Barnouw, Adriaan Jacob (1877-1968)

 
English | Nederlands

BARNOUW, Adriaan Jacob (1877-1968)

Barnouw, Adriaan Jacob, anglist en neerlandicus (Amsterdam 9-10-1877 - New York 27-9-1968). Zoon van Pieter Jacobus Barnouw, arts, en Willemina Cornelia Matthes. Gehuwd op 13-7-1905 met Anne Eliza Midgley. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Barnouw, Adriaan Jacob

Barnouw groeide op in Amsterdam, waar zijn vader arts was, eerst aan de Oudezijdsvoorburgwal, vervolgens op de Prinsen- en de Keizersgracht. Op vrije dagen vergezelde hij zijn vader wanneer deze per koets zijn patiënten bezocht. Zo leerde Barnouw de stad grondig kennen en liefhebben. Hij zou later dikwijls in gedachten terugkeren naar het Amsterdam van het laatste kwart van de negentiende eeuw, toen het levenstempo kalm was en de schoonheid der stad nog ongeschonden in haar grachten werd weerspiegeld. Barnouw was een ingetogen, studieuze knaap, die graag zijn schreden richtte naar het pas geopende Rijksmuseum om er de Hollandse meesters te catalogiseren. Dat was zijn spel. Na het Amsterdamse gymnasium, met onder meer de neerlandicus Gerrit Kalff als docent, liet hij zich inschrijven aan de Rijksuniversiteit te Leiden. Hij studeerde er van 1895 tot 1900 middeleeuwse en moderne talen (alsmede een flinke portie geschiedenis bij P.J. Blok), verdiepte zich in de beweging van Tachtig en las ook J.K Huysmans met enthousiasme. Bovendien was hij actief lid van het Studentencorps. Voor de maskerade, de historische optocht der Leidse studenten, van 1900 ontwierp hij de kostuums. Tot zijn vrienden behoorde Henri Frédéric Boot, een schilder die later in Haarlem zou werken en met wie hij over de schone kunsten debatteerde. Zelf nam hij het penseel ook ter hand; hij zou zich ontwikkelen tot een meer dan verdienstelijk amateur. In 1901 vertrok hij naar Berlijn, teneinde zich bij Alois Brandl en Andreas Heusler verder in de filologie en anglistiek te bekwamen. Het resultaat was een proefschrift, Textkritische Untersuchungen nach dem Gebrauch des bestimmten Artikels und des schwachen Adjectivs in der altenglischen Poesie, waarop hij in juni 1902 te Leiden bij C.C. Uhlenbeck promoveerde.

Daarna begon een lange periode (1902-1919) van leraarschap aan het Openbaar Gymnasium, later Gymnasium Haganum genoemd, te 's-Gravenhage. Pupillen als Victor van Vriesland en Martinus Nijhoff ('een verwend joch, grenzeloos brutaal') trachtte hij Nederlands en geschiedenis bij te brengen. Barnouw was een precieze leraar, die inspireerde wanneer hij sprak over schrijvers tot wie hij zich persoonlijk voelde aangetrokken. In deze tijd begon hij vroeg-Nederlandse literatuur in het Engels te vertalen en Engelse in het Nederlands. Vooral zijn 'verdietsing' van Chaucers Canterbury tales in De vertellingen van de pelgrims naar Kantelberg (Haarlem, 1930-1933. 3 dl.) zou grote indruk maken. Chaucer, in wie hij verwantschap ontdekte met de Nederlandse genreschilders, bleef hem zijn leven lang boeien. Barnouw was inmiddels (in 1905) getrouwd met een Engelse vrouw, die hij tijdens een studiereis naar Oxford had leren kennen. School en gezin verhinderden hem niet aan het Haagse kunstleven deel te nemen. Zo werd hij bestuurder van het genootschap 'Oefening Kweekt Kennis', waar hij vriendschapsbanden aanknoopte met de romancier Marcellus Emants. Zijn wetenschappelijke ambities mogen blijken uit het verzoek dat hij in april 1907 indiende om te worden toegelaten als privaatdocent in de Engelse taal- en letterkunde aan de Leidse universiteit. Men wilde hem daar graag hebben. Pogingen van de faculteit der letteren hem in 1913 tot lector te benoemen stuitten echter op onwil van de curatoren. In 1915 diende Barnouw eigener beweging ontslag in.

Intussen was zijn contact met de Verenigde Staten, door een toeval, tot stand gekomen. Barnouw had belangstelling opgevat voor de onbekende marineschilder Albertus van Beest, die in 1845 naar de VS was verdwenen. Om nadere gegevens over Van Beest aan de weet te komen plaatste hij een oproep in het Amerikaanse weekblad The Nation. Daarvan bleek een van zijn Leidse vrienden, Harold de Wolf Fuller, redacteur te zijn. Zij hadden elkaar na hun studietijd uit het oog verloren, begonnen nu een briefwisseling, met als gevolg dat Fuller Barnouw vroeg correspondent van The Nation te worden. Barnouw voldeed maar al te graag aan dat verzoek. In 1918 besloot Fuller een nieuw weekblad op te zetten, The Weekly Review. Hij stelde Barnouw voor naar Amerika te komen om samen met hem het blad te redigeren. Deze aarzelde niet, mede met het oog op de toekomst van zijn kinderen, de oversteek naar New York te wagen, ongetwijfeld een boeiender stad dan Den Haag.

