Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

SWAVING, Justus Gerardus, ondernemer, legerofficier en publicist (Naarden 6 -7-1784 - Kaapkolonie 26-1-1835). Zoon van Cornelis Swaving, gereformeerd predikant, en Bartha Kist. Gehuwd op 29-12-1806 met Wilhelmina Balk (1787-1807). Uit dit huwelijk werd 1 doodgeboren zoon geboren. Na haar overlijden (14-12-1807) gehuwd op 11-3-1812 met Elisabeth Toomes. Dit huwelijk, dat waarschijnlijk al na enkele maanden werd ontbonden, bleef kinderloos. Gehuwd omstreeks mei 1814 met Charlotte Louise Wilbeaux (1797-1871). Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 5 dochters geboren.

Justus Swaving groeide samen met vier broers en drie zusters op in Naarden, als vijfde kind van een gereformeerde predikant. Wat bekend is over zijn leven, is grotendeels gebaseerd op de autobiografische geschriften die hij tussen 1825 en 1827 heeft geschreven. Over zijn jeugd vertelt hij hierin hoe hij in 1796 als twaalfjarige, na het zien van een marineofficier in een fraai uniform en met een slepende sabel, zijn ouders overreedde hem adelborst te laten worden op de Bataafse vloot.

Tijdens de Brits-Russische inval in Noord-Holland in 1799 bevond Justus zich aan boord van het admiraalsschip ‘Washington’ met het eskader dat voor anker lag op de Vlieter bij Texel. Oranjegezinde officieren en schepelingen maakten van de gelegenheid gebruik om aan het muiten slaan en droegen de Bataafse oorlogsschepen op 30 augustus over aan de Royal Navy. Tegen wil en dank belandde Justus zo in Groot-Brittannië, waar hij dienst nam op het kleine Oranje-eskader van de naar Groot-Brittannië uitgeweken ex-stadhouder Willem V: eerst op het korvet ‘Galathea’ en daarna op het fregat ‘Venus’. Met de vrede van Amiens tussen Groot-Brittannië en Frankrijk in 1802 kwam er een einde aan deze vlooteenheid, waarna de inmiddels ongeveer zeventienjarige Justus terugkeerde naar zijn familie in Naarden. Een goede vriend van zijn ouders, Boudewijn Donker Curtius, secretaris van het Comité tot de Algemene Zaken van het Bondgenootschap te Lande, wist te voorkomen dat de minderjarige jongen werd vervolgd wegens landverraad.

Na een studieus intermezzo, waarbij Swaving leek toe te geven aan de wens van zijn vader zich voor te bereiden op een academische studie theologie, zag hij hier uiteindelijk toch van af. Wederom op voorspraak van Donker Curtius kreeg Swaving omstreeks 1804 een saaie betrekking als klerk op het Bureau ter Conversie der Staatsschulden in Den Haag. In zijn vrije tijd mat hij zich een dandyeske levensstijl aan, hoewel hij zich deze geenszins kon veroorloven, zodat hij zich diep in de schulden stak. Om zijn inkomsten te kunnen herstellen wist zijn oom Willem Kist, die behalve auteur van veel gelezen romans tevens lid van de Raad van de Aziatische Bezittingen en Etablissementen was, hem aan een baantje te helpen als onderkoopman op Java.

Nog voor hij scheep kon gaan naar de Oost, ontmoette Swaving in 1806 op een bal in Haarlem de aantrekkelijke en vermogende Wilhelmina Balk, een negentienjarige plantersdochter. Na enige uren dansen verklaarden beiden elkaar hun hartstochtelijke liefde. Behalve door Wilhelmina’s uiterlijke en innerlijke schoonheid voelde Swaving zich ook tot haar aangetrokken vanwege de onbelaste koffieplantage ‘De Vriendschap’ in Berbice - de door de Britten veroverde kolonie ten westen van Suriname - die zij van haar kort tevoren overleden vader had geërfd. Eind 1806 trouwden zij op huwelijkse voorwaarden in Amsterdam. Via Philadelphia bereikte het jonge echtpaar in oktober 1807 de kust van Guyana. Daar beviel Wilhelmina een maand later van een dood geboren zoontje en stierf zij vervolgens in het kraambed.

