Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

WOENSEL, Pieter van (pseudoniem: Amurath-Effendi, hekim-bachi), medicus en publicist (Haarlem 10-1-1747 (doop) – ’s-Gravenhage 20-4-1808). Zoon van Joan van Woensel, arts, en Margaretha Susanna Zandwijk. Hij was ongehuwd.

Pieter van Woensel groeide – samen met een oudere broer en een jongere broer en zuster – op als zoon van een Haarlemse arts; vier andere kinderen overleden jong. Dit vrijzinnige, remonstrantse gezin droeg ongetwijfeld bij aan de vorming van zijn onafhankelijke geest en karakter. Na de Latijnse school in zijn woonplaats te hebben doorlopen schreef Pieter zich in 1764 in aan het Remonstrants Seminarium in Amsterdam. Eind oktober 1766 gaf hij echter in een brief aan de curatoren te kennen met de studie te willen stoppen, omdat ‘zijn gevoelens niet overeenkomen met die der Remonstranten’ (geciteerd in: Hanou (ed.), De Lantaarn, 117) Op 19 september begon Pieter een studie medicijnen aan de Universiteit te Leiden. Ruim twee jaar later, op 23 november 1770, promoveerde hij hier op een negentien pagina’s tellend proefschrift: Specimen sistens quaedam miscellanea medica (Proeve van medisch mengelwerk).

In het najaar van 1771 reisde Van Woensel voor de eerste keer naar Rusland, waar hij – naar eigen zeggen – legerarts werd in het hospitaal van het adellijke landcadettenkorps in Sint-Petersburg. Hier leerde hij kapitein-ter-zee Jan Hendrik van Kinsbergen kennen, een uit Gelderland afkomstige marineofficier die van 1771 tot 1775 op de Russische Zwarte-Zeevloot diende, en een oude bekende van zijn oudste broer, de Staatse marineofficier Joan van Woensel. Van Kinsbergen zou vanwege zijn uitstekende relaties met het hof van keizerin Catharina II vaak als beschermheer van Van Woensel optreden.

In 1774 vroeg Van Woensel zijn broer Joan in een brief voor hem uit te kijken naar een betrekking in de Republiek der Verenigde Nederlanden, maar deze raadde hem af terug te keren, omdat de vooruitzichten hier een bestaan op te bouwen op dat moment weinig rooskleurig waren. Om niet te ‘ontvaderlanden’ zou hij uiteindelijk toch in 1778 – na zes jaar afwezigheid – teruggaan naar zijn geboorteland. In 1780 kreeg hij met hulp van Van Kinsbergen een aanstelling als marinearts in Amsterdam. Op grond van door hem bij de landcadetten verrichte experimenten zou hij in datzelfde jaar Nouvelles expériences faites avec la mercure dans la petite vérole hebben gepubliceerd. Van deze verhandeling over de bestrijding van pokken zijn echter nooit exemplaren gevonden.

Naast zijn betrekking als marinearts was Van Woensel bijzonder actief als publicist. Zo gaf hij tussen 7 april en 20 augustus 1780 in twintig afleveringen het weekblad Monitor of vertoogen, betrekkelijk tot de staatkundige en zedelijke huishouding der Nederlandsche Republiek, en tot andere gewichtige onderwerpen uit. In de toenmalige nationale pennenstrijd tussen Patriotten en Prinsgezinden nam hij met deze periodiek een overwegend anti-Oranjegezind standpunt in. In 1781 verschenen twee pamfletten van deze strekking onder de initialen P.V.W.M.D. en – omgekeerd – D.M.W.V.P., die zouden kunnen staan voor ‘Pieter van Woensel Medicus Doctor’. Het betreft Onderzoek van den politieken staat der Vereenigde Nederlanden. Betrekkelyk tot de noodzaakelykheid om een alliantie aan te gaan met Vrankryk en Spanje enz. en Vertoog over de opvoedinge van een Nederlandsch regent, waarbij met de laatstgenoemde stadhouder Willem V wordt bedoeld.

