Zant, Johan Wilhelm van der (1926-1977)

 
English | Nederlands

ZANT, Johan Wilhelm van der (1926-1977)

Zant, Johan Wilhelm van der (pseudoniem Hans Andreus), dichter en schrijver (Amsterdam 21-2-1926 - Putten (Gld) 9-6-1977). Zoon van Johan Wilhelm van der Zant, kantoorbediende, aanspreker, en Willemina de Wit. Gehuwd op 23-9-1958 met Clazina Bouman. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. Na echtscheiding (18-5-1961) gehuwd op 20-2-1962 met Lucretia Jeannette Aleida Paulides. Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 1 dochter geboren. afbeelding van Zant, Johan Wilhelm van der (pseud. Hans Andreus)

Niet lang na zijn geboorte gingen zijn ouders uit elkaar. Zijn moeder hertrouwde en het gezin verhuisde in 1930 naar Scheveningen om in 1937 naar Amsterdam terug te keren, waar Johan op de École Wallonne terecht kwam. Van 1938 tot 1943 zat hij op de HBS aan de Keizersgracht. Hier schreef hij al gedichten en in die tijd was hij bevriend met Bert Swaanswijk, de latere dichter-schilder Lucebert. Van 1945 tot 1947 volgde hij lessen aan de toneelschool, zonder de bedoeling acteur te worden. In 1947 werkte hij enkele maanden als corrector bij de Volkskrant, het enige werk dat hij ooit in loondienst verrichtte.

Dat zelfde jaar zou hij voor het eerst onder het pseudoniem Hans Andreus met gedichten in het tijdschrift Centaur debuteren. Op 26 december 1947 zond de VARA zijn eerste luisterspel uit, dat een bewerking was van Wildes The Canterville Ghost. In deze jaren kwam hij in aanraking met de jonge dichtersgeneratie rond het periodiek Het Woord. In Podium werden in 1949 gedichten van hem geplaatst, een tijdschrift waarvan hij door Gerrit Borgers begin 1951 redacteur werd gemaakt. Andreus bleef in die functie tot 1956 actief, ook toen hij zich later in het buitenland bevond, en zou er vooral de experimentele dichters introduceren. De eerste gedichtenbundel verscheen in 1951. Op uitnodiging van Simon Vinkenoog vertrok hij in hetzelfde jaar naar Parijs. Daar ontmoette hij Odile Liénard, met wie hij ging samenleven. Begin 1953 vertrokken ze naar Italië. Later vestigden zij zich in Rome, waarheen Andreus op 29 juli 1954 werd overgeschreven uit het bevolkingsregister van Amsterdam. Maar nog diezelfde zomer raakte hij in een zo ernstige psychische crisis, dat hij naar Nederland moest terugkeren, terwijl Odile in Rome bleef. Andreus werd korte tijd in de Rudolf Steinerkliniek in Den Haag verpleegd en woonde daarna een hele tijd bij Gerrit en Annie Borgers in Bussum. Hij ging hier ook kinderboeken schrijven, waarvan het eerste uitkwam in 1956. Op 23 september 1958 trouwde Andreus voor het eerst; het huwelijk hield echter slechts kort stand. In 1962 hertrouwde hij. Het gezin woonde achtereenvolgens in Amsterdam, Scherpenzeel, 't Harde, Hoevelaken en ten slotte Putten. Daar stierf Andreus aan kanker, de ziekte die hij noemt in zijn 'Laatste gedicht', waarmee hij vlak voor zijn dood zijn werk afsloot.

Hans Andreus heeft een omvangrijk en veelzijdig oeuvre op zijn naam staan, waarin op meer dan één plaats toespelingen voorkomen op zijn hierboven beschreven levensloop. Hij publiceerde niet alleen 28 bundels gedichten, maar schreef ook verhalend proza, een toneelspel, radio- en televisiespelen, literaire kritieken. Bovendien publiceerde hij verhalen en gedichten voor kinderen, waarmee hij grote bekendheid verwierf. Als vertaler gaf hij zijn naam aan zeer uiteenlopend werk. Zuiver als broodschrijver werkte hij voor de reclame.

Zijn grootste populariteit heeft Andreus ongetwijfeld te danken aan zijn boeken voor kinderen en dan vooral aan de serie verhalen over Meester Pompelmoes. Ze werden vertaald in het Deens, het Duits, het Engels en het Zuidafrikaans. Het genre bezorgde hem een inkomen en hij beoefende het met liefde en aandacht. Hij werd voor dit werk ook bekroond. In 1958 de Bijenkorfprijs voor het beste kinderboek uit de periode 1954-1958 (voor De Kikako), in 1969 de jaarlijkse CPNB-prijs voor het kinderboek van het jaar (voor Meester Pompelmoes en de mompelpoes) en in 1971 een Zilveren Griffel voor de bundel met kindergedichten De Rommeltuin.

Het 'volwassen proza' van Andreus heeft betrekkelijk weinig kritische belangstelling ondervonden. Het zijn de novelle Bezoek (1960) en de romans Valentijn (1960) en Denise (1962). In Valentijn worden Andreus' ervaringen in de Podium- redactie parodiërend beschreven. In Denise wordt verhaald over de hoofdpersoon en zijn geliefde in Parijs, hun reis naar Italië en de psychische instorting van de ik-figuur. Andreus schreef nog een vierde verhaal dat eveneens autobiografische trekken vertoont en dat onder de titel Uit het jeugdige leven van Melchior Blovoet nagenoeg voltooid in manuscript werd achtergelaten.