De Review ging na drie jaar ter ziele, maar Barnouw had al in 1919 de vererende uitnodiging gekregen het Queen Wilhelmina-lectoraat aan de Columbia University in New York te bekleden. Deze post was in 1913 gecreëerd door een aantal Nederlandse zakenlieden en geleerden (onder wie de eerder genoemde Gerrit Kalff, sinds 1902 hoogleraar te Leiden, en de uitgever Wouter Nijhoff, eveneens een goede bekende van Barnouw), met als doel de Nederlandse taal en cultuur grotere bekendheid te geven in de Verenigde Staten. In 1921 werd dit lectoraat in samenwerking met Colombia University omgezet in een 'full professorship' in de Nederlandse geschiedenis, taal en literatuur, tot 1949 door Barnouw bezet.

Naast de neerlandistiek doceerde Barnouw op Columbia Gotisch en Middelengels, natuurlijk met de nadruk op Chaucer. Zijn werkterrein hield hij echter niet beperkt tot de universiteit, waar de belangstelling voor zijn colleges tamelijk bescheiden bleef. Zelf schreef hij eens dat hij in Amerika fungeerde als 'vertaler, vraagbaak, impressario, cultureel attaché en literair agent' in één. Op talrijke plaatsen in de VS hield hij lezingen of introduceerde hij bekende Nederlanders die in Amerika hun opwachting kwamen maken. Daarenboven publiceerde hij een reeks boeken, bijvoorbeeld Holland under queen Wilhelmina (1923), in de serie Great Hollanders, geëntameerd door de bekende Nederlandse Amerikaan Edward W. Bok, een studie over Vondel (New York, 1925), The Dutch. A portrait study of the people of Holland (New York, 1940) en The land of William of Orange (New York, 1944). Deze boeken waren uitdrukkelijk bedoeld voor een groot publiek, al populariseerde hij minder extreem dan Hendrik Willem van Loon (met wie hij overigens goede betrekkingen onderhield). 'Ik ben meer artiest dan geschiedkundige', schreef Barnouw eens. 'De beroepshistorici in het vaderland zullen wel een beunhaas in mij zien. Dat oordeel zou mij verbazen noch krenken; ik heb niet de minste pretenties in dezen. Maar die heb ik wel als auteur. Ik houd van schrijven, van spelen en schilderen met woorden.' In opdracht van de Carnegie Corporation maakte hij in 1932 een reis naar Zuid-Afrika. Hij schreef daarover in Language and race problems in South Africa ('s-Gravenhage, 1934). Niet alleen wees hij op de politieke en maatschappelijke betekenis van het Afrikaans, hij waarschuwde ook tegen een voortdurende achterstelling van de zwarten door de Afrikaners en pleitte voor 'a more genereus appreciation of the black man's capacity for intellectual growth'.

Op zijn best was Barnouw in de Monthly Letters, die hij schreef voor de Netherland-America Foundation, een organisatie die meer begrip wilde kweken voor Nederland in Amerika en voor Amerika in Nederland. Barnouw begon deze spirituele en tegelijk van grote belezenheid getuigende brieven in 1924; pas in 1961 zou hij de laatste schrijven. Ze vormen kostelijke lectuur, die bij de leden van de organisatie gretig aftrek vond en ook ver buiten deze kring werd gewaardeerd. Barnouw behandelde een veelheid van onderwerpen uit de Nederlandse historie en actualiteit. Janus Dousa, Troelstra, Van Gogh, Mondriaan en Anthony Fokker: ze vonden allen een plaats in de Letters, maar net zo goed kwamen kerkorgels en 'specksnyders', duivekaters en zelfs bromfietsen aan de orde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was zijn benarde vaderland (al had hij inmiddels de Amerikaanse nationaliteit verworven) geen ogenblik uit zijn gedachten - hij schreef er bewogen over. In 1940 gaf hij de stoot tot de oprichting van de Vereniging van Nederlandse Geleerden in Amerika, die o.a. trachtte gevluchte Nederlandse academici in Amerika aan werk te helpen.

Barnouw kreeg dikwijls het verzoek te bemiddelen bij de vertaling en publikatie van Nederlandse literatuur in de VS. Hij deed zijn best, maar schreef ook aan Theun de Vries, wiens werk hij apprecieerde: 'Mijn ervaring met Nederlandse boeken in New York stemt me pessimistisch. Hollanders zijn sterker in de beschrijfkunst dan in de vertelkunst.' En dat was het volgens hem nu juist waar de schoen wrong: Amerikanen konden weinig waardering opbrengen voor deze vorm van literatuur. Wat daar ook van zij, zelf publiceerde hij in 1948 Coming After. An anthology of poetry from the Low Countries (New Brunswick, 1948), vertalingen van wat hij meende dat hoogtepunten uit de Nederlandse poëzie waren. Op de kwaliteit hiervan kwam in Nederland van sommige kanten kritiek, zo er al aandacht aan Coming After besteed werd, hetgeen Barnouw droef stemde en hem het gevoel gaf enigszins miskend te zijn. Niettemin onderscheidde de Nederlandse Uitgeversbond hem in 1957 met de Gouden Ganzeveer, een teken van waardering voor zijn ijveren ten behoeve van de Nederlandse cultuur in de VS. Bij die gelegenheid werd nog eens beklemtoond dat hij 'onze culturele ambassadeur' par excellence was in Amerika.

