Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

STRALEN [Jz.], Hendrik van, bestuurder en minister (Hoorn 20-10-1751 – ’s-Gravenhage 6-11-1822). Zoon van Jan Mossel van Stralen, bestuurder, en Alida Nisetta Lansel. Gehuwd op 8-8-1776 (ondertrouw) met Clasina Rijgerbos (1753-1784). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 2 jong overleden dochters geboren.

Hendrik (‘Hein’) van Stralen was een telg uit een Enkhuizer patriciërsgeslacht. Zijn vader was achtereenvolgens secretaris (1744) en pensionaris (1745) van deze stad. Toen Van Stralen senior in 1748 werd benoemd tot secretaris van het college van Gecommitteerde Raden van Holland in het Noorderkwartier, verhuisde het gezin naar Hoorn. Hier bracht Hendrik zijn jeugd door, samen met twee oudere en één jongere broer, alsmede één jongere zuster. Door zijn vader bestemd voor de koophandel ging hij op dertienjarige leeftijd in de leer in Amsterdam en vervolgens, vanaf 1767, in Rotterdam. Na de dood van zijn vader, in november 1772, koos Hendrik alsnog voor een bestuurlijke carrière. Die kon echter niet beginnen in de vroedschap van Hoorn, omdat zijn oudste broers Abraham en Jan Hendrik daarvan al lid waren. Hendrik probeerde het daarom in Enkhuizen. Deze opzet slaagde, want al in 1774 werd hij hier – als eerste opstap – tot schepen gekozen.

In de zomer van 1776 trouwde Van Stralen met de Amsterdamse koopmansdochter Clasien Rijgerbos. Veel gezinsgeluk was hem echter niet beschoren. In januari 1784 overleed eerst zijn tweeënhalfjarige dochtertje aan de mazelen, vier maanden later gevolgd door zijn slechts 31-jarige echtgenote. In mei 1788 stierf ook zijn bijna negenjarige dochter. Alleen zoon Jan zou de volwassen leeftijd bereiken. Zijn gereformeerde geloof was Van Stralen, naar eigen zeggen, in al deze rampspoed een onmisbare steun. Hij zou niet hertrouwen.

Om zijn bestuurlijke functies beter te kunnen uitoefenen had Van Stralen zich intussen op 12 juli 1779 aan de hogeschool van Harderwijk, na een promotie op stellingen, verzekerd van de titel van meester in de rechten. Toen hij de voorgeschreven leeftijd van dertig had bereikt, kon hij in 1781 lid worden van de vroedschap van Enkhuizen. Terzelfder tijd bekleedde hij de functie van equipagemeester bij de Admiraliteit in het Noorderkwartier. De kennis van de Staatse marine die Van Stralen hier opdeed, breidde zich verder uit toen hij op 12 februari 1782 als adjunct werd toegevoegd aan de advocaat-fiscaal bij de Admiraliteit in het Noorderkwartier, Hendrik van Stralen – met wie hij vaak wordt verward – , een 61-jarige neef (cousin) van zijn vader. Later zou hij deze jaren bij de Admiraliteit zijn ‘Maritime Academie’ noemen (Siegenbeek, 38). De Republiek was op dat moment verwikkeld in de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784), en uit hoofde van zijn functie woonde Van Stralen dan ook vaak in Den Haag het overleg bij van de belangrijkste bestuurders en vlagofficieren van het land. Met één van hen, admiraal Jan Hendrik van Kinsbergen, ontstond een hechte, levenslange vriendschap.

Tijdens de politieke troebelen van de jaren tachtig stond Van Stralen aan de kant van de Oranjegezinden. Toen laatstgenoemde partij, na de Pruisische militaire interventie van september 1787, als overwinnaar uit de strijd kwam, waren er door de verdrijving van vele Patriotsgezinde bestuurders heel wat posten te verdelen. Zo kon Van Stralen – zoals zijn vader vóór hem – op 9 januari 1788 het ambt van secretaris van Gecommitteerde Raden in het Noorderkwartier op zich nemen. Aangezien zijn standplaats Hoorn werd, verliet hij het ‘aangenaam’ Enkhuizen en deed hij afstand van zijn vroedschapszetel in deze stad.

Als secretaris nam van Stralen vooral het financieel beheer – hij was tegelijkertijd Commies van Financiën in het Noorderkwartier – krachtig en met kennis van zaken ter hand. Hij behoorde in deze jaren tot de vooraanstaande bestuurders van het gewest en was een belangrijke adviseur en informant van stadhouder Willem V betreffende het Noorderkwartier. Van 1790 tot en met 1792 maakte Van Stralen deel uit van de commissie voor het reguleren van de Quoten en het onderzoek naar het Financiewezen van de Generaliteit. Tegelijkertijd was hij van mei 1790 tot begin 1795 één van de zes leden van de zogeheten ‘Commissie van Politique Insien’, die van staatswege toezicht moest houden op de zieltogende Verenigde Oost-Indische Compagnie.

