Antonini, Jacob Antonio graaf (1901-1983)

 
English | Nederlands

ANTONINI, Jacob Antonio graaf (1901-1983)

Antonini, Jacob Antonio graaf (Giacomo), journalist en schrijver (Venetië 18-9-1901 - Froxfield, Petersfield (VK) 16-6-1983). Zoon van Alfrede graaf Antonini, officier b.d., en Augusta Robberdiena Kool. Gehuwd op 3-5-1926 met Henriette Marx. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. Na echtscheiding (9-2-1937) gehuwd op 2-9-1937 met Maria Syla Novitzky. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Na haar overlijden (2-8-1959) gehuwd op 8-12-1961 met Karin Barnsley. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. afbeelding van Antonini, Jacob Antonio graaf

Giacomo Antonini werd geboren in Venetië, in San Giobbe, in een groot huis, dat bekend stond als palazzo. Zijn vader was een knappe officier buiten dienst van de Bersaglieri, die een elegant bestaan zonder beroep voerde. Hij had een passie voor gokken en vrouwen. Zijn moeder, Augusta Kool, die dertien jaar ouder was dan haar man, stamde uit een Amsterdamse regentenfamilie. Zij was tolerant en liberaal, had veel gereisd en vervulde de functie van directrice van een protestantse kostschool in Venetië. Antonini groeide de eerste twaalf jaar van zijn leven in een kosmopolitisch en aristocratisch milieu op, waar kunst, literatuur en muziek in tel waren. Alfrede Antonini was een mondain gastheer: tot zijn gasten behoorden de Duitse kanselier Von Bülow en minister-president Abraham Kuyper. Aan het huwelijk kwam in 1913 een einde door een uit de hand gelopen verhouding met de eveneens getrouwde Sophie de Guarnieri. Alfredo Antonini stak een deel van zijn vermogen in de mislukte opvoering van een opera van haar man. Vervolgens probeerde hij in Monte Carlo zijn verlies goed te maken, met als resultaat dat hij ook het vermogen van zijn vrouw verspeelde.

Augusta Antonini ging met haar zoon in april 1914 naar Nederland. De familieraad van de Kools nam daar enkele harde besluiten: Antonini sr. naar Amerika, Augusta directrice van een ziekenhuis in Tiel en de kleine Jacob (genoemd naar zijn grootvader, op wie hij ook uiterlijk leek) naar een kostschool in Doetinchem, hoewel hij nog geen woord Nederlands sprak. Er kwam daarmee een abrupt einde aan Jacobs gelukkige jeugd. De jonge Antonini bleef zijn vader bewonderen, en voelde zich meer dan ooit Italiaan. Die nationaliteit behield hij zijn hele leven.

Na de kostschool in Doetinchem voltooide hij het gymnasium in Arnhem. Bij Romano Guarnieri ging hij in Amsterdam M.O.-Italiaans studeren. Via hem kwam hij in 1922 in contact met Jan Greshoff, toen hoofdredacteur van de Arnhemsche Courant. Dit was het begin van een vriendschap die tot de dood van Greshoff in 1971 zou duren. Greshoff moedigde hem aan over Italiaanse letterkunde te schrijven. Vanaf 1923 publiceerde hij in Greshoffs blad De Witte Mier, later ook in Den Gulden Winckel en Groot-Nederland.

In 1924 onderbrak hij zijn studie om bij de genie in Venetië zijn dienstplicht van een jaar te vervullen. Mussolini was sinds 1922 aan het bewind. Antonini was onder de indruk van deze staatsman, die Italië zijn trots had teruggegeven en voor een nationale herleving had gezorgd. Greshoff publiceerde in 1924 in De Witte Mier zijn bewierokend artikel 'Benito Mussolini als schrijver'. Antonini bleef een zwak voor Mussolini houden, hoewel hij als conservatief liberaal het fascisme niet omarmde. Wel spreidde hij een welwillende neutraliteit ten toon. In een artikel over Sovjetrussische literatuur, 'De traditie der groote Russen: de overweldigende productie der jongeren', in Den Gulden Winckel 28 (1929) 54-55 formuleerde hij zijn apolitieke literair-kritisch uitgangspunt: 'Ik wil er alleen den nadruk op leggen, dat de eenige maatstaf, die ik aangelegd heb, een literaire is en dat elke politieke overweging... dienen kan om een goed boek te schrijven, wanneer de schrijver maar een belangrijk en belangwekkend man is' (p. 55). In zijn opstel 'Literatuur en politiek in Italië' in Critisch Bulletin (14 (1934) I, 216-220) aanvaardt hij volledig dat schrijvers zich in dienst van de nationale opbouw moesten stellen en niet 'in een aan de nieuwe regeering vijandige geest' (p. 219) mochten publiceren.

