Beel, Louis Joseph Maria (1902-1977)

 
English | Nederlands

BEEL, Louis Joseph Maria (1902-1977)

Beel, Louis Joseph Maria, katholiek staatsman (Roermond 12-4-1902 - Utrecht 11-2-1977). Zoon van Theodor Antoon Louis Beel, veearts, en Anna Maria Allegonda Rutten. Sedert 21-9-1926 gehuwd met Henrica Gerardina Maria Josepha van der Meulen. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 3 dochters geboren. afbeelding van Beel, Louis Joseph Maria

Beel werd na voltooiing van het gymnasium-B aan het Bisschoppelijk College te Roermond werk- en spoorstudent. Van 1920-1924 was hij in zijn geboorteplaats werkzaam op de gemeentesecretarie en als secretaris bij de bisschoppelijke inspectie van het lager onderwijs. Ondertussen had Beel in 1923 het diploma gemeenteadministratie-A behaald en zich vervolgens - daartoe in staat gesteld door mgr. P.J.M. van Gils, bisschop[pelijk inspecteur van het lager onderwijs in het bisdom] Roermond - ingeschreven aan de pas geopende rk Universiteit te Nijmegen voor de studie inde rechten; in 1928 volgde zijn doctoraal examen. Inmiddels werkte hij sedert 1925 op de provinciale griffie van Overijssel. In 1929 kwam hij in dienst van de gemeente Eindhoven, spoedig als chef van de afdeling Sociale en Personeelszaken, en vanaf 1934 tevens als plaatsvervangend gemeentesecretaris. In 1935 promoveerde Beel te Nijmegen op Zelfbestuur of afhankelijke decentralisatie? (Amsterdam, 1935). Naast studie en ambtelijk werk was hij bovendien tussen 1927 en 1945 buitengewoon docent staatsinrichting aan de RK Leergangen te Tilburg en docent recht aan de RK Scholen voor Gezinsverzorging te Breda en Eindhoven, tussen 1940 en 1944 ook bij het Nederlands Instituut voor Accountants (NIVA).

In 1942 verliet Beel zonder enige aarzeling de gemeentelijke dienst uit protest tegen de benoeming van een NSB'er tot burgemeester van Eindhoven; deze onverschrokken daad was een opmerkelijke, want onder overheidspersoneel niet veel voorkomende uiting van verzet. Beel bleef in Eindhoven wonen, waar hij buiten de periodes, gedurende welke hij ondergedoken was, de advocatuur uitoefende en een adviesbureau voor bestuursrechtelijke zaken leidde.

Beel had gehoopt na de bevrijding, die voor hem in september 1944 kwam, op een wetenschappelijke carrière; zijn ambities gingen althans deze richting uit. Maar het toeval zou hem in de politiek brengen op een leeftijd dat hij niet meer tot de jongsten behoorde - in 1944 was hij reeds 42 jaar - en politiek nog steeds een onbeschreven blad was. Direct na de bevrijding van het Zuiden zocht het Militaire Gezag in Noord-Brabant hem aan als adviseur Sociale Zaken en Voorlichting. Dit adviseurschap bracht hem naar Londen, waar hij de regering moest adviseren over de verzorging van oorlogsslachtoffers. Ook maakte Beel deel uit van de zg. Heren XVII, een gezelschap van zeventien personen onder wie mr. E. Sassen en ir. F. Philips uit het bevrijde Limburg, Brabant en Zeeland dat te Londen de Koningin in februari 1945 na het uitbreken van de regeringscrisis als gevolg van het uittreden van de socialistische bewindslieden uit het kabinet-Gerbrandy kwam adviseren omtrent hetgeen in het Zuiden leefde. Bij deze gelegenheid wist Beel het vertrouwen van de Koningin te winnen. Toen dan ook tijdens de reconstructie van het kabinet gesproken werd over opneming van vooraanstaande personen uit het reeds bevrijde gebied, lag het voor de hand dat Beel met zijn rijke ambtelijke ervaring en met zijn onberispelijk gedrag tijdens de bezettingsjaren ondanks zijn politieke onbekendheid tot het kabinet zou toetreden. Op 23 februari 1945 werd hij benoemd tot minister van Binnenlandse Zaken.

