Biografisch Woordenboek van Nederland: 1780-1830

 
English | Nederlands

WYCK, Harmen Jan van der (ook bekend onder de naam: Herman Jan van der Wijck) (bij Frans Keizerlijk besluit benoemd tot Baron de l’Empire d.d. 19-10-1811; bij besluit van de Soeverein Vorst d.d. 28-8-1814, nr. 14 benoemd in de Ridderschap van Overijssel met het predicaat jonkheer), legerofficier, waterstaatkundige en tekenaar (Deventer 7-11-1769 – Mannheim (Groothertogdom Baden) 18-1-1847). Zoon van Jan Hendrik van der Wyck, heer van Stoevelaer, en Maria Brouwer. Gehuwd op 23-4-1796 met Cornelia Constantia van der Muelen (1771-1852). Uit dit huwelijk werden, behalve 1 jong overleden dochter, 2 zoons en 2 dochters geboren. 

Harmen Jan van der Wyck stamde uit een geslacht van Overijsselse regenten. Zijn familie van vaderszijde vervulde generatieslang bestuursfuncties ten plattelande, terwijl zijn moeder behoorde tot het Deventer patriciaat. Hij groeide op in huize ‘Stoevelaar’, een havezate nabij het Twentse Goor waarmee zijn vader vergeefs probeerde toegang te krijgen tot de Ridderschap van het Overijsselse kwartier Twente. Als tiende in het dertien kinderen tellend gezin koos hij – in navolging van drie van zijn oudere broers en verscheidene andere verwanten – voor een militaire carrière. 

Op 18 april 1787 trad Van der Wyck, achttien jaar oud, toe tot het ‘technische’ wapen der genie oftewel het Korps Ingenieurs van het Staatse leger. In de rang van extraordinaris-ingenieur werd hij toegevoegd aan de luitenant-ingenieur J.F. Wollant, die was belast was met het vervaardigen van militaire kaarten van het oosten van Gelderland en Overijssel. Daarna assisteerde Van der Wyck vanaf 1788 de kapitein-ingenieur Johann Heinrich Hottinger bij de kartering van oost-Drenthe en oost-Groningen, om vervolgens, van begin 1792 tot het voorjaar van 1794, onder diens leiding dit militair-topografisch werk voort te zetten rondom de stad Groningen. Verscheidene kaarten, onder andere die van het landgoed ‘Twickel’ en van de omgeving van Zutphen, zijn door hem gesigneerd. Zijn standplaats was in deze jaren het vestingstadje Zutphen. 

De Bataafse omwenteling van 1795 leidde tot een ingrijpende reorganisatie van het leger, ook wat de personele samenstelling betreft. Bij het Korps Ingenieurs – voortaan Corps de Genie geheten – had maar liefst twee derde van de officieren het veld moeten ruimen of zelf ontslag genomen. Van der Wycks carrière geraakte hierdoor in een stroomversnelling: op 9 juli werd hij, met terzijdelating van de luitenantsrang, direct bevorderd tot kapitein-ingenieur. Dat zijn talent als geografisch ingenieur werd erkend, moge blijken uit de hem in 1801 verstrekte opdracht. Met het oog op de versterking van Den Helder aan de landzijde werd hij, op voorstel van de luitenant-kolonel der genie Cornelis Krayenhoff, belast met het opmeten en verkennen van de stelling en het daarvoor gelegen terrein, alsmede van de zeegaten. 

Intussen bleef Van der Wycks standplaats onveranderlijk Zutphen. Hier maakte hij naar alle waarschijnlijkheid kennis met Cornelia Constantia van der Muelen, de dochter van een Amsterdamse koopman met familieconnecties in het IJsselstadje. Met haar trad hij in het voorjaar van 1796 in Amsterdam in het huwelijk. Zij was de oudere zuster van Johanna Andrea Charlotta van der Muelen, die twee jaar later zou trouwen met Antoni Christiaan Wijnandt Staring, de dichter en landheer op de ‘Wildenborch’ bij Vorden. Hun leven lang zouden beide echtparen nauw contact met elkaar onderhouden. Uit Van der Wycks huwelijk met Cornelia werden tussen 1797 en 1815 vijf kinderen geboren, van wie één dochter al op tienjarige leeftijd overleed. Zijn oudste zoon Carel zou als genieofficier in de voetsporen van zijn vader treden. 

