Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

SPEIJK, Jan Carel Josephus van, marineofficier (Amsterdam 31-1-1802 – Antwerpen 5-2-1831). Zoon van Hendrik Johannes van Speijk, vishandelaar, en Cornelia Johanna van Brugge. Hij was ongehuwd.

Jan Carel van Speijk – roepnaam ‘Carel’ – was de zoon van een handelaar in stokvis, die omstreeks 1789 vanuit Dordrecht naar Amsterdam was verhuisd om daar zijn nering voort te zetten. Nadat de dood het gezin eerder al van twee zoons en een dochter had beroofd, stierf vader Van Speijk in 1806, toen Jan Carel amper vier jaar oud was. Zijn moeder trok daarop met hem en zijn twee jaar oudere broer Adrianus Johannes in bij zijn eveneens in Amsterdam woonachtige grootmoeder. Op haar geringe vermogen werd nu verder ingeteerd. De jongens gingen in de kost bij onderwijzer Reimeringer op de Buitenkant. Nadat zijn broer een plaats had gekregen op de Militaire Kweekschool in Den Haag, werd Jan Carel ondergebracht in het Weldadig Gesticht aan de Prinsengracht.

Toen, na jaren kwakkelen, eind december 1812 ook de moeder overleed, belandde de tienjarige Jan Carel bij gebrek aan middelen op 5 februari 1813 in het Amsterdamse Burgerweeshuis, als één van in totaal ongeveer 360 kinderen die daar verbleven. Verwanten zouden later weerspreken dat hij min of meer door de familie aan zijn lot zou zijn overgelaten. Als (wees)jongen toonde Jan Carel een voorbeeldig gedrag. Vlijt en ijver werd door iedereen in hem onderkend; rekenen was zijn grootste gave. Hij schreef en hield graag voordrachten en ontving verscheidene prijzen. In 1815 trad hij als dertienjarige in dienst bij de kleermaker Johan Philip Andres om er het ambacht te leren. Voor het stilzitten was hij echter te ongedurig, en halverwege 1817 liep hij weg. Vervolgens werd hij uitbesteed bij de grutter Hendrik de Ridder op het Rusland, maar ook dat was geen succes. Een andere kleermaker, Johan Valentin Gleim, was hem welgezind maar wist de jongen evenmin in het gareel te brengen.

Een tussentijds bezoek aan zijn broer, die sinds 1815 op de vloot diende – en van wie hij ook enige rudimentaire kennis over de stuurmanskunst had opgedaan – gaf Jan Carels leven een nieuwe, vaste koers. Van een eerste verzoek namens zes weesjongens tot toelating tot de marine werd alleen hij afgekeurd vanwege zijn tengere gestalte. Ondanks deze hevige teleurstelling, deed hij, met steun van zijn broer en grootmoeder, tussen 1817 en 1819 nog verscheidene pogingen zijn doel te bereiken, waaronder een eigenhandige presentatie bij de minister van Marine. Aan doorzettingsvermogen ontbrak het hem kennelijk niet, en op 3 februari 1820 werd hij eindelijk aangenomen.

Als stuurmansleerling op het linieschip ‘Wassenaar’ voer de achttienjarige Van Speijk in het voorjaar van 1820 mee naar de Middellandse Zee om daar de piraterij vanaf de Noord-Afrikaanse kust te bestrijden. De getoonde geestdrift doofde echter langzaam onder de dagelijkse realiteit: de jongeman wist aan boord geen aansluiting te vinden. Vooral met de opperstuurman kon hij het niet goed vinden, en op eigen verzoek werd hij daarom na een jaar weer ontslagen. Eind juli 1821 was Van Speijk terug in Amsterdam. Het is onduidelijk of hij terugkeerde naar zijn oude leermeester Gleim, met wie hij nog steeds vriendschappelijke betrekkingen onderhield. In overleg met zijn familie besloot Van Speijk een nieuwe poging te wagen. Zijn broer, die inmiddels al de rang van buitengewoon luitenant-ter-zee der tweede klasse had bereikt, diende daarbij als zijn grote voorbeeld.

