Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

VERHUELL, Christiaan Antonij, marineofficier, bestuurder en diplomaat (Doetinchem 7-4-1760 - Parijs (Frankrijk) 15-3-1832). Zoon van Quirijn Maurits VerHuell, advocaat en bestuurder, en Judith Elsabeen Anna barones van Rouwenoort. Gehuwd op 28-3-1784 met Anna Jacoba Bosch (1768-1848). Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. Na echtscheiding (1-4-1806) gehuwd op 12-12-1820 met Anne Catharine Reynell (circa 1795-1865). Dit huwelijk bleef kinderloos.

Christiaan VerHuell - spreek uit: 'Verheul' - was een telg uit een Gelders patriciërsgeslacht. Zijn vader was werkzaam als advocaat in Doetinchem en vervulde daarnaast de voor zijn stand traditionele regentenambten op lokaal, regionaal, gewestelijk en landelijk niveau. Zijn moeder - de tweede echtgenote van VerHuell senior - behoorde tot de Gelderse adel. Christiaan was de op één na oudste zoon in het gezin, dat, afgezien van een dochter uit zijn vaders eerste huwelijk, verder nog vijf zoons en twee dochters telde. Aangezien de oudste zoon op gebruikelijke wijze de vader zou opvolgen in diens bestuurlijke functies, dienden de jongere zoons een carrière te zoeken in het leger of de marine. Christiaan en zijn vier jaar jongere broer Carel Hendrik waren voorbestemd voor dienst op de Staatse vloot.

Christiaan begon zijn loopbaan in 1771 als elfjarige adelborst bij de Admiraliteit te Amsterdam. De opleiding tot marineofficier had indertijd plaats aan boord onder leiding van de senior officieren. Zo maakte de jongen op respectievelijk de fregatten 'Thetis' (1771-1772), 'Mars' (1776-1777) en 'Argo' (1777-1779) drie reizen naar de Middellandse Zee om daar de vanaf de Noord-Afrikaanse kust opererende Barbarijse zeerovers te bestrijden.

Tijdens de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) nam VerHuell - sinds 30 januari 1771 luitenant-ter-zee - op 5 augustus 1781 deel aan de slag bij de Doggersbank. Van de tijdens de strijd opgelopen verwonding aan zijn rechterbeen zou hij zijn gehele verdere leven last ondervinden. Hij bevond zich toen aan boord van het linieschip 'Admiraal Generaal', dat werd gecommandeerd door kapitein Jan Hendrik van Kinsbergen. In deze vertrouweling van stadhouder Willem V vond Christiaan een invloedrijk beschermheer. De jonge luitenant op zijn beurt assisteerde hem bij het persklaar maken van de publicaties over nieuwe vloottactieken en over de marinedienst, die Van Kinsbergen in 1781-1782 het licht deed zien.

Door interventie van Van Kinsbergen werd VerHuell al op 23 oktober 1783 - pas 23 jaar oud - bevorderd tot extraordinaris kapitein-ter-zee, dit tot ongenoegen van de marineofficieren die hij daarbij passeerde. Deze rangsverhoging hing samen met de speciale opdracht, waarmee de advocaat-fiscaal van de Amsterdamse Admiraliteit, Joan Cornelis van der Hoop, en Van Kinsbergen hem belastten, namelijk het verrichten van een onderzoek naar de staat van verdediging van de nederzettingen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de mogelijkheden daarin verbeteringen aan te brengen. VerHuell moest hierover aan hen rapporteren buiten de eskadercommandant kapitein Jacob Pieter van Braam om. Aldus maakte hij van november 1783 tot juli 1785 in een niet-operationele functie zijn eerste reis naar de Oost. Deze bijzondere opdracht resulteerde in een - aan boord geschreven - lijvige memorie met bijlagen.

Een ander resultaat van deze reis was het huwelijk dat VerHuell in maart 1784, tijdens een drie maanden durend oponthoud aan Kaap de Goede Hoop, sloot met de zeer welgestelde Anna Jacoba Bosch, die - hoewel pas vijftien jaar oud - al weduwe was van de raad-ordinaris van Indië Jacobus Cornelis Mattheus Radermacher. Het zou overigens een weinig gelukkig huwelijk blijken.

