Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

SNOEK, Andreas, acteur (Rotterdam 14-11-1766 – Amsterdam 3-1-1829). Zoon van Jan Snoek, schipper, en Helena de Ruyter. Gehuwd omstreeks 1795 met Maria Hendrika Adams (1765?-1838), actrice. Dit huwelijk bleef kinderloos.

Dat Andries Snoek de bekendste Noord-Nederlandse acteur van zijn tijd zou worden, lag gezien zijn afkomst niet voor de hand. Zijn vader, die zich – komende uit Embden – in 1763 in Rotterdam had gevestigd, was wijnschipper op Zuid-Frankrijk. Het gezin had het niet breed. Hoewel zijn zoon en vier dochters leerden lezen en schrijven, was er geen geld voor meer onderwijs. Na de dood van Snoek senior in mei 1780, toen Andries veertien jaar oud was, begon zijn weduwe een slijterij om in het levensonderhoud van het gezin te voorzien. Andries’ liefde voor het toneel was intussen al voorzichtig aan het ontluiken. Deze ontstond waarschijnlijk toen hij omstreeks 1784 met zijn twee jaar oudere zuster Helena bij een Rotterdams amateurtheatergezelschap begon te spelen. Om iets bij te dragen aan het huishoudelijke inkomen sloten de twee zich drie jaar later aan bij het reizende beroepsgezelschap van Willem van Dinsen en diens echtgenote Catharina Kraijesteijn. Bij dit ensemble speelde toentertijd ook de jonge acteur Theo Majofski, met wie Snoek zijn leven lang bevriend zou blijven.

Intussen kwam de slijterij van weduwe Snoek in ernstige financiële moeilijkheden, met een faillissement in 1788 als gevolg. Andries en Helena werden genoodzaakt een beroep te kiezen en kozen definitief voor het theater. Aanvankelijk bleven zij onder Van Dinsen spelen, maar ze kwamen al snel tot de conclusie dat dit bescheiden gezelschap te klein was voor hun ambities. Daarom verbonden zij zich in 1791 aan de ‘Nederduitsche Acteurs’, het gezelschap van de bekende acteur Ward Bingley, dat ’s winters de Amsterdamse Stadsschouwburg bespeelde.

Snoek kon echter niet goed overweg met Bingley, zodat hij al na korte tijd besloot zelf zijn geluk als theaterdirecteur te beproeven. Begin 1792 richtte hij een nieuw gezelschap op, de ‘Nederduitsche tooneelisten’, waarmee hij de Rotterdamse schouwburg hoopte te bespelen. Dit theater had al sinds het faillissement van Bingley’s gezelschap in 1784 geen vaste bespelers meer. Acteurs als Theo Majofski, zijn vrouw Johanna Christina Elisabeth Adams en diens halfzuster Maria Hendrika Adams sloten zich aan bij Snoeks gezelschap. Aangezien deze spelers geen bekende naam hadden, aarzelden de commissarissen van de Rotterdamse schouwburg aanvankelijk over het contract. Toch besloten zij Snoek een kans te geven.

Op 20 augustus 1792 debuteerden de ‘Nederduitsche Tooneelisten’ in de Schouwburg van Rotterdam met het stuk Mensenhaat en berouw (1787) van August von Kotzebue. Snoek zette in Rotterdam veel Duitse burgerlijke drama’s op het programma. Behalve het feit dat deze stukken erg populair waren bij het theaterpubliek, speelde wellicht ook mee dat hij zichzelf ongeschikt achtte voor het vertolken van tragische rollen.

De aanstelling van de ‘Nederduitsche tooneelisten’ in Rotterdam was slechts van korte duur. Op 1 februari 1793 verklaarde de revolutionaire regering in Parijs de Stadhouder de oorlog, waarna de Rotterdamse schouwburg vanwege de toenemende geweldsdreiging twee weken later zijn deuren sloot. Snoek zag zich hierdoor gedwongen met zijn gezelschap te gaan reizen. In de twee jaren die volgden gaf zijn ensemble niet alleen voorstellingen in Staats-Brabant, Utrecht en Amsterdam, maar ook in de Oostenrijkse Nederlanden in steden als Gent, Brugge en Brussel.