Aldus begon Van Speyk, na een valse start, alsnog aan een loopbaan bij de marine: op 19 november 1821 werd hij vierde stuurman op het linieschip ‘Zeeland’. Daarna volgde op 1 januari 1823 zijn benoeming tot adelborst der tweede klasse op de ‘Dageraad’. Na op dit fregat een korte reis naar Gibraltar te hebben gemaakt was hij klaar voor het grote werk. Dat najaar kwam nog het nieuws over de ongelukkige dood van zijn broer op Curaçao, wiens gezondheid al enkele jaren slecht was. Op 1 januari 1824 werd Van Speijk bevorderd tot adelborst der eerste klasse, en twee weken later vertrok hij met de ‘Dageraad’ naar Oost-Indië.

Medio oktober 1824 werd Van Speijk in Soerabaja gedetacheerd bij de Koloniale Marine vanwege het daar bestaande personeelsgebrek. Aan boord van de brik ‘Orestes’ nam hij vervolgens deel aan de Celebes-expeditie, waarmee het koloniaal gezag in het zuidenwesten van dit eiland moest worden hersteld. Al na twee maanden kreeg Van Speijk het commando opgedragen over een barkas (: zware sloep). Bij een aanval op de negorij Tiero op 19 en 20 december 1824 toonde hij voor het eerst zijn moed. Ook in de maanden daarna moest hij met regelmaat aanvallen uitvoeren op vijandelijke prauwen in de Golf van Boni.

Uiteindelijk werd het rijk van Boni en Soepa – hoewel niet zonder slag of stoot – in de loop van 1825 bedwongen. Van Speijk onderscheidde zich daarbij, samen met andere officieren, door zijn dappere optreden: in zijn dagorder van 30 december 1825 werd hij door de bevelvoerende schout-bij-nacht met lof vermeld. Begin 1826 kreeg Van Speijk het commando opgedragen over Z.M. ‘Kanonneerboot No. 16’. Hiermee ondernam hij verscheidene tochten voor de zuidoostkust van het eiland Banka, dat vooral bekend stond om de rijke tinmijnen zoals die van Biliton. Door zijn optreden tegen zeerovers zou hij volgens ooggetuige luitenant-ter-zee A. Slijp – wiens leven hij eerder redde bij een aanval van een krokodil – bekend worden als de ‘Schrik der Roovers’.

Van Speijk lijkt het in deze jaren in Indië redelijk naar zijn zin te hebben gehad. Het klimaat kreeg geen vat op hem, en met de inlanders – speciaal de Javanen – kon hij goed over weg. Via briefwisseling hield hij contact met het thuisfront en volgens de berichten verliep zijn leven avontuurlijk. In de Oost-Indische archipel volgden nog diverse tochten, maar toen alle detacheringen bij de Koloniale Marine werden beëindigd, keerde Van Speijk – sinds 15 juli 1827 buitengewoon luitenant-ter-zee der tweede klasse – in het voorjaar van 1829 terug naar het vaderland.

Hoewel Van Speijk inmiddels bij zijn superieuren bekend stond als een man van actie, was er voor hem in Nederland geen emplooi, en op 11 augustus 1829 werd hij op non-actief gesteld. Hij vond onderdak bij zijn neef en nicht De Dieu, die eerder ook voor zijn broer hadden gezorgd. Een poging tot dienstruil met een officier van de Koloniale Marine mislukte. Na ongeveer acht maanden werkeloos thuis te hebben gezeten werd Van Speijk op 1 april 1830 op het fregat ‘Amstel’ geplaatst, een wachtschip te Hellevoetsluis, waar hij zijn dagen in geestdodende monotonie moest slijten. Even leek er een kans te bestaan op een reis naar de West, maar uiteindelijk was het de Belgische Opstand die hem uit dit bestaan zou verlossen.

Na de terugtrekking van de Nederlandse troepen uit Brussel eind september 1830 concentreerde de verdediging van de Zuidelijke Nederlanden zich op Antwerpen, waar luitenant-generaal David Hendrik baron Chassé het bevel voerde. Om hem te ondersteunen werd een flottielje van acht schepen naar de havenstad gedirigeerd. Van Speijk kreeg daarbij het bevel over Z.M. ‘Kanonneerboot No. 2’. Op 27 oktober, daags nadat hij met twee andere schepen een ligplaats had gekozen tussen de Citadel en het Vlaamse Hoofd om vandaar de Schelde te controleren, trokken Belgische soldaten de stad binnen. Na voorgaande provocaties koos Chassé, die met zijn garnizoen stand hield, nu voor de tegenaanval en werd die namiddag begonnen met de beschieting van Antwerpen vanuit de Citadel. Ook de kanonneerboten op de Schelde openden toen het vuur; het eerste schot zou later ten onrechte aan Van Speijk worden toegeschreven. Dit zware bombardement hield urenlang aan en maakte tientallen slachtoffers in de stad; op de ‘Kanonneerboot No. 2’ vielen zes gewonden.