De tweede reis naar de Oost maakte VerHuell van eind februari 1789 tot eind juni 1793 als kapitein van het korvet 'Havick'. Het was zijn eerste zelfstandige commando op een oorlogsschip, en het zou ook zijn enige zijn, want nadien heeft hij nooit meer gevaren. VerHuell maakte de reis als lid van de zogeheten Militaire Commissie onder leiding van kapitein-ter-zee Jan Olphert Vaillant. Zij had tot doel ter plaatse de 'generaale defensie van geheel Indien' na te gaan en verbeteringen voor te stellen. De bijna vierenhalf jaar durende inspectietocht leverde wederom een omvangrijke rapportage op. Door de oorlogsverklaring van het revolutionaire Frankrijk aan de Stadhouder, begin februari 1793, kreeg de verdediging van het grondgebied van de Republiek der Verenigde Nederlanden echter de hoogste prioriteit en bleef het rapport zonder gevolg. Wel werd VerHuell, als blijk van dank, op 30 juni 1793 bevorderd tot ordinaris kapitein-ter-zee.

Na terugkeer in het vaderland richtte VerHuell zich in de eerste plaats op het herstel van zijn gezondheid, die onder de reis had geleden, en het regelen van de (financiële) zaken van en met zijn echtgenote. Anna bleek namelijk niet te kunnen aarden in de Republiek. Tijdens haar mans afwezigheid was zij zich allengs zodanig gaan gedragen dat zij in mei 1793 in het verbeterhuis van Arnhem werd geplaatst en dat er voogden over de twee kinderen werden aangesteld. Op grond hiervan vroeg en verkreeg VerHuell op 30 september 1793 een scheiding van tafel en bed en werd Anna uit het verbeterhuis ontslagen en met kost en inwoning elders uitbesteed. Overigens ging VerHuell zelf kort na zijn terugkomst een vrijblijvende relatie aan met de tien jaar jongere Maria Elisabetha Marcus Pasdeloup uit Amsterdam, waar haar moeder een winkel dreef in luxe artikelen.

Na de benoeming van Van Kinsbergen tot opperbevelhebber van de zeemacht, eind september 1793, werd VerHuell diens eerste adjudant. Hij vreesde echter de dreigende machtswisseling, en, omdat hij door de financiële regelingen met zijn echtgenote een man in bonus was geworden, vroeg en verkreeg hij van stadhouder Willem V nog op 18 januari 1795 eervol ontslag als marineofficier. Na de Bataafse omwenteling voelde VerHuell zich niet meer veilig en vertrok hij met zijn gezin nog dat jaar voor enige tijd naar Krefeld in het hertogdom Kleef. Ook deed hij een vergeefse poging om in Russische zeedienst over te gaan. Na terugkeer in de Bataafse Republiek bleef hij als Orangist buiten alle functies en vestigde hij zich in Amsterdam als effectenhandelaar. Samen met zijn broer Carel Hendrik had hij een gelukkige hand in speculaties op de beurs. Bij de Brits-Russische inval in Noord-Holland in 1799 was hij zijdelings betrokken, maar dit had voor hem geen strafrechtelijke gevolgen.

Na de verzoening tussen Bataven en Orangisten en de zogeheten brieven van Oranienstein van prins Willem V in december 1801, waarbij deze zijn getrouwen ontsloeg van hun eed van trouw, kwamen er ook voor VerHuell nieuwe kansen. Zo werd hij op 11 november 1802 door het Staatsbewind benoemd tot lid van de Commissie van de Oost-Indische Zaken, die moest adviseren over een nieuwe bestuursvorm voor deze overzeese bezittingen en over de wijze van handelsvoering, te weten voortzetting van het overheidsmonopolie of vrije handel. VerHuell kreeg van zijn medecommissieleden opdracht een preadvies uit te brengen over de beste manier om de Oost te land en ter zee te verdedigen. Voor dit stuk maakte hij dankbaar gebruik van het rapport van de Militaire Commissie uit 1793. Het rapport werd op 31 augustus 1803 aan het Staatsbewind aangeboden, maar had geen directe gevolgen. De Bataafse Republiek diende namelijk eerst te voldoen aan de verplichting in het in juni 1803 met Frankrijk gesloten traktaat om een groot aantal transportschepen te leveren voor de invasie van Groot-Brittannië.

