Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

RÖELL, Willem Fredrik baron (verheven in de Nederlandse adel met het predicaat jonkheer bij KB d.d. 16-9-1815, nr. 69, ingelijfd bij KB d.d. 7-6-1817, nr. 2; titel baron bij eerstgeboorte verleend bij KB d.d. 9 -7-1819, nr. 109), bestuurder en minister (Amsterdam 25-10-1767 – Amsterdam 3-1-1835). Zoon van Nicolaas Willem Röell, heer van Drakenburg, advocaat bij de West-Indische Compagnie, later lid van de Raad van Koloniën in West-Indië, en Anna Sophia Frederica van Gheel. Gehuwd op 22-8-1790 met Sara Johanna Hop (1772-1818). Uit dit huwelijk werden, behalve 2 jong overleden zoons en 1 jong overleden dochter, 4 zoons en 4 dochters geboren.

Willem Fredrik Röell werd als oudste kind in een Amsterdamse familie geboren en groeide op met drie broers en een zuster. Vader Röell, telg uit een adellijke familie uit het Duitse graafschap Marck die zich aan het eind van de zeventiende eeuw in de Republiek der Verenigde Nederlanden had gevestigd, behoorde niet tot de regentengeslachten van zijn woonplaats. Hij bekleedde echter wel een vooraanstaande positie binnen de organisatie van de West-Indische Compagnie en – na haar ontbinding in 1791 – bij haar rechtsopvolger, de Raad der Koloniën in West-Indië.

Willem Fredrik kreeg zijn eerste lessen Latijn thuis van twee gouverneurs; vervolgens ging hij naar de Latijnse school in Gouda. Graag was hij daarna in zeedienst gegaan, maar op wens van zijn vader ging hij studeren. Aan het atheneum van Hanau bij Frankfurt volgde hij van 1783 tot 1786 colleges in wijsbegeerte en wiskunde. Aansluitend studeerde hij vanaf 22 oktober 1786 wijsbegeerte en rechten aan de Leidse universiteit. Daar promoveerde hij op 2 juli 1790 in de wijsbegeerte op een wijsgerig-natuurkundig proefschrift, getiteld De congelatione (: Over de bevriezing), en een jaar later in de rechten op stellingen.

Nog tijdens zijn studie bekleedde Röell enkele lagere ambten in zijn geboortestad die voor een toekomstig bestuurder als goede leerschool golden, zoals het commissarisschap van de 100ste en 200ste Penning (1788-1789), van Zeezaken (1789) van de Desolate Boedelkamer (1790-1792) en van Kleine Zaken (1794). In deze tijd leerde hij tevens Sara Hop kennen, dochter van de inmiddels overleden thesaurier-generaal van de Unie Johannes Hop. Het paar trouwde in 1790, kort na Röells promotie. Uit dit huwelijk zouden tussen 1792 en 1809 elf kinderen worden geboren.

Met dit huwelijk verwierf Röell zich de protectie van invloedrijke familieleden en relaties in Amsterdamse regentenkringen. Vermoedelijk nog op voorspraak van de – in 1792 overleden – invloedrijke Amsterdamse burgemeester Joachim Rendorp verkreeg hij in 1793 het ambt van schepen. Daarna werd hij in het voorjaar van 1794 benoemd tot tweede pensionaris van Amsterdam. Als rechtsgeleerd raadsman was het zijn taak de belangen van de stad goed te behartigen op het niveau van gewest en generaliteit en in relatie tot de indertijd machtige Stadhouder. In navolging van de gematigd Prinsgezinde Rendorp nam ook Röell binnen de Oranjepartij, waarvan hij deel was gaan uitmaken, een middenpositie in. Hij had een pragmatische inslag en was geneigd tegenstellingen eerder te overbruggen dan ze op de spits te drijven.

