Asbeck, Frederik Mari baron van (1889-1968)

 
English | Nederlands

ASBECK, Frederik Mari baron van (1889-1968)

Asbeck, Frederik Mari baron van, rechtsgeleerde (Den Helder 27-2-1889 - Leiden 9-2-1968). Zoon van Willem Dirk Henrik baron Van Asbeck, schout-bij-nacht tit., gouverneur van Suriname, buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister, en Anne Marie Jeane Henriette Kluit. Gehuwd op 8-5-1917 met Elisabeth Diderica Walradina Jonckheer. Uit dit huwelijk werden 3 dochters en 1 zoon geboren. afbeelding van Asbeck, Frederik Mari baron van

Van Asbeck studeert na gymnasium te 's-Gravenhage rechten en politieke wetenschappen in Lausanne en Leiden. Na op 29-4-1912 in laatstgenoemde plaats het doctoraal examen te hebben afgelegd, promoveert hij daar op 7 juli 1916 tot doctor in de staatswetenschap. Tot zijn leermeesters behoorden o.a. Cornelis van Vollenhoven en zijn oudere neef jhr. W.J.M. van Eysinga, die in 1912 in Leiden tot hoogleraar in het volkenrecht was benoemd. Aan hen beiden dankt hij de liefde voor het volkenrecht; aan Van Vollenhoven de belangstelling voor het koloniale recht en de eerbied voor de eigen aard en waarde van de inheemse maatschappij. Geïnspireerd door hun beider visie op de diepere eenheid van nationaal en internationaal publiekrecht legt Van Asbeck in een 'architectonisch' proefschrift Onderzoek naar den juridischen wereldbouw (1916) de grondslag voor zijn later wetenschappelijk werk.

Na tijdens de mobilisatiejaren als reserveofficier werkzaam te zijn geweest op het ministerie van Oorlog, vertrekt hij in 1919 naar Nederlands-Indië om in Buitenzorg een functie op de Algemene Secretarie te aanvaarden. Hij eindigt zijn ambtelijke loopbaan daar in 1933 als Secretaris internationale zaken. Inmiddels was hij in 1924 benoemd tot buitengewoon hoogleraar in het internationaal publiek en vergelijkend koloniaal recht aan de zojuist opgerichte Rechtshogeschool te Batavia. Tijdens zijn verblijf in Nederlands-Indië toont hij zich een warm voorstander van Van Vollenhovens 'ontvoogdingsstaatkunde' en is hij actief in de kring rond De Stuw, aan welk blad (1930-1933) hij vele bijdragen, met name op internationaal gebied, levert. Hij beijvert zich in woord en geschrift de zelfgenoegzaamheid en het isolement van het Indische staatkundige denken te doorbreken door inzicht te verschaffen in de ontwikkeling van het koloniale bewind elders in de wereld en van de internationale samenwerking in koloniale kwesties. Zijn historisch inzicht doet hem de lijn dezer ontwikkeling onderkennen naar opheffing van het koloniale stelsel (vgl. o.a. Samenhang van internationaal en koloniaal recht. Diësrede 1931).

In 1934 keert hij terug naar Nederland, waar hij een jaar later in Leiden wordt toegelaten tot het houden van voorlezingen in het vergelijkend koloniaal staatsrecht, in 1938 bijzonder hoogleraar in het Vergelijkend Koloniaal Staatsrecht wordt en in 1939 zijn intrede doet als gewoon hoogleraar in dit vak met een rede over Internationale invloed in koloniaal bewind. In 1935 had inmiddels zijn grote deskundigheid op dit terrein erkenning gevonden in een benoeming tot lid van de Permanente Mandatencommissie van de Volkenbond, welke functie hij tot de oorlogsjaren zou bekleden.