Voor toezicht op naleving van het traktaat wenste de toenmalige Franse heerser Napoleon Bonaparte te beschikken over een Bataafse verbindingsofficier onder zijn directe commando. VerHuell kreeg deze post aangeboden, maar weigerde. Hij maakte het Staatsbewind attent op zijn broer kapitein-ter-zee Carel Hendrik, die vervolgens als zodanig werd benoemd. VerHuell had geweigerd, omdat hij, azend op de vrij te komen post van gouverneur-generaal van Oost-Indië, zijn kruit droog wilde houden. Inderdaad kwam zijn naam in augustus 1804 op een nominatielijst te staan, maar tot zijn grote teleurstelling ging de functie uiteindelijk aan zijn neus voorbij.

Ook in VerHuells persoonlijk leven waren er teleurstellingen. Zijn vrouw Anna - van wie hij sinds 1793 gescheiden van tafel en bed leefde - bleek een relatie met een derde te zijn aangegaan, waaruit eind 1805 een dochter werd geboren. Dit was voor hem aanleiding een definitieve scheiding aan te vragen. Het departementaal gerechtshof van Gelderland wees deze eis toe, en het huwelijk werd per 1 april 1806 ontbonden verklaard wegens overspel van de echtgenote. Overigens onderhield VerHuell op dat moment nog steeds een relatie met zijn vriendin Pasdeloup.

Nadat Louis Bonaparte in juni 1806 koning van Holland was geworden, presenteerde VerHuell hem een uitvoerige memorie met zijn opvattingen over de koloniën. Al dan niet als gevolg hiervan benoemde de Koning hem op 7 juli 1806 tot lid van de Staatsraad, waarin hij tot 3 maart 1807 zitting zou hebben. Binnen dit college presideerde hij vanaf 8 juli de sectie Marine. Tevens kreeg hij een aanstelling als kamerheer honorair. In de goede verstandhouding met Lodewijk kwamen echter gaandeweg barstjes, omdat deze VerHuell begon te beschouwen als deel van een te veel op keizer Napoleon gerichte factie, waartoe ook zijn broer Carel Hendrik als minister van Marine en Dirk van Hogendorp als minister van Oorlog zouden behoren. De Koning besloot hen daarom uit zijn directe entourage te verwijderen door hen op verre diplomatieke posten te benoemen.

VerHuell werd als minister plenipotentiaris naar het Spaanse hof gezonden, waar hij op 8 september 1807 aankwam. In Madrid maakte hij het vergaande ingrijpen van de Franse Keizer in de Spaanse politiek mee, dat zou uitlopen op de vervanging van koning Karel IV door Napoleons broer Joseph en het begin van de volksopstand in de hoofdstad in mei 1808. Vol afkeer van dit alles en verveeld door de vele ceremoniële optredens werd hem op 22 oktober van dat jaar, op eigen verzoek, eervol ontslag verleend en keerde hij als ambteloos burger naar zijn vaderland terug.

Tijdens de inlijving van de Noordelijke Nederlanden bij het Franse keizerrijk benoemde Napoleon VerHuell op 19 februari 1811, namens het departement Yssel-Supérieur (ongeveer het huidige Gelderland), tot een van de 25 Hollandse leden van het Corps législatif, een eervolle maar weinig invloedrijke positie, waarvoor hij zich in Parijs vestigde. Ook staat hij in 1811 vermeld als lid van het Conseil général de Commerce, een economisch adviesorgaan.