Slechts tien maanden oefende Röell het pensionarisschap uit. Na de omwenteling van januari 1795 en de vestiging van de Bataafse Republiek moest hij zijn functie opgeven en werd hij ambteloos. Aan de vooravond van de Brits-Russische invasie in Noord-Holland in de late zomer van 1799 vroegen vertegenwoordigers van de Oranjepartij hem zich beschikbaar te houden, mocht de poging om de verdreven Stadhouder in zijn oude functie te herstellen slagen. Röell weigerde echter hieraan mee te werken. Niet alleen vond hij het een te ‘gevaarvolle’ onderneming, ook achtte hij zich ongeschikt om in een periode van ‘aanhoudende demagogische woelingen’ bestuurstaken uit te oefenen (‘Korte levensschets’, 567).

De rust leek te zijn weergekeerd toen in oktober 1801 het op verzoening gerichte Staatsbewind het landsbestuur op zich nam. Nu kwamen brede groeperingen van de bevolking, waaronder aanhangers van de Oranjepartij en voormalige regenten, weer in aanmerking voor bestuursfuncties. Dit maakte ook voor Röell de weg vrij nieuwe taken te aanvaarden, zeker nadat prins Willem V op 26 december 1801 zijn aanhangers vanuit zijn ballingsoord Oranienstein van hun eed van trouw aan hem had ontslagen. Aldus trad Röell op 4 juni 1802 toe tot het Gedeputeerd Bestuur van Holland. Achteraf verklaarde hij geen spijt gehad te hebben van deze stap, omdat deze hem in staat had gesteld een bijdrage te leveren aan de opbouw van zijn land en verzoening te bewerkstelligen van elkaar voorheen rivaliserende partijen (Ibidem, 568). Het is Röell ten voeten uit: hij was de openbare zaak toegedaan en accepteerde met zijn pragmatische en op harmonie ingestelde karakter de in 1798 tot stand gekomen eenheidsstaat, waarvan hij de voordelen onderkende.

Röell werd op 3 mei 1804 secretaris van het Departementaal Bestuur van Holland. In deze functie droeg hij bij aan de ontwikkeling van plannen om het enorme tekort van de staatsfinanciën terug te dringen. Ook tijdens het eenhoofdige bestuur van Raadpensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck (1805-1806) bleef Röell secretaris van het Departementaal Bestuur. Tevens was hij van 1 mei 1805 tot en met 30 juni 1806 één van de vier leden van de Commissie van Superintendentie over de Waterstaat, die functioneerde onder de secretaris van Staat (: minister) voor de Binnenlandse Zaken. Hoewel hij het optreden van Schimmelpenninck niet kritiekloos aanvaardde, had hij wel waardering voor hem. Hij was dan ook geschokt toen hij hoorde dat de Raadpensionaris zou worden vervangen door Louis Bonaparte, de broer van de Franse keizer Napoleon.

Aanvankelijk had Röell met het koningschap, dat in juni 1806 tot stand kwam, niet veel op. Toch liet hij zijn reserves jegens koning Lodewijk varen, nadat deze te kennen had gegeven dat hij hem als algemeen secretaris van Staat wenste. Op 30 juni 1806 werd Röell in dit ambt benoemd, vanaf 29 juli van dat jaar met de titel minister-secretaris. Het was zijn taak het secretariaat van de ministerraad te voeren; tegelijkertijd was hij van 4 juli 1806 tot oktober1807 kanselier des Konings. Röell genoot groot vertrouwen van Lodewijk, zoals spoedig bleek toen deze tussen juli en november 1806 langdurig afwezig was: als vervanger van de Koning kreeg hij toen de bevoegdheid in enkele zaken zelfstandige bestuursbeslissingen te nemen.

Op 14 februari 1807 werd Röell bovendien benoemd tot lid van Kapittel en Raad van Administratie van de door Lodewijk opgerichte Orde van de Unie. Van juni tot september 1807 moest hij de altijd ziekelijke Koning vergezellen naar de Pyreneeën, waar deze ging kuren in de geneeskrachtige baden. Röells animo om aan Lodewijks wens te voldoen was gering, maar hij deed wat er van hem werd verlangd. Hij reisde op eigen gelegenheid naar en in Frankrijk. Dit gaf hem gelegenheid onderweg bezienswaardigheden te bekijken en volop van het culturele leven te genieten, waarvan hij in een – later gepubliceerd – reisverhaal uitvoerig verslag doet. Kunst en wetenschap hadden steeds Röells belangstelling, wat tot uiting kwam in zijn lidmaatschap van verscheidene genootschappen. Zo was hij sinds 1806 lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden en honorair lid van het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam. Vanaf 1807 maakte hij deel uit van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen en was hij directeur van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen te Middelburg.

