van een nieuwe Staatsregeling (: grondwet) serieus ter hand genomen. Reuvens nam zitting in twee van haar subcommissies. Degene die het procesrecht moest ontwerpen kwam al begin mei 1799 met het ontwerp voor een Algemeene manier van procedeeren in civiele en crimineele zaaken, een wetboek dat overigens hoofdzakelijk het werk was van de secretaris van deze subcommissie, Joannes van der Linden. Samen met vier ander juristen maakte Reuvens tevens deel uit van de subcommissie voor het vervaardigen van een crimineel wetboek. Haar werkzaamheden zouden uiteindelijk in 1801 leiden tot een ontwerp Lijfstraffelijk Wetboek.

Reuvens bleef raadsheer in het Hof van Holland en Zeeland tot 1 mei 1799, toen hij werd benoemd tot Agent (: minister) van Justitie. Hij heeft dit ambt vervuld tot en met 28 februari 1802, toen het werd opgeheven. De taken van de Agent van Justitie gingen toen voor een groot deel over op het nieuw gecreëerde Nationaal Gerechtshof, waarvan Reuvens op 1 maart 1802 de eerste president werd. Daarmee nam hij de hoogste functie in binnen de rechterlijke macht. Hij ontwierp zelf de instructie van het Nationaal Gerechtshof, die grotendeels was ontleend was aan de Algemeene manier van procedeeren van 1799. Ook tijdens het Koninkrijk Holland (1806-1810) zou hij dit hoge ambt nog enkele jaren bekleden en wel tot 3 augustus 1808. Daarna kon hij al zijn tijd aan de codificatie van de wetboeken besteden.

In deze hoedanigheid werd hij opnieuw betrokken bij de codificatie van de wetboeken. Toen Lodewijk op 18 november 1807 drie commissies instelde, die de codificatie vlot moesten trekken, werd Reuvens voorzitter van de commissie van drie - zijn medeleden waren Cornelis Theodorus Elout en Petrus van Musschenbroek - die het crimineel wetboek moest voltooien aan de hand van de oude ontwerpen. Op 28 maart 1808 kon de commissie het ontwerp aan de Koning aanbieden. Het werd na een lange discussie in de Staatsraad, waarin Lodewijk zich actief mengde, nog eens grondig bekeken door de voorzitters van de drie commissies, te weten Reuvens, Arnoldus van Gennep (Burgerlijk Wetboek) en Jan Lodewijk Farjon (Wetboek Rechterlijke Instellingen en Rechtspleging). Op 31 december 1808 werd, na goedkeuring door het Wetgevend Lichaam, het wetboek door de Koning gearresteerd en kreeg het per 1 januari 1809 kracht van wet.

Tijdens het Koninkrijk Holland was Reuvens vrijwel onafgebroken lid van de Staatsraad: eerst vanaf 16 juli 1806 in buitengewone dienst, daarna vanaf 14 februari 1807 in gewone dienst, en vervolgens vanaf 5 februari 1808 wederom in buitengewone dienst. Tot slot was hij van 30 juni 1808 tot 1 augustus 1810 andermaal gewoon lid van de Staatsraad. Binnen dit college had Reuvens steeds zitting in de sectie Wetgeving en Algemene Zaken; sinds 3 juli 1808 als president. Een nog vooraanstaander positie bekleedde hij van 3 maart 1810 tot tot 1 januari 1811 - aanvankelijk tot 10 juni 1810 ad interim - als minister-vice-president van de Staatsraad. Uit hoofde van deze functie maakte Reuvens, na de plotselinge abdicatie van koning Lodewijk, van 2 tot 13 juli 1810 deel uit van de Provisionele Raad van Regentschap die gedurende elf dagen het landsbestuur waarnam.

Toen de Noordelijke Nederlanden deel waren geworden van het Franse keizerrijk trad Reuvens eerst vanaf 24 januari 1811 op als een van de vier kamervoorzitters van de Cour impériale en Hollande in Den Haag. Maar al op 29 juni 1811 volgde zijn aanstelling tot raadsheer in de Cour de Cassation in Parijs, waarin hij samen met twee andere Hollandse leden zitting had. Als weduwnaar had hij de zorg voor zijn studerende zoon Caspar Jacob Christiaan, die hem naar de Franse hoofdstad volgde en hier de rechtenstudie zou voltooien, die hij in Leiden was begonnen.

Na de ineenstorting van het keizerrijk deelde Reuvens de vrees van velen dat voor degenen die een hoge positie onder het regime van Napoleon hadden bekleed, in het vaderland geen toekomst meer zou zijn. Toen hij in april 1814 naar Nederland terugkeerde, bleek dit echter onterecht. De nieuw aangetreden Oranjevorst Willem I maakte namelijk graag gebruik van ervaren deskundigen, ongeacht hun verleden. Reuvens kreeg dan ook op 1 augustus 1814 wederom een hoge functie toebedeeld, namelijk die van een van de vier kamerpresidenten van het Hoog Gerechtshof in Den Haag. Hij vestigde zich in Leiden. De Koning betrok hem tevens bij de codificatie van de wetboeken, die - na het Franse intermezzo - opnieuw op Nederlandse voet moesten worden ingericht. Op 10 januari 1815 werd Reuvens, samen met zijn collega in het Hoog Gerechtshof Casparus Bijleveld, benoemd tot lid van de subcommissie van drie, die onder leiding van de Leidse hoogleraar Joan Melchior Kemper het Burgerlijk Wetboek moest ontwerpen.