Van der Wyck speelde een rol in het verbeteren van het militair onderwijs. Mogelijk was hij in Zutphen betrokken bij de daar gevestigde artillerie- en genieschool. In ieder geval had hij, tijdens het Koninkrijk Holland, een aandeel in de administratieve voorbereidingen van een landelijke school voor artillerie-, genie- en waterstaatsonderricht, die in oktober 1806 door koning Lodewijk Bonaparte in Amersfoort werd geopend. Ook in de oprichting in 1809 van de Koninklijke Militaire School in Den Haag had Van der Wyck – sinds 18 augustus 1808 luitenant-kolonel-ingenieur – een belangrijk aandeel. 

Hoewel legerofficier kwam Van der Wyck in dit van oorlogen vervulde tijdvak niet of nauwelijks in aanraking met krijgsgeweld. In de zomer van 1797 maakte hij – als lid van de staf van de opperbevelhebber luitenant-generaal Herman-Willem Daendels – deel uit van de op de rede van Texel ingescheepte troepenmacht, waarmee het Bataafse bewind als bondgenoot wilde deelnemen aan een Franse landing in Ierland. Maar nadat de militairen drie maanden aan boord hadden gewacht op vertrek, werd de expeditie uiteindelijk afgeblazen. Eind 1805 werd Van der Wyck bij de ingenieurs te velde geplaatst; hij maakte daar deel uit van de staf van kolonel Krayenhoff

In het najaar van 1806 verleenden de Hollandse troepen van koning Lodewijk bondgenootschappelijke ondersteuning aan de veldtocht van de Franse keizer Napoleon tegen Pruisen. In het kader hiervan belegerde een Hollandse divisie onder bevel van luitenant-generaal Jean-Baptiste Dumonceau in november 1806 Hameln en Nienburg aan de Wezer. Bij deze divisie commandeerde Van der Wyck de genie. Nadat beide vestingstadjes zich eind november hadden overgegeven, werden Dumonceaus troepen als bezettingsmacht in noordwest Duitsland gestationeerd, met als hoofdkwartier Bremen. Tijdens zijn verblijf daar bracht Van der Wyck onder meer, in januari 1807, het gebied tussen de genoemde havenstad en Stade in kaart. 

Tijdens de Britse inval op Walcheren, in de tweede helft van 1809, gaf koning Lodewijk opdracht de Linie van Amsterdam zo snel mogelijk te versterken. Mede onder leiding van Van der Wyck werden deze werkzaamheden door een ijlings gevormd team van militair ingenieurs ter hand genomen. 

Koning Lodewijk waardeerde Van der Wycks werkzaamheden op 25 augustus 1808 met het ridderkruis in de Orde van de Unie. Bovendien werd hij op 10 juli 1809 correspondent van het een jaar eerder opgerichte Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten. Opmerkelijk is dat hij hier deel uitmaakte van de Vierde Klasse die zich toelegde op de ‘Schoone Kunsten’ – in zijn geval de ‘Bouwkunde’ – , terwijl een andere militair ingenieur, zijn superieur en latere tegenstrever generaal-majoor Krayenhoff, lid was van de Eerste Klasse, waarin de beoefenaars van de natuurwetenschappen waren samengebracht. 