Van de tientallen publicaties over medische, politieke, militaire en maatschappelijke onderwerpen, die Van Woensel in de jaren tachtig het licht deed zien, verdient in het bijzonder zijn Tegenwoordige staat van Rusland uit 1781 vermelding. In dit ruim tweehonderd pagina’s tellende boek – dat in het Frans, Duits en Pools zou worden vertaald – geeft Van Woensel een afstandelijk, weinig kritisch overzicht van het land. Hij droeg het op aan tsarina Catharina II, die hij op dat moment om haar verlicht bewind nog erg bewonderde, maar na haar dood in 1796 fel zou bekritiseren.

Nadat in mei 1784 een einde was gekomen aan de Vierde Engelse Oorlog nam Van Woensel ontslag bij de Staatse marine en begon hij aan een tweede grote buitenlandse reis. Via Parijs reisde hij naar Marseille, waar hij begin 1785 scheep ging voor Smirna. Vanuit deze west-Turkse havenstad vertrok hij naar Istanboel, de hoofdstad van het Osmaanse rijk. Hier woonde hij vanaf eind maart 1785 in de Europeanenwijk Pera. Midden mei 1786 vatte Van Woensel het plan op om over de oude karavaanweg naar Delhi te reizen. Toen in Koerdistan de tocht te paard uiteindelijk te zwaar voor hem bleek, besloot hij naar het noorden te trekken. In de havenstad Trebizonde wist een wervingsagent van de Russische marine hem over te halen als marinearts dienst te nemen bij de Zwarte-Zeevloot, met als thuisbasis Sebastopol. Bijna twee jaar zou Van Woensel op de Krim verblijven. Hij deed er onder meer onderzoek naar de bestrijding van besmettelijke ziekten. Zijn Mémoire sur la peste werd in 1788 uitgegeven door de Keizerlijke Academie van Wetenschappen in Sint-Petersburg. Na een verblijf in de marinehaven Kronstadt nabij de Russische hoofdstad keerde hij in 1789 terug in de Republiek.

Van Woensel werd opnieuw marinearts in Amsterdam, waar hij zich vestigde op de Reguliersgracht. Kennelijk vond hij daar de rust om zijn ervaringen en denkbeelden op papier te zetten. In 1792 verscheen het eerste deel van De Lantaarn, waarvan er daarna op onregelmatige basis in 1796, 1798, 1800, 1801 nog vijf zouden volgen. Het zijn boekjes in duodecimoformaat, met een omvang die varieert tussen de 150 en 220 bladzijden, door Van Woensel volgeschreven met satirische, en niet zelden sarcastische artikelen over de meest uiteenlopende onderwerpen en voorzien van eigen illustraties en spotprenten. Hij publiceerde ze onder het pseudoniem ‘Amurath-Effendi, hekim-bachi’ (: Mijnheer Amurath, hoofdgeneesheer), wat niet alleen herinnert aan zijn medische achtergrond en zijn reizen door het Osmaanse rijk, maar ook verwijst naar het indertijd populaire romangenre, waarin het doen en denken van de Europeanen wordt beschreven door de ogen van fictieve Oosterse reizigers. Van Woensel hekelt in De Lantaarn – waarin in feite zijn geheel persoonlijke denkbeelden over de Verlichting worden verwoord – de Republiek en haar inwoners. Vooral schrijvers en journalisten met hun politieke retoriek moesten het ontgelden.

Tussen 1791 en 1794 publiceerde Van Woensel tevens zijn tweedelige Aanteekeningen, gehouden op eene reize door Turkijen, Natoliën, de Krim en Rusland in de jaaren 1784-89, dat met de zes Lantaarn-delen tot zijn meest ironische publicaties behoort. Behalve van zijn eigen waarnemingen maakte Van Woensel bij het schrijven van dit reisverslag ook gebruik van buitenlandse werken over het Osmaanse rijk. Opvallend is dat de militaire informatie in deel I sterk overeenkomt met de vrijwel gelijktijdig verschenen Beschryvinge van den Archipel, tot nut van den krygsman, zeevaarenden en handeldryvenden (1793) van Van Kinsbergen. Daar zij bevriend waren en elkaar ongetwijfeld over hun reizen en bevindingen zullen hebben gesproken, lijkt hier eerder sprake van wederzijdse beïnvloeding dan van plagiaat.

