Angeren, Johannes Regnerus Maria van (1894-1959)

 
English | Nederlands

ANGEREN, Johannes Regnerus Maria van (1894-1959)

Angeren, Johannes Regnerus Maria van, minister (Utrecht 9-5-1894 - 's-Gravenhage 19-3-1959). Zoon van Albertus Stephanus van Angeren, ondernemer, en Hester Maria Theresia Anna Donkers. Gehuwd op 22-5-1923 met Cornelia Petronella Maria Oonincx. Uit dit huwelijk werden 2 zoons geboren. afbeelding van Angeren, Johannes Regnerus Maria van

Van Angeren, die zijn middelbare schoolopleiding genoot aan het internaat van de paters jezuïeten te Katwijk, studeerde rechten te Utrecht, de stad waar zijn vader een gerenommeerde banketbakkerszaak annex lunchroom dreef. Op 8 juli 1921 promoveerde hij bij B.C. de Savornin Lohman op een bestuursrechtelijk onderwerp, getiteld Administratie in judicieele vormen, waarna hij nog die zelfde maand als adjunct-commies in dienst trad bij het ministerie van Justitie. Bij dit departement maakte hij, zeker voor die tijd, een opmerkelijk snelle carrière. In 1924 bevorderd tot commies, werd hij in 1927 hoofdcommies, in 1930 referendaris. Al deze jaren was Van Angeren verbonden aan de tweede afdeling van het ministerie, waar hij zich in het bijzonder bezighield met politievraagstukken en met het beheer van de rijkspolitie. Toen hiervoor in 1934 een aparte (vijfde) afdeling werd gevormd, werd Van Angeren daarvan hoofd. Begin 1936 werd hij administrateur en op 1 december 1937, hoewel toen de jongste van de vijf afdelingschefs, secretaris-generaal. Onjuist is dan ook de bewering van L. de Jong in zijn Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog IX, 360 dat Van Angeren als gelovig rooms-katholiek in zijn loopbaan door zijn ambtelijke superieuren zou zijn tegengewerkt. Integendeel, ze hadden veel waardering voor de bekwame jurist en toegewijde werker die Van Angeren was. Hij plukte hiervan de vruchten: zijn onmiddellijke voorgangers als secretaris-generaal hadden die eervolle positie pas na 23 resp. 31 dienstjaren bij het departement bereikt.

Ook als secretaris-generaal bleef Van Angeren persoonlijk leiding geven aan de afdeling politie van het ministerie. Er waren immers geen gelden beschikbaar voor een passende bezoldiging van een geschikte kracht van buiten. Als naaste adviseur van de eveneens katholieke minister C.M.J.F. Goseling was hij dus nauw betrokken bij de zaak-Oss, die in 1939 mede aanleiding vormde tot de val van het vierde ministerie-Colijn en die in sommige kringen antipapistische gevoelens nieuw leven inblies (aan de marechausseebrigade te Oss was de opsporingsbevoegdheid door de justitiële autoriteiten ontnomen, toen ze een onderzoek wilde instellen naar beweerd laakbaar gedrag van twee katholieke geestelijken). Het zou blijken dat die, ook in de omgeving van de Koningin bestaande, sentimenten, des te levendiger gevoeld waar de 'protestantse' marechaussee gold als een bolwerk van Oranjegezinden, zich mede richtten tegen de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie, de eerste katholiek die ooit in dat ambt was benoemd.

De Duitse inval in Nederland bracht de van nature enigszins zorgelijke Van Angeren naar zijn gevoelen in een hachelijke positie. Door zijn jarenlange leiding van de afdeling politie, waaronder ook de rijksrecherche ressorteerde, was hij goed op de hoogte van bepaalde spionageactiviteiten en andere zaken die voor de Duitsers geheim moesten blijven. Bovendien vreesde hij aansprakelijk te worden gesteld voor de internering van NSB'ers en andere pro-Duitse elementen die in de meidagen van 1940 na de Duitse inval had plaatsgevonden. Men kan dan ook begrip opbrengen voor zijn vrees dat hij in Nederland niet veilig zou zijn, hetgeen hem op 13 mei 1940 bij de aanvankelijk achtergebleven ministers A.A. van Rhijn en M.P.L. Steenberghe deed aandringen hen naar Londen te mogen vergezellen. Aan dat dringende verzoek werd gevolg gegeven. Op zijn collega van Financiën na, was Van Angeren de enige secretaris-generaal die de regering in ballingschap volgde.