Nadat Franse revolutionaire legers begin 1795 de Republiek der Verenigde Nederlanden hadden bezet, ging de schouwburg van Rotterdam weer open. De inkomsten vielen echter tegen, waardoor de toekomst er voor Snoeks gezelschap onzeker uitzag. Maar een oplossing diende zich al spoedig aan. Toen de ‘Nederduitsche tooneelisten’ in juli een voorstelling gaven in het Amsterdamse toneellokaal ‘Utile et Amusant’ – waarin ook Snoek zelf een rol speelde– werd die toevalligerwijs bijgewoond door functionarissen van de Amsterdamse schouwburg. Zij waren inmiddels verwikkeld geraakt in een conflict met het gezelschap van Ward Bingley en boden nu Snoek in diens plaats een engagement aan. Deze bedong dat niet alleen hij, maar zijn hele troep zou worden aangenomen. De Amsterdamse schouwburg ging akkoord, en op 22 september 1795 debuteerde Snoek hier in de rol van ‘Andreas’ in het stuk De deugdzame galeiroeijer of de beloonde vaderliefde (1780) van Charles-Georges Fenouillot de Falbaire. Ruim 33 jaar – tot aan zijn overlijden – zou hij aan de Amsterdamse schouwburg verbonden blijven.

Omstreeks 1795 werden Snoek en zijn goede vriend Theo Majofski zwagers, toen Snoek in het huwelijk trad met Maria Hendrika Adams, de halfzuster van Majofski’s echtgenote. Adams was een verdienstelijk actrice, gespecialiseerd in moederrollen en karikaturen. Het echtpaar ging wonen in Amsterdam, waar Snoek zich aansloot bij de vrijmetselaars, zoals veel van zijn collega-acteurs. In 1796 trad hij toe tot de loge La Bien Aimée, waarvan hij tot 1804 lid zou blijven.

Vanwege het vertrek van enkelen van Snoeks eerste spelers nam hij in deze jaren noodgedwongen vaker tragische rollen voor zijn rekening. Hij bleek – in tegenstelling tot wat hij altijd gedacht had – juist zeer geschikt als tragische held, mede door zijn atletische bouw en mannelijke stem. De Duitse criticus Christiaan Frederich Haug was zeer positief over zijn natuurlijke speelstijl, zonder rollende ogen, maar ‘met een vasten blik en een kunstrijke gebaardentaal’ (geciteerd in: Albach, 110). Vooral zijn vertolking van de zware rol van ‘Othello’ in Shakespeares gelijknamige tragedie oogstte veel lof. De criticus Abraham Louis Barbaz sprak over een onverbeterlijk optreden ‘naar de volste beteekenis van het woord…: zulk eene afwisseling van hartstogten; zulk een overgang van tederheid tot koelheid; van bedaardheid tot woede; van razernij tot gevoelloosheid, ja tot vernietiging…’ (Idem). Maar ook andere tragische heldenrollen bleken hem op het lijf geschreven. ‘Men moet hem als ‘Achilles’, ‘Othello’, ‘de Cid’, ‘Hippolytus’, en ‘de heer van Grootenstein’ in De deugdzame armoede, zien, om zich een denkbeeld te vormen van het schier onovertrefbaar kunstvermogen van [deze man]…’ schreef een contemporaine criticus in 1808 (Toneelkundige brieven, 64).

Snoek was een ‘method-acteur’ avant la lettre. Toen een leerling hem eens vroeg om een fragment voor te dragen van Pedro Calderóns Het leven een droom (1635), zei Snoek dat dit niet zou gaan. ‘Om voor te dragen moet ik in een geheel andere stemming zijn, waarin het tooneel, met zijn omgeving en toeschouwers, mij vanzelf brengt’, zei hij. ‘Eerst als ik gevoel dat ik ‘Sigismund’ ben, kan ik als ‘Sigismund’ spreken.’ (geciteerd in: Albach, 111) Eenmaal op het toneel kon Snoek onverwachte gebeurtenissen echter moeiteloos naar zijn hand zetten. Zo hadden zijn medespelers eens, voorafgaand aan een voorstelling, zijn degen uit de schede getrokken en deze verborgen. Hij moest tijdens het spelen iemand doodsteken, greep naar zijn degen, maar zag dat deze er niet was. Onmiddellijk loste hij de situatie op door op rijm te improviseren: ‘Oooh, dodelijk verzuim! Heb ik mijn degen niet, zo sterf dan door mijn duim!’ (geciteerd in: Bijleveld-Scholts, 23).

