Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

Reuvens, Caspar Jacob Christiaan, archeoloog (’s-Gravenhage 22-1-1793 – Rotterdam 26-7-1835). Zoon van Jan Everard Reuvens, jurist en bestuurder, en Maria Susanna Garcin. Gehuwd op 19-07-1822 met Louise Sophie Blussé (1801-1896). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 dochters geboren.

Terwijl de grootouders van Caspar Reuvens nog eenvoudige middenstanders waren, had zijn vader zich opgewerkt en bekleedde deze tijdens de Bataafs-Franse periode hoge functies als agent van Justitie, staatsraad van koning Lodewijk en raadsheer in het keizerlijk gerechtshof. Caspar groeide op als enig kind. Zijn moeder overleed begin 1798, kort na zijn vijfde verjaardag. Daarna nam een tante de zorg voor hem op zich, en tot haar dood in 1828 onderhielden zij een warme band. De jongen kreeg onderwijs van zijn vader en van enkele huisleraren. Op twaalfjarige leeftijd ging hij naar de Haagse Latijnse school, waar hij zich een ijverige en goede leerling toonde.

In 1808 mocht Caspar naar het Athenæum Illustre in Amsterdam, de hoofdstad van het Koninkrijk Holland, waar zijn vader inmiddels werkzaam was. Onder David Jacob van Lennep, hoogleraar Grieks, Latijn, geschiedenis, welsprekendheid en oudheden aldaar, bestudeerde hij zowel de klassieke talen als materiële voorwerpen uit het verleden. De liefde voor de archeologie vond hier zijn oorsprong. In 1810 ging de inmiddels zeventienjarige Caspar naar Leiden, waar hij op 15 september zijn universitaire studie voortzette. Onder invloed van zijn vader, die een carrière als jurist voor zijn zoon in gedachten had, lag het accent ditmaal op het recht, hoewel Caspars belangstelling meer naar het klassieke verleden bleef uitgaan. Na de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Frankrijk werd Reuvens senior in juni 1811 benoemd tot raadsheer in het Hof van Cassatie in Parijs. Caspar ging met hem mee en verwierf hier op 3 juli 1813 het licentiaat in de rechten. Een aanbeveling van Van Lennep gaf hem toegang tot de filoloog en classicus Jean-François Boissonade de Fontarabie, wiens colleges aan de Académie des Inscriptions et Belles-Lettres hij volgde. Ook daarna bleven zij vriendschappelijke betrekkingen onderhouden.

Na de geslaagde Oranjeomwenteling keerde de jonge Reuvens naar Leiden terug. Hij vestigde zich hier als advocaat, waartoe hij op 2 mei 1814 was beëdigd. Uit de brieven die vader en zoon in deze tijd aan elkaar schreven, spreekt enerzijds de bij beiden levende angst hun verworven sociale positie te verliezen en anderzijds de zorg van Reuvens senior om zijn enige kind. Overigens had de eerstgenoemde geen reden tot klagen: Caspar was een gezagsgetrouwe zoon, die deed wat zijn vader hem opdroeg en die hem zelfs over de triviaalste kwesties om advies vroeg.

In 1815 maakte Reuvens een reis naar Bad Pyrmont. In dit kuuroord in Nedersaksen zocht hij genezing voor een maagkwaal. Tijdens zijn verblijf had hij weinig contact met anderen, waardoor hij zich wat eenzaam voelde en ten prooi viel aan depressieve buien. Deze situatie bracht hem ertoe zich op de bestudering van de klassieken te storten, wat leidde tot een bundel studies over het werk van vooral Romeinse toneelschrijvers, die werd gepubliceerd onder de titel Collectanea litteraria (1815).

Dit werk – dat onder meer door Van Lennep kritisch was bekeken – vormde voor Reuvens de springplank naar een academische carrière, nadat zijn vader erin had toegestemd dat hij de advocatuur verruilde voor de wetenschap. Op voorspraak van zijn voormalige leermeester Van Lennep werd hij in september 1815 benoemd tot hoogleraar in het Grieks, het Latijn en de Geschiedenis aan het Athenæum te Harderwijk. Tussen leermeester en gezel was inmiddels een vriendschap ontstaan. Reuvens vroeg Van Lennep vaak om raad bij het opzetten van nieuwe studies, en toen het Harderwijkse Athenæum in 1818 werd opgeheven, zorgden Van Lennep en de minister van Publiek Onderwijs Anton Reinhard Falck ervoor dat de 25-jarige hoogleraar werd herplaatst aan de universiteit te Leiden.