Na zijn diensttijd ging Antonini in het najaar van 1925 naar Rome, waar hij twee jaar correspondent van het Algemeen Handelsblad was. Via Jan Greshoff leerde hij Arthur van Schendel kennen, die toen in Florence woonde en de zomers in het Zwitserse Ascona doorbracht. Na zijn huwelijk met de oudere Nederlandse Hetty Koch-Marx, die aan haar derde huwelijk begon, vestigde hij zich in Casa Stella te Ascona, dat door haar bemiddelde vriendin Anke Schill ter beschikking werd gesteld. Ascona trok nog steeds de artistieke bohème uit Europa. Rie Cramer heeft in haar sleutelroman De lachende Cupido (Den Haag, 1936) het leven in Casa Stella beschreven. De dominerende Hetty Antonini neemt als Nina Rode de centrale plaats in, geflankeerd door de knappe causeur Geo Rode (Giacomo Antonini) en letje de Werff (Anke Schill), die in de ban van Nina Rode verkeert. Antonini ontving op Casa Stella veel Nederlandse en Italiaanse kunstenaars. In deze jaren publiceerde hij in Italië drie bundels met opstellen over toneel en literatuur, hij werkte ook geregeld mee aan dag- en weekbladen in Italië.

In 1930 trad hij ook met E. du Perron in contact na lezing van diens opstel over André Gide in Den Gulden Winckel. Via Du Perron ontmoette hij Menno ter Braak opnieuw, verder A. Roland Holst en J. J. Slauerhoff. Giacomo Antonini behaalde in december 1930 de M.O.-akte Italiaans in Amsterdam. Zijn huwelijk met Hetty was stukgelopen. Het volgende jaar ontmoette hij in Berlijn zijn grote liefde, Maria (Moussia) Sila Novitzky, toen nog getrouwd met de pianist Alexandre Borovsky. Hij schreef in Berlijn twee filmscenario's voor Tobis Tonfilm, die nooit verfilmd werden. Door zijn Russische vrouw ontmoette hij veel uitgeweken Russische auteurs in Berlijn. Na de machtsaanvaarding van Hitler vestigde hij zich in Parijs, waar hij weer een bestaan met de pen moest opbouwen.

In Parijs werkte hij voor Sacha Guitry's filmmaatschappij Soprimex, verder publiceerde hij in Nederland en Italië en was hij correspondent van L'Eco del Mondo (Rome). Hij had bijna dagelijks contact met Du Perron in diens stamcafé Le Murât, dat ook door veel uitgeweken Russische, Italiaanse en Duitse schrijvers als Jevgenij Zamjatin, Carlo Levi en Ernst Erich Noth bezocht werd. In het maandschrift Forum publiceerde hij een essay over D.H. Lawrence. Aangemoedigd door Du Perron schreef hij zijn korte verhaal Il signor Buob (1935). Via een suggestie van Du Perron ging hij op verzoek van Slauerhoff naar Tanger om diens praktijk op te heffen. Op doorreis leerde hij in Madrid Slauerhoffs vriend F.C. Terborgh kennen. De vriendschap bleef tot aan de dood van Terborgh in 1981 bestaan. Hun gezamenlijke terugreis van Madrid naar Irun aan de Franse grens leidde tot hun beider novellen Maria Concepción en Pilar (postuum gepubliceerd).

Toen Du Perron en zijn vrouw in 1936 naar Nederlands-Indië vertrokken, volgde hij Elisabeth de Roos, echtgenote van Du Perron, op als correspondent van Het Vaderland in Parijs (1936-1940). Ook schreef hij regelmatig over Franse letteren in De Groene en over Italiaanse letteren in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Giacomo Antonini fungeerde in deze jaren als een belangrijke uitkijkpost van de Nederlandse literatuur. Hij maakte voor Het Vaderland vraaggesprekken met o.a. Paul Léautaud, Marcel Jouhandeau, Jean Paulhan, Jean-Paul Sartre, Gertrude Stein, Robert Brasillach, Henry de Montherlant en André Malraux. Verder stelde hij met G.B. Angioletti de bloemlezing Narratori italiani d'oggi (Florence, 1938) samen. Regime niet welgevallige auteurs kwamen er niet in voor, in zijn inleidend essay besprak Antonini wel het proza van fascistische auteurs. In 1939 werd hij correspondent van het officiële Italiaanse persbureau Stefani in Parijs. Op 18 augustus 1938 trad hij om den brode toe tot de buitenlandse afdeling van de Italiaanse fascistische partij, hoewel Antonini als weinig anderen geïnformeerd was over de situatie in nazi-Duitsland en fascistisch Italië. Bij de Duitse inval in Frankrijk bevond Antonini's vrouw zich in de Verenigde Staten; na de Italiaanse inval in Frankrijk ging hij naar Rome. Hij kreeg er geen visum voor de Verenigde Staten. Hij werd derde man van Stefani in Rome. In juli 1941 keerde Giacomo Antonini als directeur van Stefani naar Parijs terug, tegelijkertijd was hij persattaché van de Italiaanse ambassade. Wekelijks lunchte hij met zijn Duitse collega. Hij weigerde na de wapenstilstand van Italië met de geallieerden in september 1943 zijn werk voort te zetten. Hij werd eerst in Villes geïnterneerd, vervolgens door de fascistische regering in Salsomag-giore. Ten slotte kreeg hij een gedwongen verblijfplaats in Venetië. In augustus 1944 keerde hij illegaal over de Alpen naar Frankrijk terug.