In 1794 voer Van Woensel als medicus mee op een smaldeel naar de de West. Hij verbleef een half jaar in Suriname, Demerary en Berbice, waar hij een melaatsenhospitaal bezocht om er het ziekteverloop van lepra te bestuderen. In ‘West-Indische fragmenten, of losse uittrekzels uit een drietal brieven, geschreeven uit de coloniën Suriname, Demerarij en Berbice’, opgenomen in De Lantaarn voor 1796 (pp. 132-157), zou hij hiervan later verslag doen.

Het in januari 1795 aangetreden Bataafse bewind, als bondgenoot van de Franse Republiek in oorlog met Groot-Brittannië, wilde graag gebruikmaken van Van Woensels kennis van en contacten in Rusland om te weten te komen welke positie het land in de oorlog zou innemen. In opdracht van de Commissie voor de Buitenlandse Zaken van de Nationale Vergadering verbleef Van Woensel zodoende van september 1796 tot juni 1797 als ‘correspondent et agent secret’ in Sint Petersburg. Hij verzamelde daar politieke en diplomatieke informatie en zond die naar Den Haag. De correspondentie werd in code gevoerd en men bediende zich van onzichtbare inkt. Van Woensel slaagde erin een Brits-Russisch verdrag en andere politiek belangrijke documenten naar de Bataafse Republiek over te brengen. Vanzelfsprekend was Rusland daarna als reisdoel verleden tijd, maar het land en zijn bevolking zouden hem blijven trekken. Zo vertoonde hij zich in Amsterdam vaak in Russisch kostuum met bontmuts, kledij waarin hij zich ook liet afbeelden.

Het verschijnen van het vijfde deel van De Lantaarn in 1800 gaf aanleiding tot controverses. Zo zag de radicale predikant en parlementariër Bernardus Bosch hierin een aanleiding Van Woensel in het weekblad De Burger Politieke Blixem (10-11-1800, pp. 281-283) in de vorm van een pseudobiografie ‘Levensbeschrijving van Doctor Woenselius’ fel te kritiseren. In dit vijfde deel zorgde, behalve drie stukken over generaal Napoleon Bonaparte, vooral de bijdrage Historie van een Trojaansch paerd voor de nodige ophef. Hierin steekt Van Woensel de draak met het op naïeve wijze binnenhalen van de Fransen, wat het Bataafs bewind niet welgevallig was. De agent van Inwendige Politie en Waterstaat (: minister van Binnenlandse Zaken) verbood daarom eind september 1800 de verdere verspreiding van deze publicatie, waarbij deze zich beriep op een bepaling in de Staatsregeling van 1798 die het niet toestond onder pseudoniem te publiceren. Van Woensel maakte daarom in een supplement op De Lantaarn voor 1800, getiteld De bij-lichter, zijnde eene uitgewerkte verhandeling over de influenza, dat is: publieke verkoudheid, zijn identiteit bekend.

Van Woensel heeft ook enkele vertalingen op zijn naam staan, waaronder uit het Spaansch De ridder Don Quichot van Mancha, beschreeven door Miguel de Cervantes de Saavedra … uit 1802 . Van zijn Zeemans handboek uit 1803, een soort handleiding voor eerste hulp bij ongelukken aan boord van schepen, zijn geen exemplaren bewaard gebleven, hoewel het wel in druk moet zijn verschenen, omdat het immers werd gerecenseerd. In 1804, ruim twintig jaar na zijn Tegenwoordige staat van Rusland, wijdde Van Woensel opnieuw een publicatie aan Rusland. In zijn Rusland beschouwd – dat hij opdroeg aan zijn vriend Van Kinsbergen – toonde hij zich nu wel kritisch over het land en bestuur. Zo noemde hij het tsarenrijk ‘een land, waarin men even bang is voor de democratie, als voor een varken in de synagoge’ (De Lantaarn voor 1798, p. 138).