Beel had zich voorgenomen om na de volledige bevrijding, wanneer het kabinet-Gerbrandy plaats zou maken voor een voor het gehele land representatieve regering, de politiek te verlaten en zich dan aan de wetenschap te gaan wijden. Maar opnieuw doorkruiste het toeval zijn plannen; Beel zou in het eerste naoorlogse kabinet (24-6-1945 - 3-7-1946) door Schermerhorn en Drees geformeerd, de portefeuille van Binnenlandse Zaken blijven beheren. Kort voor deze formatie zou worden afgesloten, rezen er problemen rond de bemanning van Binnenlandse Zaken; de hiervoor aangezochte persoon moest zich onder druk van beschuldigingen uit ex-illegale kring terugtrekken. De formateurs werden met deze problemen pas geconfronteerd, toen zij op het punt stonden de Koningin het welslagen van de formatie te melden. Op weg naar haar troffen zij in Apeldoorn, waar de Koningin haar intrek had genomen in een villa, Beel aan, die zich toevallig ook naar de Koningin begaf, o.a. om van haar afscheid te nemen; hem was een hoogleraarschap te Nijmegen in het vooruitzicht gesteld. De formateurs hadden goede berichten ontvangen over de wijze waarop Beel zijn departement beheerde en daarom verzochten zij hem, toen zij in tijdnood waren gekomen, op Binnenlandse Zaken te blijven. Het hernieuwde ministerschap zou evenwel slechts van korte duur behoeven te zijn, omdat het kabinet-Schermerhorn-Drees na de eerste naoorlogse verkiezingen zou verdwijnen. Die verkiezingen vonden plaats op 17 mei 1946 en designeerden een katholiek tot premier. De katholieke politieke leider van dat moment, prof. mr. C.P.M. Romme, bleek echter voor de PVDA, met wie een coalitie zou worden aangegaan, om verscheidene redenen volstrekt onaanvaardbaar. Daarop viel de kvp terug op Beel. Tot 15 september 1947 combineerde Beel het premierschap met het ministerschap van Binnenlandse Zaken.

Beel werd een het liefst alle publiciteit mijdende, zwijgzame, maar doortastende bestuurder en allesbehalve een partijman. Hoewel lid van de RKSP en na de bevrijding van de KVP, heeft hij zich nooit met partijpolitiek ingelaten. Partijpolitiek die hem met zijn nuchtere, zakelijke en staatsrechtelijke instelling in geen enkel opzicht lag liet hij liever aan zijn politieke vrienden als Romme over; hij miste daarvoor trouwens vrijwel alle elementaire kwaliteiten zoals flair en charismatische uitstraling. Slagvaardigheid van bestuur gold bij hem, boven alles, zonder overigens de democratie aan banden te willen leggen. Van deze opvatting getuigde de gemeenteradenregeling, die Beel als minister van Binnenlandse Zaken in april 1945 ontwierp, waarbij een belangrijk deel van de taak van de gemeenteraad overging op het college van B. en W. De gang van zaken in de gemeenteraad van Eindhoven had hem tot het inzicht gebracht dat de controle op het bestuur door de vertegenwoordigende instanties beperkt moest blijven tot de grote lijnen en zich niet moest uitstrekken tot de kleinste details, zoals in de praktijk gebeurde. In al zijn zakelijkheid liet Beel zich als overtuigd katholiek wel leiden door de christelijke beginselen. Aan het begin van zijn politieke carrière dacht hij nog dat de christelijke maatschappij op betrekkelijk eenvoudige manier gevestigd kon worden door tot de vertegenwoordigende instanties alleen die personen toegang te geven, 'die de mogelijkheid en noodzakelijkheid eener sterkere nationale binding op christelijke grondslag erkennen'. Deze aanbeveling was neergelegd in het zg. Eindhovens Adres van 2 november 1944, waarmee een groep vooraanstaande Eindhovenaren, onder wie o.a. Th.Ph. Tromp, G.W.M. Huysmans en mevr. H. Verwey-Jonker zich tot de Koningin wendden inzake de bestuursinrichting van het land na de oorlog en waarvan Beel een van de belangrijkste opstellers was. Maar in de praktijk bleek Beel toch teveel een realist, die voor zichzelf in de bescherming van het historisch gegroeide staatsrecht een voorname taak zag weggelegd. Vanuit zijn praktische instelling kwam Beel er ook toe om de samenwerking tussen katholieken en socialisten als een zegen voor het land te beschouwen; samenwerking tussen de grootste partijen leek hem de beste garantie voor een optimale regeerbaarheid van het land. Met het 'nieuwe bestand', zoals hij graag zijn eerste kabinet afficheerde, legde hij de basis voor de rooms-rode coalitie, die tot eind 1958, dus ruim 12 jaar, stand zou houden.