Snoek was bijzonder populair bij het Amsterdamse theaterpubliek. Het was aan het begin van de negentiende eeuw gebruikelijk om na het hoofdtoneelstuk een ‘nastukje’ op te voeren. Maar na een optreden van Snoek bleef het publiek vaak nog zo lang om hem roepen dat het onmogelijk was met het nastuk te beginnen. Overigens liet Snoek zich slechts eenmaal in het seizoen door het enthousiaste publiek overreden op het podium terug te keren. Na afloop van een voorstelling moest hij zich door de menigte bewonderaars die hem in de vestibule opwachtte een weg banen naar zijn rijtuig. Eenmaal duwde iemand hem via het raam van zijn rijtuig iets in handen. Kennelijk gebeurde dat vaker, want pas toen hij de Leidsestraat bereikte, bemerkte hij dat het object een gouden snuifdoos was, met zijn eigen portret in briljanten gezet.

In augustus 1811 werd Snoek directeur van de Amsterdamse Schouwburg, samen met Theo Majofski en de bekendste toneelspeelster van die tijd, Johanna Wattier, die zich al in 1796 bij Snoeks gezelschap had aangesloten. Deze acteurs zouden tot augustus 1820 de directie van de Amsterdamse schouwburg voeren. Het repertoire werd aangepast aan de veranderde politieke situatie. In plaats van Duits burgerlijke drama kwamen er steeds meer Franse stukken op het programma. Het hoogtepunt van Snoeks carrière was wel zijn optreden, op 23 oktober 1811, voor de Franse keizer Napoleon, tijdens diens rondreis door de een jaar eerder bij Frankrijk ingelijfde ‘Hollandse departementen’. Snoek en Wattier vertolkten bij die gelegenheid met veel overtuigingskracht de hoofdrollen in het stuk Phèdre (1677) van Jean Racine.

Vanaf ongeveer zijn zestigste levensjaar was Snoek alleen nog op zaterdag op het toneel te zien. Op zondag reisde hij meestal per trekschuit naar zijn buitenverblijf 'Bagatelle’ bij het Utrechtse dorp Schalkwijk, waar hij veel wandelde. Tussen 1824 en 1827 gaf Snoek daarnaast geregeld acteerlessen – over het treurspel – aan leerlingen van schilder-acteur Johannes Jelgerhuis, die in 1821 het Fonds ter Opleiding en Onderrigting van Tooneel-Kunstenaars aan den Stads Schouwburg te Amsterdam had opgericht. Ook Wattier trad op als docent. Tegen het einde van zijn leven leed Snoek aan podagra, een vorm van jicht van het voet- en teengewricht.

Snoeks dood kwam onverwacht: in de nacht van 2 op 3 januari 1829 werd hij plotseling kortademig. Een aderlating met bloedzuigers bracht geen verbetering in zijn conditie. Hij stierf vroeg in de ochtend, op 63-jarige leeftijd. De avond tevoren was hij nog op zijn werkkamer aan de Prinsengracht een nieuwe rol aan het instuderen geweest.

Snoeks begrafenis, op 8 januari, was een gebeurtenis. Bij de Amsterdamse Zuiderkerk, waar Snoek ter aarde zou worden besteld, verzamelden zich duizenden belangstellenden. Toen de lijkstoet naderde en velen nog snel probeerden de kerk binnen te komen, zag de aanwezige militaire wacht zich zelfs genoodzaakt de ‘woeste hoop’ met geweerkolven terug te drijven. De ceremoniemeester, toneelliefhebber en boekhandelaar Anton Cramer, werd daardoor bijna platgedrukt tegen de tussendeuren (Keyser, 172). Ook voor de veiling van Snoeks toneelverzameling, drie maanden na zijn overlijden, was veel belangstelling. Tijdens zijn loopbaan had de acteur een grote collectie kostuums, pruiken en accessoires aangelegd, die op 23 april 1829 in Amsterdam werd geveild.