De inval van de Franse revolutionaire legers en de daaropvolgende Bataafse omwenteling maakte op 31 januari 1795 een einde aan Van Stralens bestuurlijke carrière. Als Orangist werd hem op last van het revolutionaire comité van Hoorn huisarrest opgelegd, maar toen bleek dat hij de financiën in goede orde had achtergelaten, kwam hij weldra op vrije voeten. Voor Van Stralen volgden nu zes jaren zonder openbare betrekking en daarmee ook zonder ambtelijke inkomsten, waarover hij zich bij herhaling beklaagde.

In de late zomer van 1799 leek het er even op dat de kansen ten gunste van de Oranjegezinden zouden keren, toen een omvangrijk Brits-Russisch expeditieleger in snel tempo een groot deel van Noord-Holland veroverde. In deze verwarrende dagen had Van Stralen in Den Helder een ontmoeting met de Erfprins, die uit zijn Britse ballingsoord met de troepen was meegekomen. In de hoop op toekomstig voordeel bleef hij vervolgens in diens nabijheid en voorzag hij hem waar nodig van advies. Op verzoek van de Erfprins zorgde Van Stralen er onder meer voor dat al het contant geld in de gewestelijke belastingkantoren tegen kwitantie in bewaring werd genomen om plundering of ontvreemding te voorkomen.

Uiteindelijk bleek Van Stralen op het verkeerde paard te hebben gewed. Toen de geallieerde troepen werden teruggeslagen en zich in november weer inscheepten, weigerde hij de Erfprins naar Groot-Brittannië te volgen. In de ogen van de Bataafse machthebbers had hij zich door zijn optreden in ernstige mate gecompromitteerd, zodat Van Stralen – na terugkeer in Hoorn – op 26 november huisarrest kreeg opgelegd. Tot zijn opluchting kwam hieraan, op voorspraak van derden, al na twaalf dagen een einde. In het besef ternauwernood aan een veroordeling wegens landverraad te zijn ontkomen, leek het hem verstandiger zich de eerste tijd schuil te houden. Pas nadat de storm was overgewaaid, vertoonde hij zich weer in het openbaar.

Van Stralen (‘Oranje-Heintje’) was een van de Prinsgezinde oud-regenten aan wie voormalig stadhouder Willem V vanuit zijn Nassause ballingsoord op 26 december 1801 de zogeheten brieven van Oranienstein stuurde, waarmee hij hen van hun verplichtingen aan hem ontsloeg. Zodoende kon ook Van Stralen weer een openbaar ambt aanvaarden. Op 21 juni 1802 nam hij zitting in het twaalfkoppige Gedeputeerd Bestuur van Holland, dat, behalve met de waterstaat, vooral met het financiële bestuur van dit departement was belast. Terzelfder tijd bemoeide hij zich ook met ‘de “schromelijken” toestand van ’s lands schatkist’ (Pfeil, 343). Hij zocht daartoe contact met de Bataafse ambassadeur in Parijs Rutger Jan Schimmelpenninck, die een ver familielid van hem was: diens schoonvader was hertrouwd met de weduwe van Van Stralens broer Jan Hendrik (Van Akerlaken, 149 noot 1). Via hem bracht hij eind 1803 de Franse heerser Napoleon Bonaparte in een uitvoerige memorie de rampzalige gevolgen van de door Parijs aan Den Haag opgelegde vorderingen onder ogen.

Op 30 april 1804 kwam er een einde aan Van Stralens lidmaatschap van het Gedeputeerd Bestuur, toen hij tot een van de negen leden van de Raad van de Aziatische Bezittingen en Etablissementen werd benoemd. Hij verhuisde toen van Hoorn naar Den Haag, waar hij de rest van zijn leven zou blijven wonen.