Hoewel Swaving door Wilhelmina’s dood de plantage erfde, was dit nieuwverworven bezit hem niet in ieder opzicht aangenaam, zo blijkt uit zijn latere autobiografische geschriften. Indringend en met een onverbloemde directheid beschrijft hij hierin zijn leven en dat van zijn collega-planters. Opmerkelijk is dat Swaving enerzijds geen blad voor de mond nam bij zijn weergave van de gruwelijke en willekeurige wijze waarop slaven werden gestraft, maar al gauw toegaf aan de op hem uitgeoefende druk van medeplanters om zijn eigen honderd slaven op dezelfde wijze te behandelen. Als man van de praktijk verontschuldigt hij zich dat de westerse economie het nu eenmaal niet zonder slavenarbeid kan stellen.

In 1810 dong Swaving naar de hand van Henriëtte Broekhuyzen, de stiefdochter van Paulus Eggers, de voormalige secretaris van Berbice. Het reeds gearrangeerde huwelijk ging echter niet door, omdat Eggers plotseling krankzinnig werd en zijn gezin, inclusief Henriëtte, hem naar Groot-Brittannië begeleidde in de hoop daar genezing te vinden. Zijn poging de familie Eggers achterna te reizen staakte Swaving echter al na aankomst op het Deense Antilleneiland Saint Croix. Hier wist hij het hart te veroveren van een dochter van de rijke Britse planter Armstrong. Hij ging in op Armstrongs voorstel eerst in Berbice zijn eigen plantage te verkopen en de opbrengst vervolgens te investeren in een gemeenschappelijk familiebedrijf.

Swaving reisde daarop naar New York, in de hoop hier een schip te vinden dat hem rechtstreeks naar Berbice kon brengen. Hij ontmoette er de zakenman Charles Rulach, die Swaving een fantastisch plan voorspiegelde om in zeer korte tijd zeer veel geld te verdienen. Swaving geloofde in de uitvoerbaarheid van dit plan en sloot vervolgens een grote lening af bij de New-Yorkse handelsfirma Lehman & Co., met als onderpand zijn eigen plantage in Berbice. Voor dit geld werd een groot vrachtschip gekocht, een eigen bemanning gehuurd en een aanzienlijke voorraad Amerikaanse producten ingeslagen die volgens Rulach met grote winst in Berbice zouden kunnen worden verkocht. Swaving en zijn nieuwgevonden handelspartner handelden voortaan uit naam van de firma ‘Swaving and Rulach’, waarbij onduidelijk bleef hoe groot Rulachs financiële bijdrage zou zijn.

Bij aankomst in Berbice gaven de Britse autoriteiten echter geen toestemming de Amerikaanse vracht te lossen. Daarop volgde een bijna een jaar durende zwerftocht langs Caribische eilanden, waarbij steeds grotere delen van de vracht verloren gingen, en het schip, na op de rotsen voor de kust van Santo Domingo te zijn gestrand, uiteindelijk geheel onder de zeespiegel verdween. Een pover restant van de vracht leverde op een veiling in Santo Domingo alsnog een relatief klein kapitaaltje voor Swaving op.

Swaving probeerde nu via New Orleans terug te keren naar Berbice, maar op weg daarheen leed hij in een hevige storm schipbreuk ten noorden van Cuba. Met zestien leden van de bemanning wist Swaving zich in een reddingssloep te redden, maar op en om Crooked eiland stierven de meesten alsnog aan ontberingen en buikloop. Tot overmaat van ramp zagen de rooms-katholieke overlevenden Swaving als enige protestant aan voor de Bijbelse profeet Jonas, die al hun ellende op zijn geweten zou hebben. Hij kon slechts aan hun moordlust ontkomen doordat het Britse marineschip ‘Shamrock’ hem aan boord nam. De kapitein nam zich Swavings lot ter harte. Deze zorgde ervoor dat hij voorlopig onderdak kreeg op het Britse Bermuda-eiland Saint George en betaalde Swavings passage naar Charleston, vanwaar hij binnen twee dagen de terugreis naar Berbice aanvaardde.

