Adriani, Pieter Jakob Albert (1879-1974)

 
English | Nederlands

ADRIANI, Pieter Jakob Albert (1879-1974)

Adriani, Pieter Jakob Albert, belastingrechtdeskundige (Warmenhuizen 3-6-1879 -Haarlem 14-9-1974). Zoon van Marcus Jan (van der Tuuk) Adriani, Ned. Herv. predikant, en Elizabeth Constantia Costerus. Gehuwd op 15-8-1906 met Jeannette Christina Bekaar. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Adriani, Pieter Jakob Albert

Adriani doorliep de HBS te Almelo; daarna deed hij het notariële staatsexamen (1902) en het zware, vergelijkende examen voor surnumerair der registratie en domeinen (1903). Aldus met een degelijke kennis van het privaatrecht en de belastingwetgeving toegerust, begon hij zijn ambtelijke loopbaan bij het Dienstvak der Registratie en Domeinen, een loopbaan die hem als commies en ontvanger eerst, als inspecteur en hoofdinspecteur later, naar vele standplaatsen bracht met Maastricht (1915-1922) en Amsterdam (1922-1938) als eindpunten. Reeds vroeg gaat Adriani publiceren in het Weekblad voor Privaatrecht, Notaris-ambt en Registratie (WPNR): vanaf 1905 vindt een stroom van bijdragen zijn weg naar dit blad. Daarnaast verschijnt in 1921 de eerste druk van zijn De wetten op de vermogensbelasting en verdedigingsbelasting I, een boek dat opviel door de oorspronkelijke wijze waarop de materie van beide wetten behandeld en ingedeeld werd. Het was dan ook niet verwonderlijk dat hij in 1922 N.C.M.A. van den Dries opvolgde als redacteur van het WPNR, hoewel de immer zeer bescheiden Adriani er nooit op gerekend had als niet-academisch gevormd fiscalist lid te worden van een redactie waarin de door hem bewonderde en vereerde hoogleraren Paul Schölten en E.M. Meijers zetelden. In zijn ogen begon tóen, in 1922, zijn eigenlijke wetenschappelijk werk. Tot 1950 zal hij als redacteur de kolommen van het WPNR verrijken met ontelbare artikelen, recensies, rechtspraakoverzichten en antwoorden op ingezonden rechtsvragen.

Naast ambtenaar en schrijver was Adriani van meet af aan een begenadigd docent. Van 1907 tot 1922 (de verhuizing naar Amsterdam) leidde hij op voor het notarieel examen, in 1928 werd hij aan de Universiteit van Amsterdam toegelaten als privaat-docent voor het fiscaal recht. Wederom: het was niet verwonderlijk dat de keus op Adriani viel, toen aan de Universiteit van Amsterdam werd besloten een leerstoel in te stellen voor het belastingrecht, de eerste binnen een Nederlandse openbare instelling van wetenschappelijk onderwijs (zijn oratie op 10 oktober 1938 had de typerende titel De sociale beteekenis van het belastingrecht). Het afscheid van de dienst der Registratie en Domeinen viel de nieuw benoemde hoogleraar niet zwaar: zijn taak daar beschouwde hij als volbracht. Aan bijzondere opdrachten had het hem niet ontbroken (lid van de Reorganisatiecommissie voor den dienst der belastingen en enige andere commissies), doch voor zijn wetenschappelijk werk vond hij niet altijd begrip. Omdat men ten departemente van Financiën gebelgd was op Adriani wegens zijn kritiek op gevoerd beleid, geuit in menig WPNR-artikel, passeerde men hem (1932) voor het (hem krachtens het bestendige benoemingsbeleid toekomende) ambt van directeur van 's Rijks Belastingen te Amsterdam door middel van het aanbieden van deze plaats te Middelburg. Dit aanbod werd door Adriani geweigerd, waardoor een directeurschap definitief uit het zicht verdween. In deze moeilijke periode gaf het hem (1932) door de Universiteit van Amsterdam verleende eredoctoraat in de rechtsgeleerdheid de moed om 'als ambtenaar' met de wetenschappelijke arbeid door te gaan. In de oorlogsjaren bleef Adriani als hoogleraar op zijn post, ook nadat hij wegens gebrek aan belangstelling de colleges moest staken (collegejaar 1943/1944). Regelmatig werden, in vele gevallen clandestien, tentamina afgenomen en studenten in hun studie begeleid. Na de sluiting van de Leidse Universiteit (27 november 1940) namen ook vele Leidse studenten tot hem hun toevlucht. Daarnaast was Adriani actief bij het helpen van joodse landgenoten, en de verspreiding van illegale literatuur.