Op 13 juni 1818 werd Reuvens hier benoemd tot buitengewoon hoogleraar in – zoals zijn leeropdracht luidde – de ‘Algemeene Archæologie in de ruimste zin des woords, de kennis der Gedenkteekens van Bouw-, Beeldhouw-, Graveer-, Schilder- en meer andere kunsten, in min of meer gave en ongeschonden voorwerpen uit de Oudheid overgebleven’. Daarmee was hij de eerste hoogleraar op dit vakgebied ter wereld. Vierenhalve maand later, op 24 oktober, sprak hij zijn oratie De laudibus archæologiae (Over de verdiensten der archeologie) uit. Hierin beargumenteert hij dat bij de studie naar een heel ver verleden teksten soms ontbreken of niet altijd ondubbelzinnig kunnen worden geïnterpreteerd. Bestudering van voorwerpen uit de desbetreffende periode kan dan soelaas bieden. Hierbij kende Reuvens de meeste betekenis toe aan de numismatiek: onderzoek naar oude munten vormde voor hem namelijk ‘de algemeenen leidraad voor alle oudheden’ (Hoijtink (2009) hfst. 2) aangezien men hierdoor inzicht kon krijgen in de opkomst en ondergang van volken en beschavingen. Direct na zijn inaugurele rede gaf Reuvens een reeks van colleges over het nut en het belang van de numismatiek. Deze lessen werden afgewisseld met practica in zijn huis aan de Breestraat, waar studenten kennismaakten met zijn penningenkabinet.

Tegelijk met zijn benoeming als hoogleraar werd Reuvens in 1818 de eerste directeur van het het Archæologisch Cabinet der Hoogeschool – het huidige Rijksmuseum van Oudheden – in Leiden. Bij de inrichting hiervan stonden hem als voorbeeld het British Museum in Londen en het Louvre in Parijs voor ogen, musea die hij zelf had bezocht. Zonder handelservaring kocht hij begin jaren twintig oudheden voor zijn museum. In de loop der tijd wist Reuvens zo enkele representatieve verzamelingen te verwerven, waaronder in de eerste plaats de collectie voorwerpen uit het oude Egypte, waarvoor hij een bijzondere fascinatie had. Maar ook de prehistorie in eigen land had zijn belangstelling. Vanaf 1819 deed hij bijvoorbeeld onderzoek ter plaatse naar de grafheuvels en hunebedden in Drenthe.

In de zomer van 1822 trouwde de 29-jarige Reuvens met de acht jaar jongere Louise Blussé, de dochter van een Dordtse boekhandelaar en uitgever. De twee gingen op huwelijksreis naar Duitsland. Volgens een collega-hoogleraar zou Reuvens grappend tegen wie het maar horen wilde, hebben verteld dat hij de reis alleen ondernam ‘om antiquiteiten te zien’. Het echtpaar zou tussen 1823 en 1827 twee dochters en een zoon krijgen. Reuvens toonde zich een zorgzame echtgenoot en vader.

Ruim een maand na zijn huwelijk viel Reuvens een grote eer ten deel. Nadat hij al vanaf 11 november 1816 correspondent-lid was geweest van het Koninklijk Nederlandsch Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten, en wel van de Derde Klasse voor ‘Oude en Oosterse Letterkunde, Oudheden en Geschiedenis der andere volken’, werd hij op 26 augustus 1822 tot volwaardig lid van de Derde klasse benoemd.

Reuvens was een gedreven boekenverzamelaar, die tijdens zijn leven een omvangrijke privé-bibliotheek van meer dan zesduizend titels bijeenbracht, met werken in velerlei talen, want naast het Nederlands en de klassieke talen beheerste hij uitstekend het Frans, Duits, Engels en Italiaans. Volgens Reuvens waren alle wetenschappelijke disciplines gemeenschappelijk verbonden. Dit was de reden dat zijn bibliotheek boeken bevatte over uiteenlopende onderwerpen, die op het eerste gezicht weinig te maken hadden met de archeologie.

Als hoogleraar gaf Reuvens blijk van regelmaat en discipline. Doorgaans stond hij om zes uur op. Na een korte wandeling en wat ochtendgymnastiek was het eerste deel van de dag gereserveerd voor het voorbereiden en geven van colleges. ’s Middags besteedde hij tijd aan zijn museum. Daarna wandelde hij nog een uur en studeerde vervolgens tot een uur of tien in de avond. Zelden later dan elf uur ging hij naar bed. Reuvens was een vrij toegankelijke man. Dikwijls nodigde hij ’s avonds studenten die hem waren opgevallen bij hem thuis uit voor een sobere maaltijd. Met hen discussieerde hij dan over academische vraagstukken.