Daar aangekomen ruilde Swaving zijn plantage ‘Vriendschap’ voor een bazar in Nieuw Amsterdam in het oosten van deze kolonie. Aanvankelijk voelde hij zich hier als een vis in het water. De gezellige omgang met een veelkleurige kring van vriendelijke damesklanten en het milde klimaat van het rivierstadje deden hem goed. Na enige maanden had deze clientèle evenwel zo veel schulden bij hem gemaakt dat Swaving, om zijn schuldeisers te ontlopen, eind 1811 besloot met de noorderzon uit Berbice te vertrekken. Met hulp van een bevriende planter wist hij te ontkomen aan hem achtervolgende politiefunctionarissen.

Na vele spannende avonturen bereikte Swaving ten slotte eind december 1811 Trinidad. Aangezien hij dit Britse eiland niet zonder paspoort mocht verlaten, zorgde de welbespraakte Swaving dat een sympathiserende vrachtbootkapitein hem aan boord smokkelde, zogenaamd als lid van de bemanning. Hij ging aan wal in Baltimore, waar de kapitein hem als welgestelde planter uit Berbice voorstelde aan de rijke, welogende en nog minderjarige weduwe Elisabeth Toomes. Binnen de kortst mogelijke tijd, in maart 1812, trouwden zij in de Baptistenkerk van Baltimore.

Tijdens een kort daarop ondernomen zakenreis met een broer van Elisabeth naar New York, waar de meesten van Toomes’ verwanten woonden, werd Swavings aanwezigheid ontdekt door personeel van de firma Lehman & Co. Aangezien hij een bij deze onderneming uitstaande schuld van circa 20.000 Spaanse matten niet onmiddellijk kon aflossen, werd Swaving op verzoek van de firma voor onbepaalde tijd opgesloten in de ‘New Goal’, de plaatselijke schuldenaarsgevangenis. Kort daarop verbrak zijn vrouw waarschijnlijk haar huwelijksband met hem.

Na een bijna geslaagde zelfmoordpoging, wisten verscheidene mensen Swaving spoedig weer op te monteren. De belangrijksten onder hen waren de gevangenisdirecteur Bell en advocaat Joseph Fay die bekend stond als een verklaard tegenstander van het instituut schuldgevangenis. Bell zorgde er zelfs voor dat Swaving op de eerste verdieping van de ‘New Goal’ een fraai appartement kreeg toegewezen, een privilege dat doorgaans alleen aan de maatschappelijk hooggeplaatsten ten deel viel.

Na enige maanden wees Fay Swaving op de mogelijkheid voorlopig in vrijheid te worden gesteld door dienst te nemen in het Amerikaanse leger. Dat deed hij, maar om niet tegen de Britten in Canada te hoeven vechten, overreedde Swaving de wervingsofficier hem het minder gevaarlijke baantje van schrijver te bezorgen. Het resultaat was dat hij enige maanden lang samen met deze officier in de plaatselijke kroegen en uitspanningen van Nieuw Engeland dronkengevoerde jongemannen ronselde voor het leger. Daarna keerde hij eind 1812 - zonder een schot te hebben gelost, mooi gebruind en blakend van gezondheid - in militair uniform terug naar New York.

