Algra, Hendrik (1896-1982)

 
English | Nederlands

ALGRA, Hendrik (1896-1982)

Algra, Hendrik, leraar en journalist (Hardegarijp, gem. Tietjerksteradeel 5-1-1896 - Leeuwarden 1-6-1982). Zoon van Aan (Hendriks) Algra, landarbeider, en Jitske Bosma. Gehuwd op 16-8-1922 met Eelkje Offringa. Uit dit huwelijk werden 3 zoons en 2 dochters geboren. Na haar overlijden (15-11-1946) gehuwd op 25-2-1953 met Janke Wijnsma. Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren. afbeelding van Algra, Hendrik

Hendrik Algra heeft zijn leven lang de kenmerken gedragen van het milieu waarin hij is opgegroeid: Fries, gereformeerd, antirevolutionair. Zijn opvoeding thuis sloot harmonisch aan bij het onderwijs op school, waar de bovenmeester de morgen begon met een bijbelvertelling, en 's middags het belangrijkste nieuws uit De Standaard doorgaf. In 1909 verliet de jonge Algra de school om als aankomend landarbeider de kost te verdienen. Vanaf 1910 volgde hij 's avonds de lessen aan de christelijke onderwijzersopleiding te Wommels, maar hij bleef in eigen levensonderhoud voorzien. Zijn loopbaan als onderwijzer begon in 1914 te Itens, in 1915 verhuisde hij naar Berlikum, en in 1922 naar Leeuwarden, als leraar aan de christelijke kweekschool. Hij nam daarmee voorschot op de middelbare bevoegdheden die hij in 1924 voor geschiedenis en in 1928 voor Nederlands verwierf.

Het onderwijs is altijd Algra's hoofdberoep gebleven, maar spoedig zocht hij ook een groter publiek dan dat van het schoollokaal. In 1923 trad Algra toe tot het hoofdbestuur van de Nederlandsche Bond van Jongelings Vereenigingen op Gereformeerden Grondslag. Algra werd uitgenodigd in het Gereformeerd Jongelingsblad regelmatig te publiceren over historische onderwerpen. Aldus begon de reeks artikelen die later in boekvorm verscheen onder de titel Het erfdeel der vaderen (Amersfoort, 1932-1946). Zo zag Algra de verhouding tussen heden en verleden: de huidige generatie moest leven uit de erfenis van het voorgeslacht. De historicus had daarom de plicht de geschiedenis aan iedereen door te geven, te vertellen, met een weelde van illustratieve details.

In dezelfde geest was Algra actief in de Friese beweging. Hij werkte mee aan Friese bladen, en behoorde in 1935 tot de opstellers van de beginselverklaring van het Kristlik Frysk Selskip. De opstellers pleitten voor een Friestalig kerkelijk leven, en eigen ontplooiing van het Friese volk in orthodox christelijke zin. In dat jaar werd Algra tevens benoemd tot politiek hoofdredacteur van het Friesch Dagblad, een functie die hij tot 1970 zou vervullen. Hij combineerde die taak met zijn leraarschap aan de gereformeerde gymnasia te Kampen (1935-1946) en te Leeuwarden (1936-1962).

De Duitse bezetting bracht een tijdelijke onderbreking in de journalistieke loopbaan. Algra was niet tot compromissen met het nationaal-socialisme bereid, en gaf daarvan in vele hoofdartikelen blijk, dikwijls in de vorm van doorzichtige historische parallellen. In januari 1941 gelastten de bezetters Algra zich van politieke oordeelvellingen te onthouden. De persvereniging waarvan de krant uitging, besloot toen de uitgave te staken. Algra werd op 4 mei 1942 gearresteerd en overgebracht naar het gijzelaarskamp St. Michielsgestel, waar hij tot 20 december 1943 zou verblijven. Hij zette daar zijn historische kennis om in een serie lezingen, die in 1952 gebundeld zijn onder de titel De eigen weg van het Nederlandse volk.

Na de bevrijding herrees dadelijk het Friesch Dagblad. Algra propageerde toen één protestantse volkspartij als antwoord op de doorbraak, zonder zelf van zijn antirevolutionaire lijn af te wijken. Voor de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) kreeg hij in juli 1946 zitting in de Eerste Kamer. Ruim 23 jaar vervulde hij zijn lidmaatschap met als bijzondere taken defensie, buitenlandse zaken en onderwijs. Binnen de kleine fractie vielen hem echter ook wel eens andere departementen ten deel, zoals Landbouw en Overzeese Rijksdelen. In relatie tot het kamerlidmaatschap stonden ook Algra's bemoeienissen met de omroep. Vanaf de oprichting in 1947 maakte hij deel uit van het bestuur van de Wereldomroep, van 1968 tot 1973 als voorzitter.