In het algemeen uitte Reuvens zijn meningen op behoedzame wijze. Steeds woog hij welk standpunt hij diende in te nemen, wellicht uit angst fouten te begaan die zijn maatschappelijke positie in gevaar zouden kunnen brengen. Toch hield hij er ten aanzien van het onderwijs in zijn tijd uitgesproken ideeën op na. Reuvens besefte evenwel dat zijn moderne opvattingen niet strookten met de toenmalige traditionele denkbeelden. Het was dan ook anoniem dat hij in januari 1828 de Proeve van beantwoording der punten van overweging voor de commissie …, betreffende het hoogere onderwijs publiceerde. Hierin betoogde hij dat de universiteit te elitair en te duur was. Hij wilde het Latijn als academische taal afschaffen en de academie voor alle standen toegankelijk maken. Reuvens had niet veel op met het verplicht stellen van colleges. Strengere examens zouden volstaan om het beste in de studenten naar boven te halen. Ook de vooropleiding vroeg om verbetering. Het onderwijs op de Latijnse scholen zou, naar zijn mening, moeten worden uitgebreid met de moderne talen Frans, Engels en Duits.

Er was Reuvens veel aan gelegen de archeologische kennis ook buiten de academische wereld te verbreiden. Naast zijn in het Latijn gegeven colleges verzorgde hij daarom vanaf 1833 ook lessen in het Nederlands, die bestemd waren voor een breder publiek. Om dezelfde reden was hij van februari 1822 tot en met 1826 redacteur van het populair-oudheidkundige tijdschrift Antiquiteiten. Hierin publiceerde hij in 1826 'Aegypte. Nieuwste ontdekkingen omtrent den ouderdom der Aegyptische gedenkstukken, omtrent de dierenriemen, en den waarschijnlijken sleutel der hieroglyphen' (III-1, 1-34). Het is de eerste uiteenzetting in het Nederlands over het kort tevoren door de Franse Egyptoloog Jean-François Champollion ontcijferde hiërogliefenschrift: ‘een stuk dat door zijn helderheid en eenvoud nimmer is overtroffen’ (Schneider, 13).

Archeologie was volgens Reuvens in de tweede helft van de achttiende eeuw een wetenschap geworden. Kenmerkend voor zijn werkwijze was dat hij de bestudering van materiële bronnen (‘opus manuum’) en schriftelijke bronnen (‘opus ingenii’) wilde verenigen. Het kwam hem op kritiek te staan van een deel van zijn vakgenoten dat niets zag in deze nieuwe benadering.

Volgens Reuvens was voor de archeologie ook een rol weggelegd bij de bevordering van de natievorming. Hij beklaagde zich er wel eens over dat zo weinig studenten zijn colleges volgden, doordat deze niet tot het verplichte curriculum behoorden en er geen maatschappelijke perspectieven waren voor wie zich in de archeologie verdiepte. Reuvens pleitte daarom voor meer aanzien voor zijn vak.

Reuvens kreeg slechts in beperkte mate zijn zin: op 25 september 1826 werd zijn Leidse extraordinariaat omgezet in een gewoon hoogleraarschap, waarvan de leeropdracht ook ‘de Romeinsche antiquiteiten’ omvatte. Hij hield zich vanaf dat moment niet alleen bezig met de bestudering van voorwerpen uit het verleden, maar stortte zich ook op het blootleggen van overblijfselen in eigen land. In 1826 kocht de Nederlandse Staat het landgoed ‘Arentsburgh’, nabij Voorburg, en daar werd door Reuvens tussen 1827 en 1834 leiding gegeven aan de opgraving van het Romeinse marktstadje Forum Hadriani. Vanwege de opgravingen verbleef hij daarom van voor- tot najaar samen met zijn gezin in een zomerhuisje op het landgoed. Het was er niet altijd even prettig wonen, omdat het er in de lente en herfst soms koud kon zijn. Bovendien moest de hoogleraar in het collegeseizoen bijna dagelijks per trekschuit op en neer naar Leiden. Naar het voorbeeld van Pompeï, de opgegraven Romeinse stad aan de voet van de Vesuvius, wilde Reuvens van ‘Arentsburg’ een archeologische locatie maken waar het publiek de restanten uit de Romeinse tijd zou kunnen bezichtigen. Dit plan faalde doordat het Nederlandse klimaat het moeilijk maakte om de opgegraven resten in de open lucht te behouden.