Als premier kreeg Beel ook te maken met de Indonesische kwestie. Hij was een verklaard voorstander van de federale politiek, die van Indië een federatie van deelstaten wilde maken, in een Unie met Nederland verbonden. Met militaire acties tegen de Republikeinen, die een dergelijke politiek in de weg stonden, had hij dan ook weinig moeite. Onder zijn bewind vond de zg. eerste politiële actie plaats (20-7-1947 - 4/5-8-1947), die op Java en Sumatra de orde en veiligheid moest herstellen, maar onder internationale druk niet geheel kon worden uitgevoerd. Na de verkiezingen in 1948, noodzakelijk in verband met de grondwetswijziging inzake de nieuwe staatsrechtelijke verhoudingen tussen moederland en Indië, kreeg de pvda het premierschap en brak het tijdperk-Drees aan. In ruil voor het premierschap moest de pvda niet alleen toestemmen in de door de KVP gewenste verbreding van de kabinetsbasis met CHU en VVD, maar moest zij ook bewilligen dat Beel, nu hij het veld moest ruimen, in Indië de hoogste bestuursfunctie zou overnemen van luitenant-gouvemeur-generaal Van Mook. De KVP wilde Van Mook kwijt, daar deze weinig zag in een door haar nagestreefde zware Unie. Het typeert Beel dat hij zich schikte naar hetgeen naar zijn mening in het landsbelang diende te gebeuren, hoewel hij dichter bij de ideeën van Van Mook stond dan bij die van zijn eigen partij. De aflossing van de wacht geschiedde op 29 oktober 1948. Als Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon -de nieuwe benaming van de landvoogd na de grondwetswijziging - adviseerde Beel in december 1948 dringend tot een tweede politiële actie (10 december 1948 - 5 januari 1949), omdat hij de toestand op Java als gevolg van het optreden van de Republikeinen onhoudbaar achtte. Deze actie, met de grootst mogelijke tegenzin door de PVDA getolereerd, was militair een succes, maar bracht een politieke oplossing niet naderbij. Onder internationale druk kwam in mei 1949 de Van Roijen-Roem-overeenkomst tot stand, waarbij de federale politiek gedeeltelijk werd prijsgegeven; in feite werden Java en Sumatra aan de Republiek overgelaten, zodat daar geen nieuwe deelstaten op grond van het zelfbeschikkingsrecht zouden kunnen ontstaan. In deze concessie aan de Republiek zag Beel aanleiding zijn functie neer te leggen.