Tijdens zijn laatste levensjaren stelde Van Woensel vele plannen ter verbetering van de vloot op en ondernam hij inspectiereizen. In zijn functie van ‘doctor-generaal’ van de Bataafse marine, waartoe hij in 1805 was benoemd, schreef hij tevens een aantal rapporten, zoals Over het bestier van het medicinale en chirurgicale vak bij de marine uit 1806. In niet nader genoemde berichten heet het dat Van Woensel vanaf 1806 ‘op zijne wijze zo wat voor hoveling’ speelde aan het hof van koning Lodewijk, wanneer die in Den Haag resideerde (Halbertsma, 2). Hij woonde in die jaren in de Boekhorststraat. Toen hij op een avond in april 1808 van het hof thuiskwam, gleed hij uit en brak een been. ‘Een gewoon chirurgijn kon ’t gemakkelijk genezen hebben’, aldus een eigentijdse arts, ‘maar omdat de algemene weg gemijd moest worden, volgde hij zijn eigen, kreeg er koudvuur van en stierf’ (Swarte, ‘Van Woensel’, 192). Zo bezien lijkt het erop dat zijn eigenwijsheid Van Woensel de das omdeed. Hij werd 61 jaar. Zijn nalatenschap bedroeg ongeveer 2.500 gulden.

De wispelturigheid in het leven van Pieter van Woensel treft men ook aan in zijn publicaties. Die zijn door de zakelijke schrijfstijl goed leesbaar, maar hier en daar chaotisch van opzet en vorm. In de annotatie bij zijn geschriften haalt hij uit naar alles en iedereen; hij maakt zelfs voetnoot op voetnoot als parodie op overdreven geleerddoenerij. In deze terzijdes toont Van Woensel zich een waarnemer met de nieuwsgierigheid van een journalist, geboeid door de wereld die zichtbaar was in de maatschappij. En zoals een kritische en onbevangen waarnemer betaamt, bleef Van Woensel steeds aan de zijlijn. Bij het formuleren van zijn mening meed hij gebaande paden: ‘Een behaaglijke nieuwe dwaling is mij welkomer dan een verlepte waarheid’, zo betoogde hij (geciteerd in: Hanou (ed.), De Lantaarn, 122). Van Woensel bood zijn landgenoten nieuwe feiten en andere inzichten over bijvoorbeeld de beeldvorming van Rusland en Turkije en stelde – op zijn manier – ook medisch onvermogen en politieke misstanden in verschillende publicaties aan de kaak. En altijd schijnt zijn licht daarin helder en is zijn toon ironisch, op het satirische af. Uit effectbejag, dat wel.


Archivalia:
  • Correspondentie van Joan van Woensel (1774-1794) in het Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam.
  • J.H. Halbertsma, Handschrift over P. van Woensel in Tresoar, Fries Historisch en Letterkundig Centrum te Leeuwarden.

Publicaties:
Naast de in de tekst genoemde titels de volgende (al dan niet hertaalde) bloemlezingen:
  • Amurath-Effendi, hekim-bachi / Pieter van Woensel [Selectie van teksten uit zijn werk]. Ingel. en geann. door J.J. Wesselo (Zutphen [1974]).
  • Staat der geleerdheid in Turkijen (1791) [Selectie uit de tekst]. Uitgeg. door Meike Broecheler (Leiden 1995).
  • De Lantaarn. Samengest. door André Hanou [Selectie van hertaalde teksten] (Amsterdam 2002).

Literatuur:
Portret:
Gravure (1790) door F. Sansom naar een werk door P. Wagenaar jr. (detail) (afgebeeld in: Pieter van Woensel, De Lantaarn. Samengest. door André Hanou (Amsterdam 2002) 15).

Pieter van Wissing

laatst gewijzigd: 12/11/2013