Koning Lodewijk was enerzijds gesteld op Röell, op wie hij sterk leunde, maar achtte het anderzijds onwenselijk dat deze zich ontwikkelde tot een – informele – eerste minister, aangezien hijzelf alle macht in handen wilde houden. De vorst besloot Röell van zijn taak te ontheffen, maar om van zijn adviezen en talenten te kunnen blijven profiteren, zocht hij voor hem een andere bestuursfunctie. Die werd uiteindelijk gevonden in het ministerschap van Buitenlandse Zaken, waartoe Röell op 8 januari 1808 werd benoemd; gelijktijdig werd het ambt van minister-secretaris van Staat opgeheven.

In deze jaren was Röell getuige van de toenemende spanningen tussen de Koning en zijn broer, de Keizer van Frankrijk. Deze werden voornamelijk veroorzaakt door Lodewijks – in Napoleons ogen – nalatigheid om te voldoen aan zijn militaire verplichtingen en om het in 1806 afgekondigde Continentaal Stelsel tegen Groot-Brittannië na te leven. Na de Britse inval in Zeeland in augustus 1809 nam de intimidatie van Napoleon toe. Eind november 1809 werd de Koning naar Parijs ontboden. Röell moest hem daarbij vergezellen om hem van advies te kunnen dienen in de confrontatie met zijn keizerlijke broer, die vastbesloten leek Holland in te lijven. Het was een opmerkelijke keuze, gezien de anti-Franse houding die hem door Napoleon en zijn omgeving werd toegeschreven.

Tijdens het drie maanden durende verblijf in Parijs – waarvan het door hem bijgehouden verslag later door zijn oudste zoon Willem zou worden uitgegeven – kwam Röell steeds meer in gewetensnood. De steeds verdergaande eisen van de Fransen die in de loop van de besprekingen naar voren werden gebracht, kon hij niet meer voor zijn rekening nemen. Hij zag zich om die reden gedwongen zijn taak als onderhandelaar op 4 maart 1810 neer te leggen. Daarmee haalde Röell zich Lodewijks ongenoegen op de hals, die zijn minister verweet hem in de steek te hebben gelaten. Terug in het vaderland bleek de verkoeling tussen de Koning en hem van blijvende aard te zijn. Om te herstellen van de pijnlijke ervaringen in Parijs reisde Röell in juni 1810 naar Frankrijk om kuuroorden te bezoeken. Daar kreeg hij het bericht dat koning Lodewijk troonsafstand had gedaan en naar het buitenland was vertrokken. Op 9 juli 1810 lijfde Napoleon de ‘Hollandse departementen’ in bij Frankrijk, waarna er zes dagen later formeel een einde kwam aan Röells ministerschap. Ondanks de opgetreden verkoeling bleef hij genegenheid voor Lodewijk koesteren en onderhield hij ook na diens abdicatie schriftelijk contact met hem.

Tijdens de inlijving werd Röell in 1812 lid van de arrondissementsraad van Amsterdam, een functie die hij aanvankelijk wilde weigeren, maar op advies van de Franse gouverneur-generaal Charles-François Lebrun toch aanvaardde. Toen zijn oudste zoon Willem in het voorjaar van 1813 werd opgeroepen om als garde d’honneur in het Franse leger te dienen, stelde Röell zich aan het hoofd van de Amsterdamse oppositie tegen deze bijzondere conscriptiemaatregel, maar hij kon niet verhinderen dat de jongemannen naar Frankrijk moesten vertrekken. Tijdens de Amsterdamse revolte van 15 en 16 november 1813 tegen het Franse gezag, die de aanloop zou vormen tot het herstel van de onafhankelijkheid, nam Röell een afwachtende houding aan. In de daaropvolgende weken hield hij zich, zoals vele prominente Amsterdammers, afzijdig. Hij ging niet in op een op hem gedaan beroep door het Algemeen Bestuur, dat onder leiding van Gijsbert Karel van Hogendorp de terugkeer van en de soevereiniteitsoverdracht aan de Prins van Oranje voorbereidde. Mogelijk vreesde hij dat Van Hogendorp de situatie van vóór 1795 grotendeels zou willen herstellen, terwijl hijzelf koste wat kost de eenheidsstaat wilde behouden.