Het is bijna onmogelijk het dichterlijk werk van Hans Andreus in enkele volzinnen te karakteriseren. De achtentwintig bundels bestrijken een periode van ruim vijfentwintig jaar. Met bundels als Muziek voor kijkdieren (1951), De taal der dieren (1953) en Variaties op een afscheid (1956) werd Andreus een van de populairsten van zijn generatiegenoten. De muzikaliteit van zijn gedichten heeft velen aangesproken. Thematisch bezien wordt in deze vroege bundels door de erotiek het aardse met het hemelse verbonden, zodat een bestaan wordt geschapen dat ogenschijnlijk geen dood of vermoeidheid kent. Het is zeer waarschijnlijk dat Andreus een 'gemakkelijk leesbare Vijftiger' werd gevonden en dat hij voor velen de toegang vormde tot deze nieuwe naoorlogse poëzie. Blijkens diverse herdrukken hebben De sonnetten van de kleine waanzin (1957), die zeker niet 'gemakkelijk leesbaar' kunnen worden genoemd, tot Andreus' populariteit bijgedragen. In verzen die sterk afwijken van de voorgaande, door de gekozen sonnetvorm en door de enigszins pathologische inhoud, construeert de dichter een poëtisch labyrint waarbinnen essentiële levensvragen op overtuigende wijze onder woorden worden gebracht. Het is de weergave van een uitgesponnen contradictie: de beperktheid van de mens en zijn grootheid om deze beperktheid uiteindelijk in te zien. De spanningen en de angst in deze bundel worden opgelost in het 39e sonnet, waarin de paradox van het voorbestaan en het dubbelbestaan zich oplost in een 'vogelvrij ogenblik'.

Andreus' latere bundels hebben minder de aandacht getrokken. Bij het lezend publiek en bij de literaire kritiek heeft zich ten onrechte de mening postgevat dat Andreus zichzelf ging herhalen. Voor een deel zal het ook gekomen zijn doordat hij zich altijd afzijdig heeft gehouden van publiciteit. Niettemin zijn deze late bundels soms van een bijzondere schoonheid en van een verrassende thematiek. Tegenover de verrukking en de verschrikkelijkheid van de liefde, staat nu de verlossende warmte ervan (Al ben ik een reiziger, 1959). Het aardse bestaan wordt bijna op mystieke wijze doortrokken door de ervaring van het licht, dat ook in vroegere bundels zo'n belangrijke rol speelde (Klein boek om het licht heen, 1964). Op humoristische wijze wordt de vanouds bekende bestaansproblematiek gekoppeld aan begrippen uit de moderne fysica (Syntropisch, 1965). Een nieuw, religieus element duikt op in De ruimtevaarder en andere gedichten (1968), een laat in zijn leven ontdekte joodse identiteit in De witte netten van zon en maan (1974). Na zijn dood bleek er opnieuw een grote belangstelling te zijn voor Andreus' poëzie. De verzamelbundel Gedichten 1948-1974 raakte snel uitverkocht en de postume bundel Laatste gedichten moest herdrukt worden. Van de Verzamelde gedichten (1983) verscheen binnen anderhalf jaar de derde druk.

Voor zijn gedichten kreeg Andreus verscheidene prijzen. De bundel Schilderkunst werd in 1954 bekroond met de Grote Poëzieprijs van Amsterdam. Het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen gaf hem in 1958 de Grote Reisbeurs voor De sonnetten van de kleine waanzin en in 1964 kreeg hij van de stad Amsterdam de Poëzieprijs 1963 voor het gedicht 'Aarde'. In 1970 volgde de poëzieprijs van de Jan-Campertstichting voor Natuurgedichten. De Henriëtte-Roland-Holst-prijs werd hem postuum toegekend voor zijn drie laatste bundels.

Zoals veel andere dichters van deze eeuw heeft Andreus in zijn poëzie een 'gemis' onder woorden gebracht, het lijden aan een besef dat er meer moet zijn dan de dagelijks waargenomen werkelijkheid. Deze vraag naar het wezenlijke van het menselijke zijn wordt herkend in het Europa van Plato tot Heidegger en later. In deze traditie staat het streven van Andreus' poëzie naar de opheffing van de gescheidenheid. Het plaatst hem in de rij van de dichters in wier oeuvre het dualisme tussen menselijk bestaan en menselijk verlangen centraal staat. Dichters als Paul van Ostayen, M. Nijhoff, J.C. Bloem en G. Achterberg kozen allen voor andere toepassingen, maar het grote thema verschilt niet wezenlijk.

A: Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum, 's-Gravenhage.

P: Verzamelde gedichten [samenstelling en tekstverzorging door G. Borgers et al.] (Amsterdam, 1983); Verzameld proza [idem] (Amsterdam, [ca. 1989].

Zie voor o.a. kindergedichten Jozien Moerbeek en Aloys van den Berk, 'Hans Andreus, een bibliografie', in Hans Andreus [onder red. van J. van der Vegt et al.] ('s-Gravenhage, 1983). Bzzletin: 108; Raffia. Tekstverzorging en toelichting door J. van der Vegt (Utrecht, 1984).

L: Zie voor literatuur en periodieken over Andreus het onder P genoemd Bzzletin, 57-58; J. van der Vegt, Dichter bij het licht. Een inleiding tot het werk van Hans Andreus ('s-Gravenhage, 1983).

I: Website Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren: http://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=andr007 [23-5-2007].

W.A.M. de Vroomen


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013