Nog voor het eind van het jaar vertrok Swaving op het Amerikaanse schip ‘Hector’ naar Amsterdam. Ter hoogte van Texel raakte deze vrachtvaarder in een vliegende storm verzeild, koerste toen noodgedwongen naar de Duitse Noordzeekust, en verdween eind februari 1813 vlak voor het waddeneiland Langeroog in het aanhoudende noodweer. Twee Amerikaanse bemanningsleden sleepten Swaving toen met uiterste inspanning van krachten door de branding heen. De drie vrijwel naakte en volkomen uitgeputte drenkelingen werden na verhoor door de plaatselijke douane overgedragen aan de Franse politie in het Oostfriese Aurich, die in opdracht van Napoleon alle vreemdelingen die ‘clandestien’ zijn keizerrijk binnenkwamen als van misdrijven verdachten dienden te arresteren.

Wekenlang moesten Swaving en zijn Amerikaanse redders, als misdadigers vastgeklonken aan een lange lijn, zich overdag te voet verplaatsen van gevangenis naar gevangenis op weg naar het Amsterdamse verbeterhuis. Daar werd Swaving spoedig vrijgelaten, mede omdat verscheidene notabelen - onder wie opnieuw familievriend Donker Curtius, indertijd raadsheer in het Keizerlijk Gerechtshof in Den Haag - zich voor hem garant stelden bij Charles-François Lebrun, de gouverneur-generaal in de ‘Hollandse departementen’. Voorlopig trok hij in bij zijn - in 1808 weduwe geworden - moeder in Leiden.

Terug in het vaderland was Swavings voornaamste zorg een betrekking te vinden die paste bij zijn maatschappelijke positie. Hoewel hij op dat moment totaal geen militaire ambities had, liet hij zich toch, in april 1813, overhalen als remplaçant van een zoon uit een rijke familie te dienen in de door Napoleon gevormde Garde d’Honneur. Met het derde regiment van dit cavaleriekorps bereikte Swaving vanuit Zwolle via Brussel en Parijs het regimentsdepot in Tours. Aan de veldslagen tussen Napoleons Grande Armée en de geallieerde legers in Duitsland nam zijn eenheid niet deel. Na de verpletterende nederlaag van de Fransen bij Leipzig bevond Swaving zich in Beieren, waar hij er in november in slaagde met enige andere Hollandse gardes d’honneur te deserteren.

Half december 1813 was Swaving terug in zijn vaderland, waar hij opnieuw introk bij zijn bejaarde moeder in Leiden. Hij schaarde zich aan de zijde van de opstandelingen tegen het snel afbrokkelende Franse gezag en trad toe tot het inderhaast gevormde ‘Oranje Legioen’. Hier kreeg hij op 22 december 1813 een aanstelling als tweede luitenant. Voor een subaltern officier in het beroepsleger was zijn literaire belezenheid en brede eruditie op vele terreinen van wetenschap en kunst opmerkelijk. Hogergeplaatsten toonden of een grote waardering voor zijn inzet en kennis als beroepsmilitair of ergerden zich aan zijn gebrek aan onderdanigheid.

Als garde d’honneur had Swaving in 1813, tijdens zijn inkwartiering in Brussel, kennis gemaakt met de zestienjarige Charlotte Wilbeaux uit Doornik. Een jaar later, omstreeks mei 1814, sloot Swaving in het dorpje Ascq bij Lille een kerkelijk rooms-katholiek huwelijk met haar, zonder tevoren aan de nieuwe Oranjevorst de vereiste toestemming te vragen noch het bewijs te hebben overlegd dat het privé-kapitaal van bruid en bruidegom tezamen jaarlijks minimaal 600 gulden rente opleverde. Zolang Swaving te weinig verdiende om voor een gezin te zorgen, bleef Charlotte thuis bij haar ouders in Doornik wonen. Ondertussen loog Swaving dat hij al in maart 1813 - dus nog vóór de komst van de Prins van Oranje - was getrouwd.