Het Nederlandse smaldeel bleef ondertussen op de Schelde liggen om, naast de inspectie van het scheepvaartverkeer, het garnizoen te bevoorraden en te verdedigen. Eind december zeilden de schepen noordwaarts, omdat het was gaan vriezen. Een maand later werd het scheepvaartverkeer vrij gegeven en vervielen de inspecties. In de vroege morgen van 5 februari 1831 kregen de kanonneerboten het bevel hun vorige ligplaatsen in te nemen, aangezien de rivier eindelijk zonder drijfijs was. Een harde noordwestelijke wind bij Oosterweel deed Van Speijks schip naar lagerwal afdrijven. Met geweld sloeg het tegen de wal bij het fort Sint Laurent, waardoor gewapende Belgen aan boord konden springen. Zij trokken de vlag van de mast en eisten de overgave van de bemanning. Zogenaamd om zijn papieren te halen daalde Van Speijk de kajuitstrap af, en passant in ieder geval nog de scheepsjongen waarschuwend. Even later, omstreeks half tien, blies hij het schip op door waarschijnlijk met een brandende sigaar een vat buskruit tot ontploffing te brengen. Zijn beroemde laatste woorden ‘Dan liever de lucht in!’ heeft hij daarbij zeker niet uitgesproken; ‘Maak dat je weg komt!’ is veel aannemelijker.

Van Speijk had eerder bij herhaling, tot aan de vooravond toe, gezinspeeld op zijn zelfmoordactie. Zo schreef hij op 19 december 1830 in een brief aan zijn nicht ‘dat eerder Boot met kruid en mij in de Lugt gaat dan immer een infaame Brabander te worden of het vaartuig overtegeven’ (facsimile in: De Vries, 36). Behalve dat hij met deze opmerking verwees naar een beroemd incident uit 1606 – waarbij vice-admiraal Reinier Claessen, na te zijn omsingeld door Spaanse galjoenen, zich met zijn schip opblies – blijkt hieruit dat er onder de in Antwerpen belegerde officieren zo’n strijdbare houding heerste dat het strijken van de vlag ondenkbaar was. Bij de ontploffing kwamen 25 bemanningsleden van zijn kanonneerboot om het leven, terwijl er later nog een in het hospitaal overleed. Er waren vier tot zes overlevenden, waarvan één bemanningslid niet aan boord was. Daarnaast kwamen minstens drie Belgen om. Hun precieze dodental zou bewust zijn achtergehouden en bedraagt in ieder geval enkele tientallen.

Op 9 februari 1831 werd een deel van Van Speijks lichaam – het bovenste stuk van de romp – teruggevonden. Het kostte enige moeite om deze stoffelijke resten van de Belgische autoriteiten terug te krijgen, maar uiteindelijk werden deze in een kistje alsnog geretourneerd. Na verificatie op 15 februari in de Citadel werd het lichaamsdeel in een vaatje met spiritus naar Amsterdam verstuurd. Koning Willem I zinspeelde erop het te willen onderbrengen in de grafkelder van de Oranjes in Delft. Ook zouden nabestaanden van Michiel de Ruyter plaats hebben aangeboden in hun grafkelder. Voorlopig verdwenen de stoffelijke resten echter onder een anonieme grafsteen in de Oosterkerk.

Reeds enkele dagen na de dramatische gebeurtenis ondertekende de Koning een besluit (K.B. 11-2-1831, nr. 81), waarbij werd bepaald dat de Nederlandse marine voortaan altijd één schip naar Van Speijk zou vernoemen, een traditie die tot op de dag van vandaag in ere wordt gehouden. Intussen was in Amsterdam een commissie aan de slag gegaan voor ontwerp en plaatsing van een gedenkteken. Het zou ten slotte ruim een jaar later in de Nieuwe Kerk worden onthuld: daar kwam tevens de laatste rustplaats voor Van Speijk. De herbegrafenis op 4 mei 1832 was een grote plechtigheid, waarbij ook aan de wezen van het Amsterdamse Burgerweeshuis een prominente rol was toebedeeld. In 1838 werd besloten de bestaande (noorder)vuurtoren in Egmond aan Zee te verbouwen tot nationaal J.C.J. van Speijk-monument, naar een ontwerp van architect Johan David Zocher jr. In 1841 kon dit gedenkteken worden ingewijd.