Toen keizer Napoleon zijn Bataafse vazal en bondgenoot in 1805 een eenhoofdig bestuur opdrong, was het Van Stralen die uiteindelijk zijn verre verwant en vriend Schimmelpenninck overreedde het Raadpensionarisschap op zich te nemen. Op zijn beurt vertrouwde laatstgenoemde daarna zijn ‘Oom’ – zoals deze Van Stralen placht aan te duiden – met ingang van 1 mei van dat jaar het ambt van Secretaris van Staat voor de Binnenlandse Zaken toe, niet in de laatste plaats om de Oranjegezinden in den lande tevreden te houden. In deze functie had hij, behalve het binnenlands bestuur in engere zin, ook waterstaat, onderwijs, eredienst, justitie en politie, en kunsten en wetenschappen in zijn portefeuille. Tijdens Van Stralens ambtsperiode kwamen onder meer algemene reglementen tot stand voor de departementale besturen (19 juli 1805) en voor de gemeentebesturen (20 december 1805). Bovendien wist hij behendig de Schoolwet van de commissaris tot de zaken van het lager schoolwezen Adriaan van den Ende door het parlement te loodsen, zodat deze op 25 februari 1806 van kracht kon worden.

Na het aantreden van Louis Bonaparte als koning van Holland moest Van Stralen op 20 juni 1806 – als enige van Schimmelpennincks bewindslieden – zijn departement verlaten. Het was de nieuwe vorst namelijk niet ontgaan dat hij zich tot op het laatst fel had verzet tegen ‘de overgave […] van dit land met alle deszelfs dierbare aangelegenheden aan een Roomschen Prins, die dit eerst onlangs was geworden’ (geciteerd in: Van Akerlaken, 194). Toch wenste Lodewijk Van Stralens bestuurlijke kennis en ervaring niet onbenut te laten. Op 9 oktober 1806 kreeg hij zitting in het Wetgevend Lichaam, eerst namens Holland en vanaf april 1807 namens Amstelland. Hij beschouwde dit lidmaatschap, naar eigen zeggen, ‘als eene honorable retraite met eene kleine beloning voor weleer gedane diensten’ (‘Particuliere aanteekeningen’, 74r).

Ook in deze jaren was het enorme tekort op de staatsbegroting Van Stralens belangrijkste zorg. Aan hem vertrouwde de Koning dan ook het voorzitterschap toe van een bijzondere commissie die van 22 mei tot 20 oktober 1808 onderzoek deed naar een drastische vermindering van de overheidsuitgaven. ‘C'est l'homme noir, mais vrai’, moet Lodewijk hebben verzucht toen Van Stralen hem het uiterst onaangename eindrapport deed toekomen (Siegenbeek, 42).

Lodewijk prees de voorstellen van de bezuinigingscommissie – hoewel hij er geen uitvoering aan gaf – en zijn waardering voor de deskundigheid van haar voorzitter nam er verder door toe. De eervolle ambten, als die van president van de sectie Financiën van de Staatsraad of voorzitter van het Hof van Rekeningen, die de vorst hem aanbood, wees Van Stralen echter resoluut van de hand. Hij had diens grillige persoonlijkheid inmiddels voldoende leren kennen om te weten dat hij het niet lang met hem zou uithouden.

Ondanks zijn bewering van het tegendeel zinde het Van Stralen niet dat de Koning hem – mogelijk uit ongenoegen over de geweigerde functies – niet voor een nieuwe driejarige zittingstermijn in het Wetgevend Lichaam continueerde, zodat hij de volksvertegenwoordiging op 15 november 1809 verliet. Andermaal klaagde hij over het verlies van zijn ambtsinkomen. Een half jaar later werden de Noordelijke Nederlanden bij het Franse keizerrijk gevoegd. Tijdens de inlijving bleef Van Stralen ambteloos, al kende het keizerlijk bewind hem bij decreet van 8 maart 1812 wel een jaargeld van 6.000 francs toe als beloning voor eerder aan de staat betoonde diensten.

Tijdens de opstand tegen Napoleons bewind van eind 1813 stelde Van Stralen zich erg afwachtend op. Weliswaar bezocht hij aanvankelijk de geheime bijeenkomsten van oud-regenten, die Gijsbert Karel van Hogendorp vanaf 18 november in zijn Haagse woning belegde, maar beducht om evenals in 1799 op het verkeerde paard te wedden, bood hij daar ‘allesbehalve kloeke en opregte hulp’ (Gedenkschriften Falck, 121). Bovendien had de inmiddels 62-jarige Van Stralen geen oog voor de tijdgeest en wilde hij in feite een volledige restauratie van de politieke en maatschappelijke situatie van vóór 1795. Met andere woorden: hij ‘miskende de massa des volks en de plegtig afgekondigde principes’ (Gedenkschriften Falck, 121).