Op 10 februari 1816 verbeterde Swavings financiële positie aanzienlijk door zijn bevordering tot eerste luitenant-kwartiermeester. De wens eindelijk met Charlotte een gemeenschappelijk huishouden te voeren werd door naderende gezinsuitbreiding dringender. Om de financiële positie van zijn vrouw en kinderen veilig te stellen was het van groot belang dat hij werd toegelaten tot de ‘Weduwen- en Weezen-Kas voor de Officieren van de Landmagt’. Dit kon alleen wanneer hij in staat was te bewijzen dat zijn huwelijk volgens de geldende voorschriften was gesloten. Aangezien daarvan geen sprake was, heeft Swaving de bewijzen toen maar vervalst, waarschijnlijk met steun en medeweten van Marinus Piepers, de toenmalige intendant-generaal van de Administratie van Oorlog op het Haagse departement, die hij eerder van dienst was geweest. In februari 1818 berichtte laatstgenoemde hem dat hij tot het pensioenfonds was toegelaten.

Het zou nog enige jaren duren voordat Swaving te midden van zijn gezin een werkelijk rustig bestaan kon leiden, want met zijn infanteriebataljon veranderde hij onophoudelijk van garnizoensplaats, zowel in Noord- als in Zuid-Nederland. De voorwaarde hiertoe leek vervuld, toen hij op 3 september 1823 in zijn rang van eerste luitenant-kwartiermeester werd aangesteld als leraar aan de Artillerie- en Genie-School in Delft. Dit docentschap beviel Swaving buitengewoon goed.

Intussen ging hij door met publiceren. Kort na zijn benoeming als leraar veroorzaakte Swaving onder rooms-katholieken in Zuid-Nederland ophef met twee boeken, waarvoor hij ongetwijfeld tijdens zijn verblijf in Zuid-Nederlandse garnizoensplaatsen onderzoek had verricht. Deze twee werken, Galerij van Roomsche beelden, of Beeldendienst der XIX eeuw (1824) en het vervolg hierop Roomsche feest- en heilige dagen, of Verbijstering van het menschelijk verstand (1825), bevatten gedetailleerde beschrijvingen van in Swavings protestantse ogen als puur ‘Roomsch’ bijgeloof op te vatten gebruiken.

Swavings rust werd in juli 1825 plots verstoord, toen de Militaire Rechtbank in Brugge aandrong op zijn arrestatie vanwege de eerder door hem gepleegde valsheid in geschrifte. Hem werd inderdaad huisarrest opgelegd, maar voor hij naar Brugge kon worden overgebracht, slaagde hij erin om in de kleren van zijn vrouw aan de aandacht van zijn bewakers te ontsnappen. Hij vertrok heimelijk van Delft naar Calais. Via Duinkerken wist hij vervolgens binnen een paar dagen als verstekeling aan boord van een Brits schip Londen te bereiken.

In de Britse hoofdstad slaagde Swaving erin met onstuitbare energie en vindingrijkheid binnen korte tijd voor zichzelf en zijn - inmiddels overgekomen - gezin een goede boterham te verdienen. Hij richtte er een ‘Dutch Academy’ op, waar hij als ‘directeur' les gaf in Nederlands, Engels en Frans. Hij maakte hiervoor reclame door middel van aanplakbiljetten. Tevens gaf Swaving huisonderricht aan de kinderen van rijke kooplieden en juristen. Een van hen was sir John Wylde, die hem in 1827 engageerde als tolk-vertaler bij het door hem geleide nieuwe Hooggerechtshof in Kaapstad.

In september 1827 reisde Swaving met vrouw en kinderen vanuit Londen naar Zuid-Afrika. Behalve als ‘interpreteur translateur’ bij het Hooggerechtshof vervulde hij in deze Britse kolonie verschillende functies van culturele aard. Zo gaf Swaving les in Franse taal en literatuur op het in 1829 opgerichte Athenaeum en schreef hij speciaal voor zijn studenten een eigen French grammar or compilation of grammatical principles and rules to be used in the South Africa College and at the French Academy for young ladies in Cape Town (1829). Hij werd vaste medewerker en redacteur van het Nederduitsch Zuid-Afrikaansch Tydschrift en trad in 1833 toe tot de Society for the Expansion of Civilization.