Andries Snoek nam zijn professie uiterst serieus. Hij werkte zich op van verdienstelijk amateurspeler tot een van de belangrijkste Nederlandse acteurs van het begin van de negentiende eeuw. Zijn tijdgenoten – zowel de theatercritici als het publiek – waren vol lof over zijn acteerprestaties. Door zijn scherp zakeninstinct ging het hem financieel voor de wind. Zodoende was hij aan het einde van zijn leven, behalve een invloedrijk theaterdirecteur, tevens de eigenaar van een riant buitenhuis: een luxe die slechts weinig toneelspelers zich in die tijd konden permitteren.

Archivalia:
Personaliamap Andries Snoek in het Theater Instituut Nederland te Amsterdam.

Werk:
Een repertoireoverzicht van zowel Andries als Helena Snoek in de onder L genoemde publicatie van P. Haverkorn van Rijsewijk, Bijlage V.

Literatuur:

  • C.F. Haug, Brieven uit Amsteldam over het Nationaal Tooneel en de Nederlandse Letterkunde (Amsterdam 1808).
  • Toneelkundige brieven, geschreven in het najaar 1808. Ten vervolge op de brieven uit Amsteldam, over het Nationaal Tooneel en de Nederlandse Letterkunde van C.F. Haug (Amsterdam 1808).
  • Abraham Louis Barbaz, Gedenkzuil voor Neêrlands hoogverdienstelyken tooneelkunstenaar Andries Snoek aan deszelfs nagedachtenisse toegewyd (Amsterdam 1829).
  • J. Hilman, Ons tooneel. Aanteekeningen en geschiedkundige overzichten: naamrol van plaatwerken en geschriften (Leiden 1881).
  • P. Haverkorn van Rijsewijk, De oude Rotterdamsche Schouwburg (Rotterdam 1882) 295-313.
  • J.A. Worp, Geschiedenis van het drama en van het tooneel in Nederland (2 dln.; Groningen 1903-1907) II, 237-238, 249-250.
  • Adr. van der Horst, ‘Drie Rotterdamsche tooneelisten,’ in Nieuwe Rotterdamsche Courant, 31-7-1935.
  • Ben Albach, Drie eeuwen ‘Gijsbreght van Aemstel’. Kroniek van de jaarlijkse opvoeringen (Amsterdam 1937).
  • Ben Albach, Helden, draken en comedianten. Het Nederlandse toneelleven voor, in en na de Franse Tijd (Amsterdam 1956) 91-93, 109-114.
  • Ben Albach, Het huis op het plein. Heden en verleden van de Amsterdamse stadsschouwburg (Amsterdam 1957).
  • Henk Suèr, ‘De bewierookte magiër van de schouwburg’, in De Tijd, 5-1-1957.
  • Joh. M. Coffeng, Lexicon van Nederlandse tonelisten (Amsterdam 1965) 179-180.
  • M. Bijleveld-Scholts en H. Reinders, ‘…hetwelk hem ter verpoozing strekte’, in Tussen Rijn en Lek, 20 (1986) afl. 4, 22-27.
  • Marja Keyser, ‘De dood van Andries Snoek, 3 januari 1829,’ in De negentiende eeuw 11 (1987) afl. 3-4, 169-180.
  • Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Tien eeuwen drama en theater in Nederland en Vlaanderen. Onder hoofdred. van R.L. Erenstein (Amsterdam 1996).
  • Henny Ruitenbeek, Kijkcijfers. De Amsterdamse Schouwburg, 1814-1841 (Hilversum 2002).

Portret:
Andreas Snoek in de rol van ‘Achilles’ in het gelijknamige stuk van B. Huydecoper; portret door L. Moritz (afgebeeld in: Een theatergeschiedenis der Nederlanden. Onder hoofdred. van R.L. Erenstein (Amsterdam 1996) 368).

Liesbeth Sparks

laatst gewijzigd: 12/11/2013