Nadat de Prins van Oranje op 2 december 1813 als Soevereine Vorst de regering had aanvaard, ‘onder waarborging eener wijze constitutie’, werd Röell op 21 december van dat jaar benoemd tot lid van de grondwetscommissie. Hij maakte zich daarin sterk voor een krachtig uitvoerend gezag in een op nationale leest geschoeide staat, met weinig macht voor de provincies. Het vastleggen van grondrechten van de individuele burger in de grondwet was grotendeels zijn werk, evenals de artikelen waarin de verhouding tussen vorst en volk was geregeld.

Met zijn optreden in de grondwetscommissie verwierf Röell het vertrouwen van de Soeverein Vorst. Deze benoemde hem op 6 april 1814 tot commissaris-generaal (: minister) van Binnenlandse Zaken. Tijdens zijn ambtsperiode kwamen provinciale en stedelijke bestuursreglementen tot stand en werd bij wet van 21 augustus 1816 het decimale stelsel van maten en gewichten ingevoerd. Daar Röell tevens ‘eredienst’ in zijn portefeuille had, was hij verantwoordelijk voor het van kracht worden van het ‘Algemeen Reglement voor het bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden’ van 7 januari 1816. Ook het organiek besluit van 2 augustus 1815 met betrekking tot het hoger onderwijs kwam onder zijn leiding tot stand.

Als minister van Binnenlandse Zaken – zoals zijn functie vanaf 16 september 1815 werd aangeduid – was het Röells taak de vereniging van Noord- en Zuid-Nederland tot een succes te maken. Maar van de kans van slagen was hij allerminst overtuigd, en hij schroomde niet dat Willem I kenbaar te maken. Dit fundamentele meningsverschil ging allengs steeds zwaarder op de relatie tussen de Koning en zijn minister drukken en leidde er uiteindelijk toe dat Röell op 21 februari 1817 ontslag vroeg en kreeg. Op 30 juni daaropvolgend benoemde de Koning hem op eigen verzoek tot lid van de Eerste Kamer, waarin hij tot aan zijn dood zitting zou hebben. Vanaf 19 oktober 1818 trad hij hier op als voorzitter, tot 1830 om het jaar afgewisseld door een Zuid-Nederlandse senator. In deze hoedanigheid liet hij enkele malen zijn standpunt in actuele staatkundige kwesties horen.

Om van zijn bekwaamheden blijvend gebruik te kunnen maken had Willem I Röell op 19 februari 1817 – gelijktijdig met zijn ontslag als minister van Binnenlandse Zaken – tot minister van Staat benoemd. Om dezelfde reden kreeg hij bovendien in 1821 zitting in de kabinetsraad. Als minister van Staat adviseerde Röell de Koning over zeer uiteenlopende kwesties. Tevens leidde hij een aantal staatscommissies. Nadat hij in 1819 op verzoek van de Koning had geprobeerd de publieke onrust over in de Tweede Kamer aangenomen belastingmaatregelen tot bedaren te brengen, werd hij op 23 januari 1820 benoemd tot voorzitter van de staatscommissie die voorstellen moest ontwerpen voor een nieuw belastingstelsel. De fiscale maatregelen die de commissie de regering voorstelde, werden in juli 1821 door de Staten-Generaal aangenomen en traden op 1 januari 1823 in werking.