Daarnaast vond Swaving tijd om zijn in Londen begonnen autobiografische geschriften, alsmede talloze vertalingen in het Nederlands te voltooien. Daaronder was Het leven van Napoleon Buonaparte, keizer der Franschen, met eene voorafgaande beschouwing der Fransche omwenteling van sir Walter Scott, dat in 1827-1828 in negen delen verscheen. Tevens publiceerde hij over het bestaan in, en het land en de taal van Zuid-Afrika. Begin 1835 stierf Swaving, vijftig jaar oud, na een ziekbed van twee maanden. Zijn verstandige vrouw Charlotte zou hem 36 jaar overleven.

Swaving ontleent zijn bekendheid aan zijn autobiografische geschriften. Terwijl hij zijn literaire eerstelingen voornamelijk als tijdverdrijf en niet om financiële redenen schreef, was vanaf het eind van de jaren twintig juist geldnood voor hem de belangrijkste drijfveer de vele sensationele lotgevallen, die zich vanaf zijn geboorte tot zijn laatste levensjaren in Zuid-Afrika voordeden, uitvoerig te verslaan. Toch behoorde hij niet tot het soort broodschrijvers dat uitsluitend om geldelijk gewin allerlei fantastische verhalen uit de duim zoog. Swaving wilde zijn lezers er namelijk van overtuigen dat al wat hij schreef, werkelijk was gebeurd. Daarom vermeldt hij ook uitdrukkelijk de namen van nog levende getuigen. De meeste van Swavings verhalen bevatten op zijn minst één kern van waarheid, maar - zoals de meeste autobiografen - probeerde ook hij geregeld zijn eigen gelijk te bewijzen door een van de werkelijkheid afwijkende voorstelling van zaken te geven.

Belangwekkend was Swavings beschrijving van zijn ongebruikelijke reacties op de talloze, al even ongebruikelijke veranderingen in zijn leven. Veel van wat hij beschrijft, was al uit andere geschriften bekend, maar door zijn kritische betrokkenheid bij alles wat hij meemaakte, lukt het hem vaak beter dan anderen hiervan een authentiek persoonlijk beeld te schetsen. Opvallend vaak geeft Swaving met aandoenlijke zelfspot en openhartigheid eigen tekortkomingen toe. De humoristische manier waarop hij openbaart hoe hij zich steeds weer in de nesten werkte, verleent zijn autobiografische boeken een voor zijn tijd in Noord-Nederland ongebruikelijke lichtheid en charme.

Publicaties:

Behalve de in de tekst genoemde werken o.a.:

  • Levensschets van Prins Frederik van Brunswijk-Lunenburg, Hertog van York en Albany, benevens eene schets zijner prachtvolle begravenis (Dordrecht 1827).
  • Swaving’s reizen en lotgevallen, door hem zelven beschreven (2 dln.; Dordrecht 1827). [deel 1 en deel 2]
  • Offer aan de lijdende onschuld, of Swaving's vlugt uit Delft, in vrouwelijk gewaad, zijnde een uittreksel uit zijne tienjarige militaire loopbaan, door hemzelven beschreven, ter verontschuldiging van den veroordeelden artillerist, die, tijdens zijne in hechtenis stelling, in zijne woning op schildwacht stond (Dordrecht 1827).
  • Swaving’s tienjarige militaire loopbaan (Dordrecht 1830).
  • Swaving’s zonderlinge ontmoetingen en wonderbaarlike lotsverwisselingen na zijne vlugt uit Delft, benevens schetsen van Londen en deszelfs bewoners, van de Kaap de Goede Hoop en hare ommestreken, ... of Laatste vervolgdeel op zijne tienjarige militaire loopbaan (Dordrecht 1830).

Literatuur:

Portret:

Justus Gerardus Swaving omstreeks 1825 (detail) (beschikbaar via: website Achter de gevels van Delft: huis Oude Delft 189.

Salvador Bloemgarten

laatst gewijzigd: 29/06/2015