De zo begeerde wetenschappelijke carrière kwam hierna eindelijk in het verschiet. In oktober 1949 werd Beel hoogleraar bestuursrecht en bestuurskunde te Nijmegen, het jaar daarop tevens te Tilburg. Maar najaar 1951 was hij alweer terug in de politiek; hij gaf gehoor aan een dringend beroep om Binnenlandse Zaken weer op zich te nemen na het plotselinge overlijden op 18 november van minister J.H. van Maarseveen. Beel bleef op dit departement, tot hij in 1956 ontslag nam in verband met zijn benoeming in de commissie van drie, die oplossingen moest aandragen voor de zg. Greet Hofman-affaire gerezen problemen rond het Koninklijk Huis. Opnieuw leek zijn politieke rol ten einde, want hij liet zich hierna benoemen tot regeringscommissaris voor radio en televisie en tot lid van de controleraad van Nozema, welke functies hij uitoefende tot april 1958, toen hij lid werd van de Raad van State. Dit lidmaatschap was evenwel van korte duur, want na het uiteenvallen van de rooms-rode samenwerking in december 1958 werd hij premier van een overgangskabinet dat tot taak had vervroegde verkiezingen uit te schrijven. Na deze verkiezingen hielp Beel als informateur op beslissende wijze mee aan het tot stand komen van het liberaal-confessionele kabinet-De Quay (1959-1963). In augustus 1959 keerde Beel terug naar de Raad van State, maar nu in de hoogste functie, in die van vice-president. In deze hoedanigheid en als Minister van Staat, waartoe hij al in oktober 1956 benoemd was, werd hij een belangrijk adviseur van de Koningin in staatszaken en privé-aangelegenheden en verwierf hij de bijnaam onderkoning, vooral op grond van zijn niet uitsluitend adviserende, maar ook actieve rol bij diverse kabinetsformaties; op de moeilijkste momenten loste hij als informateur vaak in korte tijd de hangende problemen op (1963 kabinet-Marijnen, 1966 kabinet-Zijlstra, 1967 kabinet-De Jong).

Op l juli 1972 legde Beel de functie van vice-president van de Raad van State neer en begon hij aan een teruggetrokken ambteloos leven. Van 1956-1965 was hij nog curator van de Katholieke Universiteit van Nijmegen en van december 1957-1 september 1958 ook van de Universiteit van Amsterdam. Verder bekleedde hij tal van bestuursfuncties in sociaal-charitatieve organisaties en verenigingen.

A: Collectie-Beel in Algemeen Rijksarchief.

P: Behalve zijn reeds genoemde dissertatie: Publiekrechtelijke overeenkomsten. Prae-adviezen uitgebracht voor de algemeene vergadering op 25 September 1943 [van de Vereeniging van administratief recht] (Haarlem, 1943). Samen met mr. G.J. Wiarda; Praeadviezen over de onderscheiding tusschenpubliek- en privaatrecht ('s-Gravenhage, 1944). Samen met mr. J.J.M. van der Ven Het gemeente-personeelen zijn status ('s-Gravenhage, 1951). Overdruk uit Gedenkboek ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de Gemeentewet ('s-Gravenhage, 1951).

L: Van de necrologieën zij hier vermeld J. Rogier, 'Beel. Bij de dood van een Hoge Vertegenwoordiger', in Vrij Nederland van 5 maart 1977. Verder C. Smit, De liquidatie van een imperium. Nederland en Indonesië 1945-1962 (Amsterdam, 1962); F.J.F.M. Duynstee, De kabinetsformaties 1946-1965 (Deventer, 1966); C. Smit, De dekolonisatie van Indonesië. Feiten en beschouwingen (Groningen, 1976); F.J.F. M. Duynstee en J. Bosmans, Het kabinet Schermerhorn-Drees 24 juni - 3 juli 1946 (Assen [enz,], 1977); J.L.G. van Oudheusden en J.A.M. Verboom, Herstel en vernieuwingsbeweging in het bevrijde Zuiden. Eindhoven, 's-Hertogenbosch en Waalwijk 1944-1945 (Tilburg, 1977). [= Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland dl. 38.]

I: Katholiek Documentatie Centrum te Nijmegen, Collectie personen: afb. 3A696.

J. Bosmans


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013