Vervolgens leidde Röell vanaf maart 1822 een staatscommissie die voorstellen moest doen voor een structureel landbouwbeleid. Hij leek hiervoor de aangewezen persoon, omdat hij zich in 1817, als minister van Binnenlandse Zaken, ook al met landbouwpolitiek had beziggehouden. Het in het advies van de commissie neergelegde meerderheidsstandpunt stelde echter protectionistische maatregelen voor en ging daarmee in tegen de visie van voorzitter Röell, die als rechtgeaard Amsterdammer voorstander was van vrijhandel; dit liet hij in een apart gepubliceerde memorie weten. De Koning volgde het advies van de commissie niet op en toen enige tijd later een landbouwcrisis dreigde, kreeg Röell de schuld. Ondanks zijn openbaar verschenen verweer wierp deze affaire een smet op zijn reputatie.

Twee keer werd Röell gepolst voor een ministerschap: in april 1828 voor Financiën en begin september 1830 voor Justitie. In beide gevallen bedankte hij evenwel, omdat hij voorzag dat zijn opvattingen over de taakvervulling tot spanningen met de Koning zouden leiden. Zijn politieke opvatting liet Röell horen in het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten, waarin hij op 5 maart 1829 tot lid van de Tweede Klasse was gekozen. Voor dit gezelschap van letterkundigen hield hij in 1834 vier voordrachten, waarin hij betoogde dat de vereniging van Noord en Zuid op historische gronden nooit tot een levensvatbare staat had kunnen leiden.

Hoewel Röell het niet ambieerde, werd hij op 16 september 1815 door Willem I verheven in de adelstand. Nu hij echter voor een voldongen feit was geplaatst, voelde hij zich genoodzaakt de Koning erop te wijzen dat hij als lid van een voormalig Duits adellijk geslacht niet verheven, maar ingelijfd diende te worden. Als resultaat van zijn inspanningen volgde op 7 juni 1817 een wijzigingsbesluit, waarbij hij inderdaad werd ingelijfd. Daarenboven verleende de Koning hem op 9 juli 1819 de titel baron bij eerstgeboorte. In 1817 werd hij de eerste kanselier van de Orde van de Nederlandsche Leeuw. Vanaf 1819 tot zijn dood had hij zitting in de ridderschap van Holland.

In zijn persoonlijk leven kreeg Röell in mei 1818 een zware slag te verwerken door het overlijden van zijn vrouw. Hierdoor kwam hij alleen te staan voor de zorg voor zijn kinderen, van wie er toen nog vier onder de 21 jaar waren. Afgezien van de jaren die Röell, uit hoofde van zijn bestuurlijke functies in Den Haag moest doorbrengen, bleef de stad Amsterdam, die hij zeer was toegedaan, zijn woonplaats. Daar overleed hij begin 1835 op 67-jarige leeftijd.

Tijdens de snel wisselende regimes die hij achtereenvolgens diende, ontwikkelde Willem Fredrik Röell zich tot een talentvol en invloedrijk bestuurder. Met zijn vermogen moeiteloos nieuwe politieke verhoudingen te aanvaarden belichaamde hij bestuurlijke continuïteit zonder dat hij door opportunistische motieven werd gedreven. Aan het begin van de negentiende eeuw had hij een belangrijk aandeel in de wording van de moderne Nederlandse staat. Daarbij betoonde hij zich een voorstander van de constitutionele monarchie, met behoud van de in 1798 tot stand gekomen eenheidsstaat. Op bekwame wijze en met een beminnelijk karakter wist hij meermalen ontstane geschillen te overbruggen. Röell was allerminst een volgzame dienaar van de Kroon, maar voer een eigen, onafhankelijke koers, wat een aantal keren leidde tot zijn verwijdering uit het centrum van de macht. Regeermacht was voor hem nooit een doel op zich, maar veeleer een plicht die hij zijn vaderland schuldig was. En zo behield hij tot zijn dood invloed.

Archivalia:

  • Archief W.F. Röell (1781-1840) in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage ([inventaris]
  • Bescheiden van W. F. Röell in de Collectie J.J. Jorissen in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage [inventaris]

Publicaties:

Literatuur:

Portret:

Staalgravure door Henricus Wilhelmus Couwenberg naar J.B. Clermans (ongedateerd); Collectie Iconografisch Bureau / Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie.

Mieke van Leeuwen-Canneman

laatst gewijzigd: 12/11/2013