De inlijving van de ‘Hollandse departementen’ bij Napoleons keizerrijk in juli 1810 bracht ook de incorporatie van het leger met zich mee. Van der Wyck vroeg geen ontslag en ging dus met zijn collega ingenieurs over in het Corps impérial du Génie. Hierbinnen kreeg hij de majoorsrang: eerst op 17 december 1810 als chef de bataillon de seconde classe; anderhalve maand later, op 31 januari 1811 als chef de bataillon de première classe. Ook anderszins geraakte Van der Wyck in Frankrijk geïntegreerd: na op 19 oktober 1811 als baron in de Napoleontische adelstand te zijn verheven werd hij op 7 maart 1812 ridder in de Orde van de Reünie. Later, in 1814, zou hij ten onrechte beweren tevens te zijn begiftigd met het Legioen van Eer (NA, 2.13.69; inv.nr. 876). 

De gruwelen van de veldtocht naar Rusland in 1812 bleven Van der Wyck bespaard, maar het jaar daarop moest hij wel deelnemen aan Napoleons veldtocht tussen de Oder en de Elbe tegen de Russische en Pruisische troepen. Voor het eerst in zijn leven ervoer deze hoofdofficier nu het oorlogsgeweld aan den lijve. In het voorjaar van 1813 was Van der Wyck – dienend in het 5de Franse legerkorps onder aanvoering van divisiegeneraal Jacques markies de Lauriston – in Saksen aanwezig bij de grote veldslagen van Lützen (2 mei) en Bautzen (20-21 mei) en de gevechten bij Haynau (26 mei) en Neukirch (31 mei). Toen na een wapenstilstand van ruim twee maanden de oorlogshandelingen in de late zomer van 1813 werden hervat, was Van der Wyck betrokken bij de gevechten in Neder-Silezië te Löwenberg (19 augustus) en Goldberg (23 augustus) en bij de slag aan de Katzbach (26 augustus), waarin een Russisch-Pruisische strijdmacht de Fransen versloeg. 

Als gevolg van deze nederlaag belandde Van der Wyck in Russische krijgsgevangenschap. Toen eind oktober 1813 – kort na Napoleons verpletterende nederlaag bij Leipzig – in het plaatsje Schwedt aan de Oder uit Nederlandse krijgsgevangenen het zogeheten Hollands Oranje Legioen werd geformeerd, sloot hij zich hierbij aan; hiermee verbrak hij zijn eed van trouw aan de Franse Keizer en maakte hij zich schuldig aan desertie. Deze eenheid stond onder bevel van Jean Victor baron de Constant Rebecque, die Van der Wyck begin december 1813 naar Stettin stuurde om daar, na de capitulatie van deze vestingstad, de meer dan duizend Hollandse krijgsgevangenen van het Franse garnizoen tot dienst in het Oranje Legioen te bewegen en over te brengen naar Schwedt.

Eind december 1813 keerde Van der Wyck in zijn vaderland terug. Daar was inmiddels de Oranjeprins Willem Frederik uit ballingschap teruggekeerd en vervolgens Soeverein Vorst geworden van de opnieuw onafhankelijke Noordelijke Nederlanden. Al op 4 januari 1814 stelde laatstgenoemde Van der Wyck – in de rang van luitenant-kolonel – aan tot zijn adjudant. In deze functie was hij onder meer belast met oprichting van een Artillerie- en Genieschool in Delft. Op 28 augustus 1814 benoemde de Soeverein Vorst hem tot lid van de nieuwgevormde Ridderschap van Overijssel, waardoor hij met het predicaat jonkheer automatisch deel uitmaakte van de Nederlandse adel. 

Met Van der Wycks militaire carrière ging het in de beginjaren van het koninkrijk voorspoedig. Op 16 maart 1814 werd hij – in de rang van kolonel – benoemd tot directeur van de Westelijke Directie der Fortificatiën met als standplaats Den Haag. De oorlog met Frankrijk die na Napoleons terugkeer op de troon onvermijdelijk was, leidde op 26 maart 1815 tot Van der Wycks aanstelling als Adjudant-Generaal, een functie waarmee hij, na Kwartiermeester-Generaal De Constant Rebecque, de hoogste stafofficier van het Nederlandse leger werd. Op diezelfde dag kreeg hij tevens het commando over de genie te velde. Met het oog op de naderende veldtocht vonden er op 21 april massale generaalsbevorderingen plaats, waarbij Van der Wyck de rang van generaal-majoor ontving. Aangezien deze nieuwe functies niet waren te combineren met het adjudantschap van koning Willem I kwam hieraan op 23 mei 1815 een einde. 