Als marineofficier had Van Speijk geen uitzonderlijk leven geleid totdat hij in 1831, in het nauw gedrongen door de vijand, besloot zijn schip, zichzelf en zijn bemanning op te blazen. Door zijn zelfgekozen dood werd Van Speijk tegelijk onsterfelijk verklaard. Het incident, zonder enige militaire betekenis, had vooral grote propagandawaarde. De opoffering van de kanonneerbootcommandant maakte hem tot een held en daarmee tot een voorbeeld voor het vaderland in moeilijke tijden. Hij werd dan ook het voorwerp van een ware cultus, eerst in de vorm van allerlei gedichten, later gevolgd door tientallen schilderijen, prenten, memorabilia enzovoort. Delen van het schip – de mast werd als vlaggenmast geplaatst bij het Koninklijk Instituut voor de Marine in Den Helder – en van Van Speijks lichaam werden als relikwieën bewaard en onder de talloze bewonderaars verdeeld. Tevens volgde er een loterij met voorwerpen, waarvan de opbrengsten bestemd waren voor een op te richten nationaal monument.

Achteraf bezien is er vooral veel onduidelijkheid: over de oorzaak van de explosie, over het verloop van de gebeurtenis, over de beeltenis van Van Speijk en, niet in de laatste plaats, over de betekenis van diens daad. Wat het impulsieve handelen van een jonge romanticus leek, was in feite een weloverwogen beslissing geweest; uiteindelijk had Van Speijk slechts de daad bij het woord gevoegd. Maar wat een heldhaftig optreden was voor de een, gold als een terroristische aanslag voor de ander. Zelfs uit christelijke hoek kwam er al snel kritiek op deze ogenschijnlijk eervolle dood. Hoe het ook zij, voortaan werd Van Speijks leven min of meer achterstevoren beleefd en kwam het geheel in het teken te staan van dit ene moment van vaderlandse opoffering.


Literatuur:
  • J.P. van Tonderen, Bijzondere aanteekeningen betreffende de familie van J.C.J. van Speijk (Amsterdam 1832) [Pamflet Knuttel-catalogus nr. 26792].
  • Onuitgegeven brieven van den tot in den dood aan vaderland en koning getrouwen held en ridder J.C.J. van Speyk, en belangrijke bijdragen, dienende tot opheldering en verbetering van hetgeen de heer Van Tonderen heeft gelieven te schrijven omtrent den persoon, welke zich het lot van den burgerwees, voornoemd, het meest heeft aangetrokken (Amsterdam 1832) [Pamflet Knuttel-catalogus nr. 26793].
  • Jacobus Koning, Leven van Jan Carel Josephus van Speijk (’s-Gravenhage 1832).
  • J.C. Koopman, Zijner Majesteits Zeemagt vóór Antwerpen, 1830-1832 (Utrecht 1853).
  • H. Herman, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek V (Leiden 1921) 786.
  • W.G. de Bas, ‘Van Speijk, 31 januari 1802 – 5 februari 1831’, Ons Zeewezen, 5-2-1931 (pp. 40-71).
  • Jan Carel Josephus van Speijk (Utrecht [1935]).
  • Sandra de Vries, De lucht in gevlogen, de hemel in geprezen. Eerbewijzen voor Van Speyk (Haarlem 1988).
  • Frits Rovers, ‘Dan liever de lucht in!’ Jan van Speyk en de Belgische Opstand (Hilversum 2000).
  • Jacques de Jong, ‘Het nationaal bereik van Jan van Speijk. Een radicale daad als bron van nationaal besef, 1831-1832’, Leidschrift, historisch tijdschrift 22 (2007) 3 (dec.) 55-77.
  • Helge Hesse, Dan liever de lucht in! De wereldgeschiedenis in 75 beroemde uitspraken (Vert. uit het Duits; Amsterdam 2008) 197-202.

Portret:
J.C.J. van Speijk ‘naar het leven geschilderd’; gravure (1830/1831) naar een zoekgeraakt schilderij door Louis Moritz; Collectie Universiteitbibliotheek te Amsterdam (afgebeeld in: Frits Rovers, ‘Dan liever de lucht in!’ Jan van Speyk en de Belgische Opstand (Hilversum 2000) 9).

Otto van der Meij

laatst gewijzigd: 12/11/2013