Bentinck van Schoonheten, Adolph Willem Carel baron (1905-1970)

 
English | Nederlands

BENTINCK VAN SCHOONHETEN, Adolph Willem Carel baron (1905-1970)

Bentinck van Schoonheten, Adolph Willem Carel baron, diplomaat (Ede 3-9-1905 - Parijs 7-3-1970). Zoon van Rudolf Floris Carel baron Bentinck van Schoonheten, kamerheer in buitengewone dienst, en jkvr. Maria Sigrid van Karnebeek. Gehuwd op 31-8-1938 met Gabrielle Wilhelmine Hedwig Marie barones Thyssen-Bornemisza de Kaszon. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Bentinck van Schoonheten, Adolph Willem Carel baron

Bentinck bezocht het Instituut Wolters en het Nederlandsch Lyceum (1918-1924) te 's-Gravenhage en studeerde van 1924 tot 1930 rechten in Utrecht. Zijn start in het beroepsleven verliep wat moeizaam. Enerzijds was dit het gevolg van de crisis, waardoor zelfs jonge mensen met een afkomst en relaties als Bentinck maar moeilijk aan de slag konden komen, anderzijds hing het samen met het feit dat hij in deze fase van zijn leven geen duidelijk beroepsideaal had. Na een korte periode bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij (1931-1934) trad hij in dienst van het ministerie van Financiën, waar hij werkzaam was op de afdeling buitenland. Hierdoor kwam hij regelmatig in contact met het departement van Buitenlandse Zaken. Deze relaties kwamen hem te pas toen de personeelsformatie van dit departement in verband met de toenemende spanning in Europa enige uitbreiding onderging: in 1937 werd Bentinck in de rang van hoofdcommies benoemd bij de afdeling diplomatieke zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken; in 1938 werd hij bevorderd tot referendaris.

Toen de bezetting van de diplomatieke vertegenwoordiging in Hongarije moeilijkheden opleverde, werd Bentinck als tijdelijk zaakgelastigde naar Boedapest gezonden. Waarschijnlijk zijn twee factoren op deze benoeming van invloed geweest; zijn huwelijk, een jaar tevoren, met een lid van de familie Thyssen-Bornemisza, waardoor hij verzwagerd raakte met Centraal-Europese adellijke en industriële kringen, én de overtuiging van zijn superieuren dat een functie in de diplomatie meer met zijn aanleg strookte dan een post op het departement. Inderdaad had noch het werk in de financiële sector, noch zijn functie op het departement, waar hij voor de kritische chef van de afdeling diplomatieke zaken, E.N. van Kleffens, nota's over volkenrechtelijke vraagstukken moest opstellen, hem veel bevrediging geschonken.

In 1940 vertrok Bentinck als zaakgelastigde naar Kaïro. Op een kort verblijf in Nederland direct na de oorlog volgde in 1946 zijn benoeming tot ambassaderaad te Londen. Als gevolg van de internationale verwikkelingen rond de Indonesische kwestie en het overleg inzake de West-Europese Unie was Londen, naast Washington, in deze jaren een zwaartepunt in de Nederlandse diplomatie. Bentinck werkte hier tot 1949 samen met de eerste ambassadesecretaris J.M.A.H. Luns. Naast zijn werk op de ambassade besteedde Bentinck veel aandacht aan contacten buiten het diplomatieke circuit. Zijn naam, die in Engeland nog steeds een goede klank had, verschafte hem gemakkelijk toegang tot de toonaangevende kringen in de Britse hoofdstad. In deze periode vergde hij echter te veel van zichzelf; daarom moest hij in 1950 na een hartaanval een jaar rust nemen. Van 1951 tot 1956 was hij gezant in Bern, een rustige post, waar hij nagenoeg geheel herstelde.

Door zijn benoeming tot plaatsvervangend secretaris-generaal van de Noordatlantische Verdragsorganisatie in 1956 kreeg Bentinck gelegenheid in een internationale organisatie ervaring op te doen met de multilaterale samenwerking. Het betekende in zijn loopbaan ook een nieuwe fase: hij maakte nu deel uit van de inner circle van de Nederlandse diplomatie, die juist in deze jaren in de Europese en Atlantische politiek een belangrijke rol speelde. In 1958 volgde zijn benoeming tot ambassadeur te Londen, in 1963 ging hij in dezelfde functie naar Parijs. In deze beide centra van diplomatieke activiteit en cultureel leven kon Bentinck zich volledig ontplooien. Aan zijn goede contacten was het te danken dat zijn rapporten, die door helderheid en bondigheid uitmuntten, doorgaans meer informatie bevatten dan het 'lopend nieuws'. Zijn analyses getuigden van een grondige kennis van de achtergronden. Opdrachten voerde hij omzichtig, maar vasthoudend uit. Hij bewandelde hierbij de gulden middenweg tussen enerzijds een fantasieloze uitvoering van zijn instructies en anderzijds een interpretatie die al te zeer bepaald werd door plaatselijke omstandigheden en persoonlijke inzichten. Hij genoot in hoge mate het vertrouwen van de minister van Buitenlandse Zaken Luns, die juist in deze jaren een eigen stempel drukte op het buitenlands beleid. Bentinck was een van de Nederlandse diplomaten met wie de minister regelmatig in telefonisch contact stond. Er is later kritiek geoefend op deze consultaties, die ertoe bijdroegen dat enkele ambassadeurs soms meer bij de besluitvorming betrokken schenen te worden dan de beleidsambtenaren op het departement.

In Parijs fungeerde Bentinck als intermediair tussen president De Gaulle en minister Luns, in de jaren zestig elkaars tegenstanders in de Europese politiek. Ondanks de tegenstellingen tussen Parijs en Den Haag stelde De Gaulle het op prijs de Nederlandse ambassadeur te ontmoeten en van diens inzichten kennis te nemen.

Ontvangsten en diners op de Nederlandse ambassade genoten gedurende Bentincks ambtsperiode in Londen en Parijs enige faam door de rijke schakering aan gasten en de wijze waarop diplomaten, politici en vertegenwoordigers uit de zakenwereld, maar ook kunstenaars en wetenschapsbeoefenaars met elkaar in contact gebracht werden. Vooral Bentincks echtgenote droeg er veel toe bij de Nederlandse ambassade tot een belangrijke diplomatieke en culturele ontmoetingsplaats te maken.

Ondanks langdurig verblijf in het buitenland is Bentinck zijn land nooit ontgroeid. Wel voltrokken de grote maatschappelijke veranderingen in Nederland in de jaren zestig zich gedeeltelijk buiten zijn gezichtsveld. Bentinck had een moderne taakopvatting, vooral waar het erom ging ook jonge ambtenaren van de buitenlandse dienst bij het werk van de ambassade te betrekken. Als diplomaat kwam hij in de hoofdsteden van het oude Europa het best tot zijn recht. Daar was hij de juiste man op de juiste plaats.

L: H.N. Boon, in Jaarboek van het ministerie van Buitenlandse Zaken 1969-1970, 177-181; necrologie in The Times, 9-3-1970.

I: Beeldbank van het Nationaal Archief in Den Haag [Collectie ANEFO; Bentinck van Schoonheten in november 1965].

C.B. Wels


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013