Spijtig is wel dat hij nooit zijn bevindingen over de Verenigde Staten te boek stelde, wat hem er aantrok of afstootte. Daarin zag hij zijn taak niet liggen: deze was volgens zijn interpretatie slechts Nederland onder de aandacht van de Amerikanen te brengen. En weinigen zullen betwisten dat hij zulks deed met verve en voortvarendheid. Overigens stond hij niet kritiekloos tegenover Nederland. Zo liet hij protest horen tegen onze koloniale politiek na 1945, al stelde hij aan de andere kant de Nederlandse verdraagzaamheid ten voorbeeld aan de Amerikanen toen dezen verstrikt raakten in het McCarthyisme van de jaren '50. Barnouw werd niet verscheurd tussen zijn beide vaderlanden. 'They are joined within an unbreakable rim that holds them as one', sprak hij aan het eind van zijn leven als zijn overtuiging uit.

Barnouw bereikte de gezegende leeftijd van 90 jaar. Ondanks oogklachten bleef hij tot op het laatst schilderen, bij voorkeur in Taos (Nieuw-Mexico). Hij exposeerde zijn werk in de Century Club te New York, de prestigieuze herensociëteit, die hij gaarne frequenteerde en waar hij ook het biljartspel beoefende. Het geloof in de vooruitgang had hij al lang verloren, de technologische maatschappij boezemde hem afkeer in. Tijdens bezoeken aan zijn land van herkomst constateerde hij gelaten hoe de geliefde stad van zijn jeugd, Amsterdam, veranderde in een slordige metropool. Zijn levenslust was er niet minder om.

Vrienden en bewonderaars namen in 1967 het initiatief een selectie van zijn Monthly Letters uit te geven. Voor Barnouw was dat een groot geluk, hij beschouwde deze brieven immers als zijn levenswerk. (Anderen zullen meer gewicht hechten aan zijn vertalingen van de Beatrijs, Elkerlyck en Van den vos Reinaerde, en niet te vergeten van Canterbury tales.) Kort voor de verschijning van deze bloemlezing overleed hij. Terecht werd hij aan beide zijden van de oceaan herdacht: zowel Nederland als de Verenigde Staten had deze markante bemiddelaar laten delen in zijn kennis, cultuur en goed fatsoen.

A: Collectie-A.J. Barnouw in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage; archief-Gymnasium Haganum en archief-curatoren Gymnasium Haganum in Gemeentearchief te 's-Gravenhage.

P: Behalve de reeds genoemde werken: Schriftuurlijke poëzie der Angelsaksen ('s-Gravenhage, 1907); Echoes of the Pilgrim fathers' speech (Amsterdam, 1923); A trip through the Dutch East Indies (Gouda, [1927]); The fantasy of Pieter Brueghel (New York, 1947); The pageant of Netherlands history (New York, 1952); The land and people of Holland (Philadelphia, 1961); Monthly letters on the culture and history of the Netherlands (Assen, 1969). Vertalingen: The miracle of Béatrice (New York, 1944); Troilus en Criseyde (Haarlem, 1954); Het boek van de Hertogin-Het vogelparlement. Twee vroege gedichten (Haarlem, 1966); Reynard the fox and other mediaeval Netherlands secular literature. With E. Colledge (Leiden [etc.], 1967); Het Luikse Diatessaron [Diatessaron leodiense]. Uitg. door C.C. de Bruin. Met de Engelse vert. van A.J. Barnouw (Leiden, 1970); The mirror of salvation [Elkerlyck] (DenHaag, 1971).

L: G. Kalff, Een nieuwe Holland-Amerikalijn [Oosterbeek, 1920]; B. Hunningher, 'Prof. Dr. Adriaan J. Barnouw', in De Nederlandistiek in het buitenland. Onder red. van W. Thijs en J.M. Jalink (Den Haag, 1967); E. van Raalte, 'Herinneringen aan de mens in professor Barnouw', in Nieuwe Rotterdamse Courant, 3-10-1968; J. M. Jalink, 'A sketch of the personality, life and work of Professor Dr. Adriaan J. Barnouw', in A.J. Barnouw, Monthly Letters... (Assen, 1969) XIII-XXXV.

I: De Nederlandistiek in het buitenland. Onder red. van W. Thijs en J.M. Jalink (Den Haag, 1967) afbeelding tegenover pagina 192.

A. Lammers


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 2 (Den Haag 1985)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013