Te Londen bleek Van Angeren als geschoold wetgevingsjurist voor minister van Justitie P.S. Gerbrandy bijzonder waardevol. Zo had hij een belangrijk aandeel in de redactie van de vele ingewikkelde noodbesluiten die moesten worden uitgevaardigd, onder andere om Nederlandse vermogensbestanddelen in het buitenland aan de greep van de Duitsers te onttrekken. Toen Gerbrandy op 3 september 1940 tevens minister-president werd, liet hij de behartiging van de justitiële zaken hoe langer hoe meer aan zijn secretaris-generaal over. Op Gerbrandy's herhaald aandringen verklaarde Van Angeren zich ten slotte bereid met ingang van 25 februari 1942 als minister van Justitie toe te treden tot diens kabinet. Hoewel Van Angeren een apolitieke figuur was betekende zijn optreden een door Gerbrandy wenselijk geachte versterking van het katholieke element in de regering (de katholieke ministers A.Q.H. Dijxhoorn, Ch.J.I.M. Welter en Steenberghe hadden immers in de loop van 1941 hun ontslag genomen).

Als minister wijdde Van Angeren zich aan de taak de verschillende, deels al ambtelijk door hem voorbereide 'terugkeer-besluiten', waarbij onder andere de naoorlogse bijzondere rechtspleging werd geregeld, in het Staatsblad te brengen. Hoewel hierin niet onsuccesvol en in het algemeen gewaardeerd door zijn ambtgenoten, besloot hij op 17 mei 1944 aan de Koningin ontslag te vragen. Aanleiding tot dit verzoek was haar weigering het Buitengewoon Politiebesluit te tekenen. Dit besluit stelde, in afwachting van een nadere wettelijke regeling, de gehele Nederlandse politie onder de leiding van de minister van Justitie - waarmede een oude ambtelijke hartewens van Van Angeren werd vervuld - en kende deze bewindsman tevens vergaande bevoegdheden toe tot handhaving van de orde en rust in het bevrijde Nederland, zodra het militair gezag zijn taak beëindigd zou hebben. Van Angeren was van mening dat de weigering van de Koningin het besluit te tekenen veroorzaakt werd door een gebrek aan vertrouwen in haar katholieke minister van Justitie, die dit besluit zou moeten uitvoeren. Hij werd achteraf in die zienswijze gesterkt toen het zijn opvolger, G.J. van Heuven Goedhart, wel gelukte om, met één ondergeschikte wijziging, dit besluit in het Staatsblad te plaatsen (het is overigens nooit in werking getreden). Nadat - hoogst ongebruikelijk - het ontslag hem uitdrukkelijk was geweigerd, werd het, toen Van Angeren bij zijn verzoek persisteerde, alsnog op 11 juli 1944 verleend.

Conform een bij zijn optreden als minister gemaakte afspraak, nam Van Angeren opnieuw de functie van secretaris-generaal op zich. Tevergeefs trachtte Gerbrandy hem nog over te halen zitting te nemen in zijn in februari 1945 gevormde kabinet. Van Angeren, gedesillusioneerd door het antikatholicisme waarmee hij in sommige uitlatingen van de Koningin was geconfronteerd en door de zijns inziens onvoldoende steun die hij van Gerbrandy had gekregen, weigerde echter.

Na zijn terugkeer naar Nederland werd hij met ingang van 1 november 1945 benoemd tot lid van de Raad van State, welk ambt hij tot zijn dood zou bekleden; op de voorgrond trad hij in die jaren niet meer.

A: Collectie-Van Angeren is aanwezig op het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage.

P: Inleiding over de vraag welke plaats in de rechtsstaat de politie behoort in te nemen en de invloeden daarvan op de organisatie der politie ['s-Gravenhage, 1949]. Voordracht gehouden voor het Genootschap voor den rechtsstaat op 18 juni 1949; 'De regering te Londen', in Onderdrukking en verzet. Nederland in oorlogstijd. [Onder red. van J.J. van Bolhuis et al.] (Arnhem [etc., 1954]) IV, 388-413; 'Voorbereiding van de terugkeer', ibidem, 509-531.

L: Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek [der] Enquêtecommissie regeringsbeleid 1940-1945, 2A, 109-110; 5A, 85-93; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ('s-Gravenhage, 1979) IX, 360-362, 1395-1412.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Collectie ANEFO; Van Angeren als minister van Justitie, in 1942].

C. Fasseur


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013