Bij al deze benoemingen werd Van der Wyck steeds geprezen als ‘een man van talenten’ en ‘als de meest ervaren genieofficier’ in het Nederlandse leger (Wellington, Suppl. Desp. X, 15). Toen het midden juni 1815 tot de confrontatie met Napoleons troepen kwam, was Van der Wycks gedrag echter omstreden. Bij Quatre-Bras had hij zich, nadat zijn paard licht gewond was geraakt, te lang van het slagveld verwijderd om een nieuw rijdier te zoeken. Bij Waterloo was de Adjudant-Generaal in het geheel niet aanwezig. Door tegenstrijdige orders en gebrekkige communicatie, zo verweerde Van der Wyck zich later in een uitvoerige Memorie van defensie (1817), verbleef hij die dag noodgedwongen in Brussel, omdat de verkeerschaos op de steenweg naar het zuiden het hem onmogelijk zou hebben gemaakt het slagveld te bereiken. 

Het lijken de gezochte argumenten van een angstige bureauofficier, waarmee dan ook geen genoegen werd genomen. ‘De Armée ziet [hem] met minachting aan’, constateerde de Nederlandse opperbevelhebber, de Prins van Oranje, kort na de slag, en ‘niemand wil omgang met hem hebben’ (NA, 2.13.67; inv.nr. 4; Secr. Verb. nr. 43). Van der Wyck was dan ook de enige opperofficier die niet werd onderscheiden met de Militaire Willems Orde. Aanvankelijk leek men deze affaire te willen oplossen door hem – na zijn ontslag als Adjudant-Generaal en commandant van de genie te velde – als directeur der Derde of Zuidelijke Directie van Fortificatiën te Gent, weg te bergen in een militair-administratieve post in de provincie. 

Aangezien Van der Wyck zich zou hebben schuldig gemaakt aan ‘opzettelijk pligtverzuim’ en ‘betoonde lafhartigheid’ (Memorie van defensie, 43, 148) duldde de Inspecteur-Generaal der Genie Krayenhoff echter niet dat zijn ondergeschikte er zo gemakkelijk vanaf kwam. Naar verluidt handelend vanuit ‘eene geheime veete’ (Ibidem, 13) tussen beide generaals drong hij er sterk op aan dat Van der Wyck zich zou zuiveren van de ‘onuitwisbare blaam met welke [hij] zichzelf, zijne familie en het Corps Ingenieurs bedekt heeft’ (Ibidem, 159). In september 1816 wist Krayenhoff eindelijk zijn doel te bereiken en werd Van der Wyck voor het Hoog Militair Gerechtshof gedaagd. Hij werd schuldig bevonden en op 10 juli 1817 uit de legerdienst ontslagen (‘gecasseerd’). 

Van der Wyck verliet daarop met zijn vrouw, twee dochters en jongste zoon Nederland. Eerst woonde hij enige tijd in Kleef en daarna in Neuwied, beide gelegen in het Pruisische Rijnland. Uiteindelijk vestigde hij zich omstreeks 1821 met zijn gezin definitief in Mannheim in het groothertogdom Baden. In deze stad aan de samenvloeiing van Rijn en Neckar leidde Van der Wyck het leven van een Privatgelehrter. Hij behoorde hier spoedig tot de burgers van aanzien. Zo was hij was bestuurslid van de ‘Physikalisch-mineralogische Sektion’ van de plaatselijke ‘Vereins für Naturkunde’. In Mannheim maakte hij zich verdienstelijk bij de catalogisering van de mineralogische collectie in het ‘Großherzogliches Naturhistorisches Museum’, waaraan hij bovendien een aantal kostbare schenkingen deed. Intussen was hij nog altijd correspondent van de Vierde Klasse van het Koninklijk-Nederlandsche Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten in Amsterdam. 