Het uiteindelijke ontwerp moest na de vereniging met de Zuidelijke Nederlanden in 1815 ook worden besproken met de Belgische commissie in Brussel. Met dit doel reisde Reuvens met Kemper in het voorjaar van 1816 naar Brussel. Tijdens zijn verblijf aldaar is hij om het leven gekomen. Op 22 juni 1816 werd zijn lijk aangetroffen in een kanaal even buiten de stad. Nader onderzoek naar de toedracht kon geen uitsluitsel geven of het hier ging om moord of zelfmoord. Er werd en wordt gedacht dat Reuvens homoseksuele contacten had, waarmee men hem zou chanteren. Bij zijn avondwandelingen begaf hij zich te vaak in parken en buurten die in zedelijk opzicht als ongunstig bekend stonden, en dat bleef niet onopgemerkt. Een paar dagen voor zijn dood publiceerde de krant L'Observateur belge een gedicht, waarin Reuvens werd bespot als de ontwerper van het strafwetboek die het zelf niet zo nauw nam met de wetten. Deze aantijging zou mede de oorzaak zijn geweest van zijn onverwachte dood (De Bosch Kemper, 542 (noot 522)).

Jan Everard Reuvens gold tussen 1795 en 1816 als een van de belangrijkste en invloedrijkste rechtsgeleerden van zijn tijd. Hij was een praktijkjurist aan de top van het rechterlijke apparaat en medecodificator op het gebied van het strafrecht en het huwelijksrecht. Publicaties van zijn hand zijn er nauwelijks, met uitzondering van zijn proefschrift. Dit heeft hij gemeen met de meeste collega-rechters en codificatoren, die voor zover ze geen hoogleraren waren, weinig geschriften hebben nagelaten.

Archivalia:

  • Archief van J.E. Reuvens 1795-1816 en C.J.C. Reuvens, 1822-1834 in het Nationaal Archief te 's-Gravenhage.
  • 'Stukken rakende de omstandigheden van het overlijden te Brussel van den heer president mr. J.E. Reuvens...' in het Archief van het ministerie van Justitie (1800) 1813-1876 (1951) (inv.nr. 454, 1816 dossier 12 geheim) in het Nationaal Archief te 's-Gravenhage.

Publicaties:
De in de tekst genoemde dissertatie.

Literatuur:

  • J.W. te Water, levensbericht in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leyden 1817 (Leiden 1817) 4-17.
  • J. de Bosch Kemper, Letterkundige aanteekeningen betreffende de geschiedenis van het Nederlandsche staatsleven en staatsregt (Amsterdam 1871).
  • J. Ramaer, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek IX (Leiden 1933) 855-856.
  • John Gilissen, 'De Belgische commissie van 1816 tot herziening van het ontwerp-Burgerlijk Wetboek voor het Koninkrijk der Nederlanden', Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 35 (1967) 383-443, vooral 418-420.
  • P.J. Verdam, 'Franse civiele cassatie in Noord-Nederlandse zaken (1810‑1815)', Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 39 (1971) 553-574.
  • S. Faber, 'Rechtspraak van het Hof van Cassatie te Parijs in Noord‑Nederlandse strafzaken (1811-1813)', Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis 39 (1971) 575‑600.
  • C.W.D. Vrijland, Die dag was memorabel... La Cour impériale en het Hoog Geregtshof der Vereenigde Nederlanden (1810-1838). Grepen uit de historie (Overveen 1992).
  • M.E. Verburg, Geschiedenis van het Ministerie van Justitie. I: 1798-1898 ('s-Gravenhage 1994).
  • H.D. Ploeger, 'Het dossier Reuvens', Ius Civile. Officieel orgaan van de Pitlo-Meijersstichting IV (1996) 11-20 en 33-54.
  • E.C.G. Bauwens, Het Nationaal Gerechtshof, 1802-1811 (Amsterdam 1997).
  • J. Ayolt Brongers, Een vroeg begin van de moderne archeologie. Leven en werken van Cas Reuvens (1793-1835) (Amersfoort 2002).
  • Joost Rosendaal, Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk 1787-1795 (Z.pl. 2003).
  • G.Chr. Kok, In dienst van het recht. Uit de geschiedenis van het Gerechtshof 's-Gravenhage en de daaraan voorafgegane hoven (1428-heden) (Hilversum 2005) 76-86.
  • Biografische gegevens verstrekt door dr. H.J. van Dapperen (Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis te 's-Gravenhage).

Portret:
Silhouet (penseel, gehoogd) door Simon Schaasberg; Collectie Iconografisch Bureau te 's-Gravenhage (afgebeeld in: M.E. Verburg, Geschiedenis van het Ministerie van Justitie. I: 1798-1898 ('s-Gravenhage 1994) 39).

M.W. van Boven

laatst gewijzigd: 12/11/2013