Bij de opgravingen op ‘Arentsburgh’ ging Reuvens te werk volgens wetenschappelijke methoden die niet veel verschillen van de manier waarop men tegenwoordig het vak beoefent. Het geeft aan dat hij zijn tijd ver vooruit was. Tijdgenoten konden of wilden hem hierin niet altijd volgen. Bovendien had Reuvens te lijden van het feit dat de Belgische Opstand vanaf 1830 de militaire uitgaven sterk deed toenemen, waardoor er moest worden bezuinigd op cultuur. Voor Reuvens had dit tot gevolg dat hij vrijwel geen aankopen voor zijn museum kon doen en dat het landgoed ‘Arentsburgh’ in 1834 werd verkocht. Het gebrek aan financiële steun van de overheid bracht hem ertoe nu en dan voor eigen rekening voorwerpen voor zijn museum te kopen.

Met dit doel was Reuvens in de zomer van 1835 samen met zijn vrouw in Londen. Op de terugreis werd hij op zee onwel. Nadat het schip in de haven van Rotterdam was aangemeerd, bracht men hem naar een plaatselijk ziekenhuis. Daar probeerde artsen de toestand van de inmiddels buiten bewustzijn geraakte hoogleraar met bloedzuigers en aderlatingen te verbeteren. Het mocht niet baten; twee dagen na aankomst in het hospitaal overleed de grondlegger van de moderne archeologie en de wegbereider van de Egyptologie in Nederland hier op slechts 42-jarige leeftijd.


Archivalia:
  • Archief C.J.C. Reuvens in het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden.
  • Archivalia betreffende C.J.C. Reuvens in afdeling Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek te Leiden.
  • Archief van J.E. Reuvens (1795-1816) en C.J.C. Reuvens(1822-1834) in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage.

Publicaties:
Een lijst met publicaties van C.J.C. Reuvens in de onder ‘Literatuur’ genoemde publicatie van J. Ayolt Brongers (2002) 141-146.

Literatuur:
  • C. Leemans, Bibliotheca Reuvensiana … praefigitur editoris epistola de vita Reuvensii [Veilingcatalogus] (Leiden 1838).
  • H. Brugmans, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek IV (Leiden 1918) 1144-1145.
  • J.H. Holwerda, ‘C.J.C. Reuvens 1818-1918’, De Tijdspiegel 75 (1918) 1217-1223.
  • J.Ayolt Brongers, 1833: Reuvens in Drenthe. Een bijdrage tot de geschiedenis van de Nederlandse archeologie in de eerste helft van de negentiende eeuw (Bussum 1973).
  • H.D. Schneider, De Laudibus Aegyptologiae. C.J.C. Reuvens als verzamelaar van Aegyptiaca (Leiden 1985).
  • J.Ayolt Brongers, ‘De bibliotheek van de Leidse archeoloog C.J.C. Reuvens (1793-1835). Een kwantitatief-grafische analyse’, in: Van pen tot laser. 31 opstellen over boek en schrift aangeboden aan Ernst Braches… Onder red. van Ton Croiset van Uchelen en Hannie van Goinga (Amsterdam 1996) 36-46.
  • J.Ayolt Brongers, Een vroeg begin van de moderne archeologie. Leven en werken van Cas Reuvens (1793-1835) (Amersfoort 2002).
  • Ruurd Halbertsma, ‘An ornament of the mind. C.J.C. Reuvens and his ideas about the benefits of archaeology to art and society in the Netherlands’, in: The rediscovery of antiquity. The role of the artist. Onder red. Van Jane Fejfer [e.a.] (Kopenhagen 2003) 211-227.
  • R.B. Halberstma, Scholars, travellers and trade. The pioneer years of the National Museum of Antiquities in Leiden, 1818-1840 (Londen 2003).
  • M.H.E. Hoijtink, ‘Een Rijksmuseum in wording. Het Archeologisch Cabinet in Leiden onder het directoraat van Caspar Reuvens (1818-1835)’, De Negentiende Eeuw 27 (2003) 225-238.
  • Loffelijke verdiensten van de archeologie. C.J.C. Reuvens als grondlegger van de moderne Nederlandse archeologie. Onder red. van E.H.P. Cordfunke (Hilversum 2007).
  • M.H.E. Hoijtink, Caspar J.C. Reuvens en musea van oudheden in Europa (1800-1840) (Amsterdam 2009).

Portret:
Schilderij (tussen circa 1820 en 1835) door Louis Moritz (detail); Collectie Stadsmuseum Harderwijk.

Elias van der Plicht

laatst gewijzigd: 12/11/2013