Niettemin nam Van Hogendorp Van Stralen – waarschijnlijk in de overtuiging niet om hem heen kunnen – op 1 december 1813 als commissaris-generaal van Binnenlandse Zaken op in het voorlopig Algemeen Bestuur. Op dit centrale departement werd hij onmiddellijk ‘overkropt’ door werkzaamheden van allerlei aard, variërend van de zorg voor bestuurlijke continuïteit en het doen van voordrachten voor benoemingen tot het bestrijden van de uitgebroken veepest en het voorbereiden van de Vergadering van Notabelen die op 29 maart 1814 in Amsterdam moest stemmen over een nieuwe constitutie.

Kort voor de grondwet werd aangenomen, had Van Stralen van de Soeverein Vorst te horen gekregen dat hij ‘uithoofde de klimmende jaren’ niet op zijn post werd gecontinueerd en, voorzien van een pensioen, tot lid van de Staten-Generaal werd benoemd. Toch was het waarschijnlijk niet Van Stralens lichamelijke gesteldheid die hem op 6 april 1814 deed aftreden, maar zijn moeizame verhouding met de Oranjeprins die bij dit besluit de doorslag gaf. De zelfvoldane, om niet te zeggen hooghartige houding van de oud-regent ergerde de autocratische vorst in hoge mate. Naar verluidt, gebeurde het meer dan eens dat de rijzige Van Stralen hem ‘met zyne onmetelijke armen omvademde en als het ware inpakte, onder breedsprakige verzekering dat hij voor alles zorgen, de boel aan kant helpen zoude’ (Gedenkschriften Falck, 120-121; ook Van Akerlaken, 277).

Van 1 mei 1814 tot en met 19 augustus 1815 had Van Stralen zitting in de Staten-Generaal. Toen er na de vereniging van Noord- en Zuid-Nederland een parlementair tweekamerstelsel werd ingevoerd, bezette hij vanaf 26 september 1815 tot aan zijn dood een zetel in de Eerste Kamer. Dit betekende dat hij afwisselend het ene jaar in Den Haag en het andere jaar in Brussel moest vergaderen. Ook hier legde hij zich in het bijzonder toe op de financiën.

Tijdens de laatste jaren van zijn leven was Van Stralen – behalve als een der executeurs van de nalatenschap van zijn eind mei 1819 overleden vriend Van Kinsbergen – vooral actief in het in 1814 opgerichte Nederlandsch Bijbelgenootschap. Het gereformeerde geloof en de gereformeerde kerk speelden al van jongs af een belangrijke rol in zijn leven, zo blijkt bijna op iedere bladzijde van zijn ‘Particuliere aanteekeningen’. Toch werd aan de oprechtheid van deze openlijk beleden religiositeit steeds weer getwijfeld. ‘Trouw gaat hij ter kerke, maar hij geeft meer om godsdienst dan om godsvrucht. Geheel zijn voorkomen, zijn houding, zijn gebaren, kortom zijn gehele wezen zou een Molière als voortreffelijk model voor een Tartuffe kunnen dienen of een Rubens als model voor een Farizeeër’, aldus een tijdgenoot (vertaald uit het Duits; Eleutherophilos, 231). ‘Dévot avec hypocrisie’ of niet in het gereformeerde geloof van zijn vaderen overleed hij eind 1822 op 71-jarige leeftijd, nadat hij twee dagen eerder door een beroerte was getroffen.

Hendrik van Stralen was een regent in tweeërlei betekenis. In positieve zin mag men hem zo noemen vanwege zijn bestuurlijke talent, werkkracht en doorzettingsvermogen. Vooral op het terrein van de overheidsfinanciën gaf hij onder de elkaar snel opvolgende regimes blijk van zijn grote expertise. Met Isaäc Gogel, Elias Canneman, Johannes Goldberg en Jean Appelius mag Van Stralen dan ook tot de belangrijkste financiële deskundigen in de Bataafs-Franse tijd worden gerekend. Het verwijt dat hij ‘nederig en kruipend’ was en zijn meerderen naar de mond praatte, lijkt niet terecht (Eleutherophilos, 231). Zo prees zijn vriend Schimmelpenninck juist zijn ‘rondborstigheid en openhartigheid, welke hem, in alle gevallen, zijn gevoelen met vrijmoedigheid deden uiten, en zelfs dikwerf zoo regtstreeks op den man af, en zoo geheel zonder omwegen, dat hij daardoor wel eens misnoegen verwekte’ (Siegenbeek, 46). Inderdaad schroomde Van Stralen niet zowel koning Lodewijk als koning Willem I te confronteren met de onaangename financiële werkelijkheid en de in zijn ogen noodzakelijke draconische maatregelen voor te stellen.