Zijn belangstelling voor de geschiedenis verflauwde niet, zoals bleek uit het breed opgezette populaire handboek dat hij vanaf 1946 tezamen met zijn broer Ale Algra deed verschijnen onder de titel Dispereert niet... (1946-1952. 20 dl.; vele herdrukken). De auteurs beoogden christelijk-nationale geschiedschrijving: nationaal, om de Nederlander zichzelf in zijn verleden te doen kennen; christelijk-nationaal, omdat het reformatorisch beginsel in het leven van de natie was ingegaan.

Het handboek werd enkele malen herdrukt. Algra voorzag in een bij zijn geestverwanten levende culturele behoefte, door de vaderlandse geschiedenis te schrijven naar de beginselen van zijn geloof. Naar Algra's mening moest elke cultuuruiting door een beginsel gedragen worden. Daarom volgde Algra in de Eerste Kamer met kritische aandacht het cultuurbeleid. Besefte de regering dat subsidies aan kunstenaars verstrekt ook een oordeel inhielden over hun beginselen? Algra's kritiek o.a. op de door hem als godslasterlijk aangemerkte geschriften van G.K. van het Reve bracht in 1963 deze opvattingen onder de algemene aandacht. Zijn aandrang dat de regering op dit terrein morele maatstaven zou aanleggen lokte in de Nederlandse pers felle reacties uit. Principieel was in 1963 ook Algra's bestrijding van de wet op het voortgezet onderwijs, de zogenaamde mammoetwet van J.M.L.Th. Cals. Die wet zou in zijn ogen de invloed van de overheid doen stijgen, en de kwaliteit van het onderwijs doen dalen.

Algra's kijk op kerk en politiek bleef steeds dezelfde, ook toen de gereformeerde kerk zich tot een modaliteitenkerk ontwikkelde, en de ARP zich losmaakte van haar negentiende-eeuwse tradities. Was Algra lange tijd een echte representant geweest van zijn gezindte, in zijn laatste levensjaren werd hij meer de vertolker van het onbehagen over de heroriëntatie op andere waarden. Zijn Friesch Dagblad vond buiten de provincie lezers, die eigen opvattingen niet meer uitgedrukt zagen in de landelijke protestantse pers.

Algra maakte zich van zijn milieu niet los, en oogstte daar de onmiskenbare blijken van publieke waardering. De ARP verleende hem in 1975 het erelidmaatschap, de Vrije Universiteit in 1980 een eredoctoraat in de sociale wetenschappen. Zijn heimwee naar betere tijden echter drukte hij uit in zijn boek over afscheiding en doleantie, Het wonder van de negentiende eeuw [1966]. Algra's inspiratie lag in de dankbaarheid voor het herstel van het kerkelijk leven, hoe eigenzinnig, bekrompen en twistziek die afgescheidenen en dolerenden zich ook dikwijls hadden betoond. Juist in al die menselijke zwakheid en kleinzieligheid bleek des te meer 'wat God gedaan heeft met dit weerbarstig volk'.

Aan het einde van diezelfde negentiende eeuw begonnen de gereformeerden hun culturele en politieke achterstand in te lopen. De volksjongen Algra, opgeklommen langs de weg van het christelijk onderwijs, was van die emancipatie een geslaagd voorbeeld. Maatschappelijk succes bracht velen van zijn geloofsgenoten tot een herbezinning op de normen en waarden van hun jeugd. Voor Algra behielden die beginselen de eenvoud, kracht en duidelijkheid die hij ervan jongsaf in had gevonden.

P: Behalve voornaamste publikaties, uittreksel van het register op de Handelingen Eerste Kamer t.z.v. Algra en interviews in onder L genoemd werk Doctor Algra... verscheen nog Lichten aan de kim (Franeker, 1981).

L: Behalve autobiografie van Algra, Mijn werk, mijn leven (Assen, 1970): G. Puchinger, Hervormd-Gereformeerd, één of gescheiden? (Delft, 1969) 43-84; Doctor Algra. De Friese senator [Bijdragen van] G. Puchinger [et al.] (Franeker [etc., 1980]); G. Puchinger, 'Terugblik op dr. Hendrik Algra', in Christen democratische verkenningen (1982) 497-504.

I: Doctor Algra. De Friese senator [Bijdragen van] G. Puchinger [et al.] (Franeker [etc., 1980]) eerste fotokatern [Foto: S. Andringa].

A.Th. van Deursen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013