Antonini werd in oktober 1944 door de Milices patriotiques van het XIe arrondissement in Parijs gearresteerd. Na een proces werd hij in januari 1945 vrijgesproken van collaboratie. Na de Tweede Wereldoorlog had hij geen publicitaire contacten meer in Nederland, Vele van zijn Nederlandse vrienden waren dood. Greshoff woonde in Zuid-Afrika, Terborgh vervulde verschillende diplomatieke posten. Van 1945 tot 1963 werkte hij mee aan La Nazione in Florence met boekbesprekingen over Engelse letterkunde. Voor La Fiera Letteraria (Rome) schreef hij van 1945 tot 1966 over Engelse en Franse literatuur. In Parijs vertegenwoordigde hij het Italiaanse uitgevershuis Bompiani uit Milaan. In 1953 werd hij bovendien de vertegenwoordiger in Frankrijk van de filmmaatschappij Costellazione. Het jaar daarop speelde hij de rol van paus Pius VII in Sacha Guitry's film Napoleon met Gianna Maria Canale en Raymon Pellegrin, Antonini vervulde in deze jaren opnieuw de rol van trait d'union tussen verschillende Europese literaturen in Parijs. Hij was lid van verschillende literaire jury's in Italië. Met Angioletti was hij actief in het organiseren van de Communita Europea degli scrittori en internationale schrijverscongressen.

De dood van zijn vrouw in 1959 greep hem diep aan: hij werd in één nacht grijs. In 1961 huwde hij opnieuw, en met deze vrouw verhuisde hij in 1966 naar een cottage in Zuid-Engeland met een prachtig uitzicht over een dal. Hij bleef in II Gazettino (Venetië) over literatuur en film schrijven. De laatste tien jaar van zijn leven ging zijn belangstelling vooral uit naar de opera. Hij gaf in Engeland regelmatig lezingen over muziek en literatuur. In 1981 bezocht hij Nederland voor het laatst.

Giacomo Antonini was een kosmopoliet en een Europeaan van de oude stempel. Zijn liberale, apolitieke houding en zijn Italiaans patriottisme hebben hem verleid tot een meegaande houding tegenover het fascisme.

A: Brieven van Antonini bevinden zich in het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage.

P: Antonini publiceerde behalve in de genoemde periodieken ook in Kroniek van Kunst en Kultuur, NRC Handelsblad en Salaria. Verder: Il teatro contemporaneo in Italia (Milaan, 1927); Il romanzo contemporaneo in Italia (Aquila, [1928]); Il teatro contemporaneo in Francia (Milaan, 1930); met G.B. Angioletti, Racconti e novelle del Novecento (Florence, 1968) bloemlezing; 'Pilar', in Tirade 30 (1986) 303 (maart-april) 218 - 238; 'Meneer Bob', in Het Oog in 't Zeil 4 (1986-1987) 3 (februari) 17-19.

L: W. Woltz, 'Giacomo Antonini: een internationaal verleden', in NRC Handelsblad, 11-9-1981 (CS); Ronald Spoor, 'Antonini overleden', in Het Oog in 't Zeil 1 (1983 - 1984) 1 (oktober 1983) 10; idem, 'Drie vrouwen: Larrios, Maria Concepción en Pilar', in Tirade 30 (1986) 303 (maart-april) 206-217; idem, 'Antonini en de vrijheid van Ascona', in Het Oog in 't Zeil 4 (1986-1987) 3 (februari 1987) 15-16.

I: Het Oog in 't Zeil 4 (1986-1987) 3 (februari 1987) 15 [Antonini in 1928].

Ronald Spoor


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 09-08-2016