Nadat Napoleon op 6 april troonsafstand had gedaan, bood VerHuell - evenals vele anderen - de uit ballingschap teruggekeerde Oranjevorst zijn diensten aan. Hij deed dit via zijn vroegere beschermheer Van der Hoop, die het nieuwe bewind inmiddels als secretaris van staat voor de Marine diende. Ook ondernam hij enige vergeefse pogingen zijn broer Carel Hendrik over te halen Den Helder, met het Texels vlooteskader en het Franse garnizoen waarover deze het bevel voerde, over te geven aan de Nederlandse belegeraars. Dit zou pas op 4 mei 1814 gebeuren. Bovendien stond Carel Hendrik te boek als de boodschapper die in 1804 aan het Staatsbewind Napoleons bevel had overgebracht om het besluit over een financiële vergoeding aan de Oranjes terug te draaien. Het late tijdstip van de overgave, de boodschap van 1804 en de innige relatie tussen de gebroeders VerHuell waren voor de Soeverein Vorst voldoende redenen beiden als persona non grata te beschouwen. Voor hen was onder zijn bewind geen plaats meer.

VerHuell bleef zodoende de rest van zijn leven als een ambteloos, gerespecteerd en vermogend burger in Parijs wonen. Daar ging hij in december 1820 een tweede huwelijk aan met de 'om haar schoonheid geroemde' Anne Catherine Reynell, een ongeveer 25-jarige Britse kolonelsdochter. Over zijn vroegere vriendin Pasdeloup wordt niet meer gesproken. Hij overleed in de Franse hoofdstad in 1832 op 71-jarige leeftijd. Zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in het - nog altijd aanwezige - familiegraf op de begraafplaats Père Lachaise.

Al met al behoorde Christiaan Antonij VerHuell tot de 'kleinere goden' van de Bataafs-Franse tijd, die wellicht typerender waren voor de politieke gang van zaken dan de 'grotere'. Aan hen was immers het dagelijkse bestuurlijke handwerk toevertrouwd, waardoor zij alleen al door hun grotere aantal een belangrijk stempel konden drukken. VerHuell heeft een afwisselende carrière doorlopen, maar het ziet er naar uit dat de periode vóór 1795, als marineofficier op de Staatse vloot, uiteindelijk het meest tastbare resultaat heeft opgeleverd in de vorm van zijn rapportages over de militaire situatie in de Oost. 

Archivalia:

Collectie VerHuell (1779-1835) in het Nationaal Archief te 's-Gravenhage [inventaris].
Familiearchief VerHuell (1636-1897) in het Gelders Archief te Arnhem [inventaris].

Publicaties:
'Memorie van den capitain ter zee Ver-Huell, met 's lands esquader in het jaar 1784/5 in Indië geweest zijnde'. Uitgeg. door H.C.A. VerHuell, in: Bijdragen en Mededeelingen van het Historisch Genootschap 2 (1879) 24-72.

Literatuur:
S. Dörr, De kundige kapitein. Brieven en bescheiden betrekking hebbende op Jan Olphert Vaillant, kapitein-ter-zee, 1751-1800 (Zutphen 1988).
R.B. Prud'homme van Reine, Jan Hendrik van Kinsbergen, 1735-1819. Admiraal en filantroop (Amsterdam 1990).
L. Turksma, Admiraal van Napoleon. Het leven van Carel Hendrik graaf VerHuell, 1764-1845 (Arnhem 1991).
Nico Habermehl, Joan Cornelis van der Hoop, 1742-1825. Marinebestuurder voor stadhouder Willem V en koning Willem I (Amsterdam 2000).
L. Turksma, Wisselend lot in een woelige tijd. Van Hogendorp, Krayenhoff, Chassé en Janssens. Generaals in Bataafs-Franse dienst (Westervoort 2005).
Ton Landheer, Oranje of Napoleon? De wisselvallige levensloop van Christiaan Antonij VerHuell, 1760-1832 (Utrecht 2006).
F.S. Gaastra, De geschiedenis van de VOC [1991] (10de geheel herz. dr; Zutphen 2009).

Portret:
Christiaan Antonij VerHuell als lid van het Corps législatif in Parijs (1811) door Louis-Léopold Boilly; Museum voor Moderne Kunst te Arnhem (afgebeeld in: Ton Landheer, Oranje of Napoleon? De wisselvallige levensloop van Christiaan Antonij VerHuell, 1760-1832 (Utrecht 2006) t/o titelpagina).

Henk Boels

laatst gewijzigd: 12/11/2013