In negatieve zin was Van Stralen een typische regent vanwege zijn uitgesproken standsbesef, dat hij met een vormelijke deftigheid uitdroeg. Hij was autoritair en – vriend en vijand waren het daarover eens – uiterst zelfingenomen. Hij was niet vrij van hypocrisie, maar of zijn vroomheid oprecht was of slechts uiterlijk vertoon, is onzeker. Voor nieuwe politieke denkbeelden en de veranderende maatschappelijke verhoudingen had Van Stralen geen oog. In 1813 had hij dan ook het liefst gezien dat de situatie van vóór 1795 geheel was hersteld.

Archivalia:

Familiearchief Van Stralen (1427-1895) in het Nationaal Archief te ’s-Gravenhage. Hierin o.a. inv.nr. 18: ‘Particuliere aanteekeningen mij zelve betreffende, bij verjaardagen of andere bijzondere gelegenheden beschouwd uit godsdienstige overdenkingen’ [inventaris].

Publicaties:

Memorie van antwoord, van mr. Hendrik van Stralen, Jansz. [...]. Behelzende wederlegging, zo veel betreft zijn persoon, zijn qualiteit en zijn familie van zekere memorie van mr. Bernardus Blok (Z.pl. 1790).

Verslag en redevoering op de jaarlijksche openlijke vergadering der Haagsche afdeeling van het Nederlandsche Bijbelgenootschap, in de Kloosterkerk, op den 17 april 1817, gedaan (’s-Gravenhage 1817).

Literatuur:

  • L.C. Vonk, Geschiedenis der landing van het Engelsch-Russisch leger in Noord-Holland … in den jare 1799 (deel I en deel II; Haarlem 1801).
  • Eleutherophilos [= P.H.A.J. Strick van Linschoten], Vertraute Briefe während eines Durchflugs durch einen Theil der nördlichen Provinzien des Königreichs der Niederlande im Sommer des Jahrs 1817 …(Z.pl. 1818) III, 227-231.
  • M. Siegenbeek, [‘Levensbericht van Hendrik van Stralen’], in: Handelingen der jaarlijksche vergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leyden ... (Leiden 1823) 35-47.
  • Mr. Hendrik van Stralen. Aanteekeningen uit zijne nagelaten geschriften. Uitgeg. door D. van Akerlaken ('s Gravenhage 1878).
  • J.A. Sillem, ‘Hendrik van Stralen (1751-1822)’, in: De Gids 43 (1879) I, 99-117.
  • L.J.A. Braakenburg, ‘Het geslacht Van Stralen’, in: De Nederlandsche Leeuw 3 (1885) 48-49, 56-57.
  • G.J.W. Koolemans Beijnen,De erfprins van Oranje in Noord-Holland in 1799’, in Bijdragen voor Vaderlandsche Geschiedenis en Oudheidkunde (1910) 1-156.
  • Gedenkschriften van Anton Reinhard Falck. Uitgeg. Door H.Th. Colenbrander (’s-Gravenhage 1913) 120-121
  • W.H. de Savornin Lohman, lemma in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek IV (Leiden 1918) 1277-1279
  • Reina van Ditzhuyzen, ‘Hendrik van Stralen, 1751-1822’, in: idem, Onderwijs als opdracht. Leven en werken van de eerste vijftien ministers belast met het onderwijs in de periode 1798-1830 (’s-Gravenhage 1977) 30-35.
  • Henk Boels, Binnenlandse Zaken. Ontstaan en ontwikkeling van een departement in de Bataafse tijd, 1795-1806. Een reconstructie (’s-Gravenhage 1993).
  • Simon Schama, Patriotten en bevrijders. Revolutie in de Noordelijke Nederlanden, 1780-1813 (Vert. uit Engels (1977); Amsterdam 1989).
  • R.B. Prud’homme van Reine, Jan Hendrik van Kinsbergen, 1735-1819. Admiraal en filantroop (Amsterdam 1990).
  • Tom Pfeil, ‘Tot redding van het vaderland’. Het primaat van de Nederlandse overheidsfinanciën in de Bataafs-Franse tijd, 1795-1810 (Amsterdam 1998).
  • Een vriendschap in het teken van 's Lands financiën. Briefwisseling tussen Elias Canneman en Isaac Jan Alexander Gogel, 1799-1815. Uitgeg. door Mieke van Leeuwen-Canneman (’s-Gravenhage 2009).

Portret: 

Pastel door Charles Howard Hodges. Collectie J. van Stralen te ’s-Gravenhage (Beschikbaar via: Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie te ‘s-Gravenhage).

A.J.C.M. Gabriëls

laatst gewijzigd: 12/11/2013