Bakhuys Roozeboom, Hendrik Willem (1854-1907)

 
English | Nederlands

BAKHUYS ROOZEBOOM, Hendrik Willem (1854-1907)

Bakhuys Roozeboom, Hendrik Willem (bekend onder de naam Bakhuis Roozeboom) chemicus (Alkmaar 24-10-1854 - Amsterdam 8-2-1907). Zoon van Jan Hendrik Bakhuijs Rooseboom (zich noemende Bakhuis Roozeboom) boekhouder, en Maria Rensen. Gehuwd sinds 23-4-1879 met Catharina Elisabeth Wins. Uit dit huwelijk werden 4 zoons en 2 dochters geboren. afbeelding van Bakhuys Roozeboom, Hendrik Willem

Bakhuis Roozeboom bezocht van 1868 tot 1872 de HBS in Alkmaar en studeerde vervolgens tot 1874 Latijn en Grieks. Onder leiding van de directeur van zijn HBS, de scheikundige D.J. Boeke, bekwaamde hij zich in deze jaren verder in de praktische en theoretische scheikunde. In 1873 verrichtte hij bij J.M. van Bemmelen, zwager van Boeke en later hoogleraar te Leiden, in Arnhem grondanalyses van de IJpolder. Nadat hij het admissie-examen voor de universitaire studie had afgelegd, liet hij zich 9 oktober 1874 inschrijven te Leiden. Daar hem de middelen ontbraken om te gaan studeren, trad hij in dienst van het onderzoekingsbureau voor levensmiddelen van J.Th. Mouton in Den Haag en was later werkzaam in diens chemische fabriek van Mouton, tot deze in 1878 als gevolg van brand werd opgeheven. Hij werd toen college-assistent bij Van Bemmelen en kon nu pas goed zijn chemische studie aanvangen. Op 4 februari 1881 deed hij zijn kandidaats. Naast zijn assistentschap (tot 1889) was hij van 1881 tot 1896 leraar aan de gemeentelijke HBS voor meisjes te Leiden. Op 1 mei 1882 legde hij het doctoraal examen af en promoveerde op 7 juni 1884 bij Van Bemmelen.

Roozebooms dissertatie Over de hydraten van zwaveligzuur, chloor, broom en chloorwaterstof ging over een onderzoek naar de dissociatieverschijnselen van deze gashydraten (vaste stoffen die zich bij verhitting splitsen in een vloeistof en een gas). Hij bestudeerde dit onderwerp verder en werd door J.D. van der Waals in 1886 gewezen op de fasenregel van de Amerikaanse fysicus J. Willard Gibbs, die in 1876 in een weinig bekend tijdschrift was verschenen. Dit gaf Roozebooms onderzoekingen een theoretische basis. Systematisch bestudeerde hij - tijdens zijn privaatdocentschap van 1889 tot 1893 en lectoraat in de fysische chemie tot 1896 - met zijn leerlingen de verschillende vormen van het heterogene evenwicht, theoretisch toegelicht en experimenteel onderzocht bij een aantal verschillende stelsels. De veranderingen in de samenstelling van de bijeengevoegde stoffen werden door tekeningen en modellen voorgesteld. Ondertussen volgde hij in 1896 J.H. van 't Hoff op als hoogleraar te Amsterdam. Zijn inaugurele rede was getiteld De wetenschappelijke beoefening der chemie en hare uitkomsten. Vanaf die tijd paste hij zijn theorie op tal van onderwerpen toe, waaronder mengkristallen, vloeibare kristallen, samenstelling van staal enz. Dit levenswerk was niet alleen van groot belang voor de zuivere wetenschap, maar ook voor de metaalkunde en de geologie. De resultaten van zijn werk legde hij systematisch vast in Die heterogenen Gleichgewichte vom Standpunkte der Phasenlehre, waarvan hij alleen de eerste twee delen kon verzorgen (1901, 1904). Na zijn dood in 1907 werd het werk voortgezet door zijn leerlingen E.H. Büchner, A.H.W. Aten, en F.A.H. Schreinemakers. Behalve zijn wetenschappelijk werk op het gebied van de fasenleer, verrichtte Roozeboom tal van praktische onderzoekingen: chemische onderzoekingen van drinkwater, van het zeewater bij Scheveningen, middelen om schilderijen in het Rijksmuseum die door zwavelwaterstofgas uit de Amsterdamse grachten waren aangetast te herstellen enz. Van zijn colleges is bekend dat ze uitmuntten door helderheid. Inmiddels hadden zijn wetenschappelijke kwaliteiten erkenning gevonden. Hij werd in 1890 benoemd tot lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen.

Roozeboom legde zijn gehele leven vrijmoedig getuigenis af van zijn geloof en dat in een tijd dat natuurwetenschap en christelijk geloof in onverzoenlijke tegenstelling leken te staan. Zo richtte hij in 1895 met de artsen S.R. Hermanides, Th.G. den Houten en E.A. Keuchenius de Christelijke Vereeniging van Natuur- en Geneeskundigen in Nederland op. Zijn overtuiging komt verder goed uit in zijn al eerder genoemde inaugurele oratie en de rede De tegenwoordige stand van de problemen der chemie (1904).

P: Volledige bibliografie in Berichte der Deutschen Chemischen Gesellschaft 40 (1907) 5170-5174. Zijn fasentheoretische onderzoekingen zijn samengevat en voortgezet in Die heterogenen Gleichgewichte vom Standpunkte der Phasenlehre (Braunschweig, 1901-1918. 3 dln.).

L: J.M. van Bemmelen, W.P. Jorissen en W.E. Ringer, in Berichte der Deutschen Chemischen Gesellschaft 40 (1907) 5141-5170; A.F. Holleman, in Chemisch Weekblad 4 (1907) 119-132; J.M. van Bemmelen, ibidem, 249-285; W.P. Jorissen en W.E. Ringer, 'H.W. Bakhuis Roozeboom', in Mannen en vrouwen van beteekenis in onze dagen 37 (1907) 155-218; M.W. Stortenbeker, in Recueil Travaux Chimiques des Pays-Bas et de la Belgique 27 (1908) 360-402; artikelen van H.R. Kruyt, J.L. Meyering, D.J. Hissink en J. Olie jr., in Chemische Weekblad 50 (1974) 749-761; R. Hooykaas, in Geloof en Wetenschap ... 53 (1955) 68-77.

I: Geloof en Wetenschap 53 (1955) afbeelding tegenover pagina 68.

H.A.M. Snelders


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013