Direct na de Tweede Wereldoorlog wordt Van Asbeck gewoon hoogleraar in het staats- en administratief recht van Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao. Hem wordt tevens een tijdelijke leeropdracht verleend in het volkenrecht en de internationale politieke geschiedenis. Van 1947 tot aan zijn emeritaat in 1959 is hij hoogleraar in laatstgenoemde vakken, alsmede in het vergelijkend staatsrecht en de staatkunde der niet-zelf regerende landen overzee, zoals dit deel van zijn opdracht ten slotte zal komen te luiden. Internationalist in hart en nieren, behoort hij tot de groep Nederlanders die na 1945 initiatieven nemen om de door vele jaren onzijdigheid wat onwennige publieke opinie belangstellend en wegwijs te maken in de internationale staatkunde. Zo is hij in 1945 de eerste voorzitter van het Nederlands Genootschap van Internationale Zaken en in 1947 van het Afrika-Studiecentrum in Leiden. In de Indonesische kwestie schaart Van Asbeck die politiek op de PvdA georiënteerd was zich aan de zijde van hen die in beginsel positief stonden tegenover het onafhankelijkheidsstreven, ofschoon in de praktijk Van Asbeck toch een verpersoonlijking vormde van die juridisch denkende geest der Nederlanden, die naar Indonesisch gevoel, een akkoord in de weg stond. Verscheidene malen maakt de regering van zijn diensten gebruik. Zo wordt hij in de jaren 1945 en 1946 twee keer met een missie naar Batavia gezonden en neemt hij als lid van de juristencommissie deel aan de Ronde Tafelconferentie in 1949.

Verschillende internationale functies vallen hem ten deel. Van 1947 tot 1964 is hij lid van de Commissie van Experts van de Internationale Arbeidsorganisatie. Als lid van de Frans-Zwitserse Permanente Conciliatiecommissie helpt hij het bij haar door Zwitserland aanhangig gemaakte geschil beslechten. Van 1948 tot 1954 treedt hij op als voorzitter van de Commissie van de Kerken voor Internationale Zaken van de Wereldraad van Kerken. Van 1959 tot 1964 is hij rechter in het Europese Hof van de Rechten van de Mens. Een diepgewortelde protestant-christelijke levensovertuiging heeft aan Van Asbecks leven en werk inhoud en richting gegeven en zijn visie op de plaats van mens en staat in recht en samenleving bepaald. Onafhankelijkheid van geest paarde zich met een sterk ontwikkeld verantwoordelijkheidsbesef. Daarvan getuigen vele van zijn geschriften, waaronder het fraaie opstel over 'Onvrijheid en luister in de ambtelijke dienst' (Indonesië 3 (1949-1950) 76-88), geïnspireerd door zijn ervaringen als Indisch ambtenaar.

Aan de universiteit vooral voelde hij zich thuis. Haar zag hij als een der vier soevereine krachten, naast kerk, kunst en rechtsvorming, 'waar waarheid en gerechtigheid gezocht en gediend moeten worden in ootmoed en gehoorzaamheid' ('Volkenrecht in beweging', afscheidscollege, in Internationale Spectator 13 (1959) 411, zie ook zijn beschouwingen over 'Universiteit en Samenleving' in Restauratie of Reconstructie (Leiden, 1945). In het professoraat kon hij zijn gaven van hoofd en hart ten volle ontplooien. Als weinigen bezat hij het vermogen zijn studenten op te wekken tot het idealisme dat hemzelf bewoog, doch dat steeds ferm geënt bleef op de realiteit die hij in zijn rijke ervaring had leren kennen.

Als rechtsgeleerde onderscheidt hij zich vooral door zijn diepgaande kennis van de juridische vormen waarin zich het staatkundig emancipatieproces van de koloniale volkeren voltrok en door het heldere licht dat hij wierp op internationale rechtsfiguren en -instituten waarvan de verdere vergroting kan bijdragen aan de geleidelijke totstandkoming van 'een transnationale rechts orde voor de mensen met behulp der staten, geordend door staten', 'een rechtsorde die het geweld aan zich onderwerpt en de onbaatzuchtigheid dient'. ('Volkenrecht in beweging', in Internationale Spectator 13 (1959) 410-411.)

A: Collectie-van Van Asbeck in ARA 's-Gravenhage. Alsmede brieven etc. onder beheer van de erven van Van Asbeck.

P: International society in search of a transnational legal order. Selected writings and bibliography. Ed. by H.F. van Panhuys en M. van Leeuwen Boomkamp (Leiden, 1976).

L: P.A. Emanuel, in Kroniek van Afrika 8 (1968) 2-9; H.F. van Panhuys in bovengenoemde Selected Writings XV-XXVI; E. van Raalte, in Nieuw Israëlisch Weekblad, 23 februari 1968; A.J.P. Tammes, in Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1968-1969, 243-247.

I: Jaarboek der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen 1968-1969, afbeelding tegenover pagina 243.

P.J.G. Kapteyn.


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013