De pensionering in 1949 als hoogleraar betekende niet het einde van Adriani's activiteiten. In 1950 verscheen het derde deel van het magistrale en monumentale Het belastingrecht. Zijn grondslagen en ontwikkeling (1948-1950), in 1952 een preadvies voor de Vereniging voor Belastingwetenschap (waarvan Adriani in 1924 een der oprichters geweest was); in 1953 preadviseerde hij met zijn oude vriend en mederedacteur van het WPNR, J.C. van Oven, voor de Broederschap der Candidaat-Notarissen (wier erelid hij was) en van 1954 tot 1955 verzorgde hij met J. van Hoorn jr. een 2e herz. dr. van Het belastingrecht (3 dl., dl. 4 nooit verschenen). Tot 1954 was hij de (eerste) directeur van het Internationaal Belasting Documentatie Bureau te Amsterdam, een in de wereld unieke instelling, tot welker oprichting hij in 1938 de eerste stoot had gegeven.

'Adriani is een self-made man, die gegroeid is tot de grootmeester van een self-made wetenschap' (E.M. Meijers). Hij verhief de bestudering van de belastingwetgeving, op vakkennis gericht, tot het niveau van wetenschapsbeoefening. Daartoe was hij in staat, omdat hij niet alleen het gehele terrein van het Nederlandse belastingrecht overzag, doch zich ook breed en in persoonlijke contacten oriënteerde in wat buitenlandse rechtsleer en wetgeving te zien gaf. Mede daarom verleende de Gentse Universiteit hem in 1950 een eredoctoraat in de rechtsgeleerdheid. Daarenboven plaatste hij het belastingrecht tegen de achtergrond van het maatschappelijk leven, en bracht hij het in relatie tot het privaatrecht en de economische wetenschap (in welke laatste Th. Limpergjr. hem inwijdde). Zo werd hij de man van de synthese, die schijnbaar los van elkaar staande feiten en gegevens met elkaar in verband kon brengen, en wel op een verrassend simpele en heldere wijze, wars van dogmatiek en zonder enig vertoon van geleerdheid. Zin voor gerechtigheid en harmonie was Adriani's voornaamste karaktertrek. In zeldzame naarstigheid wist hij zijn ambtelijke en wetenschappelijke taken te combineren met religieuze, sociale en artistieke activiteiten. Zijn intellectueel en artistiek hoogbegaafde echtgenote stond hem daarbij terzijde. Vóór 1922 was hij actief in de Ned. Herv. Kerk, te Amsterdam leerde hij de Vrije Gemeente kennen, die veel voor het gehele gezin ging betekenen. Adriani was van haar bestuur penningmeester, later voorzitter (ook gedurende de oorlogstijd). Voorts speelde hij een belangrijke rol in de plaatselijke afdelingen (vooral te Maastricht) van de Nederlandse Vereniging tot afschaffing van alcoholhoudende dranken. Zelf geheelonthouder was hij tevens niet-roker, hetgeen het behoud van zijn geschoolde zangstem (Mahler, Schubert, Hugo Wolff e.a.) ten goede kwam. Tot op hoge leeftijd was echter schilderen en tekenen dé grote liefde. Alle reizen (Franse, Belgische, later Italiaanse), zo ook de Nederlandse bodem, leverden landschapsstudies op, waarin de harmonie in het landschap, het samenspel van mens en natuur, hoofdthema was. Een aanzienlijke kennis van de (schilder)kunstgeschiedenis completeerde de eigen scheppingsdrang.

A: Adriani's literatuurkaartsysteem bij Internationaal Belasting Documentatie Bureau te Amsterdam.

P: Volledige bibliografie tot 15 mei 1949 in Tractatus tributarii. Opstellen op belastinggebied aangeboden aan prof.dr. P.J.A. Adriani... (Haarlem, 1949). Behalve de reeds genoemde verscheen daarna o.a. nog Belastingrecht. Recht of economie? (['s-Gravenhage], 1949). Afscheidscollege Universiteit van Amsterdam op 17 oktober 1949.

L: A.W. de Groot, De Universiteit van Amsterdam in oorlogstijd ( Amsterdam , [1946]) 49-50,55; J. van Hoorn jr., in Weekblad voor fiscaal recht 103 (1974) 890-892; [Red.], 'prof.dr. P.J.A. Adriani', in WPNR 105 (l 974) 581.

I: Tractatus tributarii. Opstellen op belastinggebied aangeboden aan prof.dr. P.J.A. Adriani... (Haarlem, 1949) afbeelding tegenover titelblad.

P.L. Nève


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013