Vanaf het begin van de jaren twintig tot aan het eind van de jaren dertig schreef Van der Wyck verscheidene studies over bodemkunde en waterstaat. Wat het laatstgenoemde vakgebied betreft toonde Van der Wyck zich onder meer een voorstander van stroomverbetering van de grote Nederlandse rivieren. In 1823 publiceerde hij bijvoorbeeld zijn kritische Aanmerkingen en bedenkingen op een twee jaar eerder door Krayenhoff gepubliceerde studie over ‘de sluiting van de rivier den Neder-Rhijn en Leck en het storten van derzelver water op den IJssel’; overigens zonder daarin zijn oude vijand ook maar eenmaal met naam te noemen. Krayenhoff reageerde hierop furieus, en in het woord vooraf bij een volgend waterstaatkundig geschrift van zijn hand (Proeve van een ontwerp tot scheiding der rivieren de Whaal en de Boven-Maas (1823) vi) betichtte hij ‘deze ex-Generaal’ ervan met zijn kritiek ‘geheel andere oogmerken, dan onderzoek van waarheid en bevordering van wetenschap’ te hebben, met een verwijzing naar diens tekortschieten bij Quatre-Bras en absentie bij Waterloo: ‘Hinc illae lacrymae!!’(Vandaar deze tranen!!). 

Naast deze wetenschappelijke activiteiten was Van der Wyck, al direct na aankomst in Duitsland, ook actief als landschapstekenaar. Tijdens lange wandelingen in het midden-Rijngebied, het Zevengebergte en de Eifel maakte hij schetsen om die later – soms pas na vele jaren – tot groot formaat aquarellen of penseeltekeningen in grisaillevorm uit te werken. Zijn vrouw en jongste zoon Herman begeleidden Van der Wyck geregeld op deze tochten. In zijn werk zijn zij vaak als kleine figuurtjes in het landschap weergegeven, en een enkele maal lijkt hij ook zichzelf, al tekenend, te hebben afgebeeld. Zijn dochter Carolina Cornelia volgde haar vader op dit artistieke pad: zij werd een getalenteerd lithografe. 

Van der Wycks tekeningen en aquarellen – waarvan er een kleine tweehonderd bewaard zijn gebleven – ogen enerzijds naïef, met een vaak onjuist perspectief en slecht geproportioneerde mensen en dieren. Anderzijds zijn zij ook uiterst nauwkeurig. Zijn landschappen zijn voor de Biedermeier tijd vrij uitzonderlijk, omdat zij niet een romantische ervaring weergeven, maar de nuchtere, onderzoekende blik van een geografisch ingenieur vastleggen: hij voorziet ze dan ook van een precieze aanduiding van plaats en datum. Van der Wycks werk is om deze reden wel omschreven als ‘een grensgeval tussen kunst en wetenschap’ (Van der Wyck, 153). 

Harmen Jan van der Wyck overleed na een kortstondig ziekbed begin 1847 op ruim 77-jarige leeftijd in Mannheim, waar ‘der General’ – zoals men hem daar placht te noemen – op het plaatselijke ‘Hauptfriedhof’ werd begraven. Van der Wyck was een man van grote en vele talenten: militair ingenieur en legeradministrateur, cartograaf en waterstaatkundige, tekenaar en aquarellist. Als officier beter op zijn plaats achter een bureau of tekentafel dan op het slagveld werd zijn omstreden optreden tijdens de Waterloo-veldtocht van 1815 hem fataal. Het maakte een abrupt einde aan zijn glanzende militaire carrière en wierp een smet op zijn naam, die alleen door het verloop van de tijd zou verbleken. 

Archivalia: 
• Dienststaten van H.J. van der Wyck in het Nationaal Archief in Den Haag (NA): Archief Chefs der Genie, 1813-1840 (2.13.69), inv.nr. 166: dienststaat 76 (opgemaakt in juni 1814). 
Archief Dienststaten officieren landmacht, 1814-1940 (2.13.04), inv.nr. 208: dienststaat 1082 (opgemaakt 10-11-1816). 
Archief Stamboeken officieren landmacht, 1795-1813 (2.01.15), inv.nr. 121, p. 194.
• Correspondentie betreffende H.J. van der Wycks optreden tijdens de veldtocht van 1815 in het Nationaal Archief in Den Haag (NA): 
Archief ministerie van Oorlog, Geheim verbaalarchief (2.13.67), inv.nr. 4, Secrete verbalen nrs. 42 en 43. 
• Autobiografische aantekeningen van H.J. van der Wyck (Mannheim 1840) [20 blz. tellend manuscript; in particulier bezit?]. 

Publicaties: 
Over de Nederlandsche rivieren en de middelen tot derzelver verbetering, geschreven na de lezing van het rapport aan Zijne Majesteit den Koning, uitgebragt door de commissie tot onderzoek der beste rivier-afleidingen, ingesteld bij ’s Konings Besluit van den 15 maart 1821, no. 105 (Deventer 1832). 

Prestaties: 
Tekeningen en aquarellen door H.J. van der Wyck zijn afgebeeld in o.a.: 
• Max Tauch, Rheinische Landschaften. Gemälde und Aquarelle aus dem 19. und 20. Jahrhundert (Neuss 1974) nrs. 12-13 en pp. 21 en 201. 
• Christian Rathke (ed.), Harmen Jan van der Wyck – Rheinische Landschaften, 1820-1831 [tentoonstellingscatalogus Ernst-Moritz-Arndt-Haus te Bonn] (Bonn 1978). 

 Literatuur: 
• A.L.F.T. van der Wyck, ‘Genealogie Van der Wyck’, Heraldieke Bibliotheek 1 (1872) i.h.b. 147-148 en 155. 
• F. de Bas, Prins Frederik der Nederlanden en zijn tijd III-2 (Schiedam 1904) 765, 1212, 1281 (‘Culm’ moet hoogstwaarschijnlijk ‘Katzbach’ zijn). 
• W. Moorrees, Het Münstersche geslacht Van der Wyck (’s-Gravenhage 1911). 
• Dietrich Schabow, ‘Hermann Johann von [sic] der Wijk’, Heimatjahrbuch Landkreis Neuwied (1975) 98-100. 
• Christian Rathke (ed.), Harmen Jan van der Wyck – Rheinische Landschaften, 1820-1831 [tentoonstellingscatalogus Ernst-Moritz-Arndt-Haus te Bonn] (Bonn 1978). 
• H. Ringoir, Afstammingen en voortzettingen der genie en trein (’s-Gravenhage 1980) 33. 
• F.W.J. Scholten, Militaire topografische kaarten en stadplattegronden van Nederland, 1579-1795 (Alphen aan den Rijn 1989). 
• J.A.M.M. Janssen, Op weg naar Breda. De opleiding van officieren voor het Nederlandse leger tot aan de oprichting van de Koninklijke Militaire Academie in 1828 (’s-Gravenhage 1989). 
• C.H. van Meijgaard, De genie in de Bataafs-Franse tijd. De geschiedenis van het Korps Ingenieurs, het Korps Pontonniers, het Korps Mineurs en Sappeurs (Wezep 1995) 49, 51-52, 107, 111, 134. 
• Henri van der Wyck, ‘Ein Holländer am Rhein. Harmen Jan van der Wycks Rheinische Landschaften’‚ in: Leopold Decloedt en Peter Delvaux (eds.), Wessen Strom? Ansichten vom Rhein (Amsterdam [etc.] 2001) 150-164. 
Nederland’s Adelsboek 98 (2013/14) 179, 187-188. 

Portret: 
Herman Jan van der Wyck in burger na 1817; kunstenaar en verblijfplaats onbekend. (afgebeeld in: Leopold Decloedt en Peter Delvaux (eds.), Wessen Strom? Ansichten vom Rhein (Amsterdam [etc.] 2001) 150). 

A.J.C.M. Gabriëls

laatst gewijzigd: 04/04/2016