Albers, Johan Hendrik (1866-1926)

 
English | Nederlands

ALBERS, Johan Hendrik (1866-1926)

Albers, Johan Hendrik, operazanger (Amsterdam 1-2-1866 - Parijs (Frankrijk) 12-9-1926). Zoon van Pieter Liekele Albers, kleine aannemer, en Carolina Maria Hendrika Schalkhauser. Gehuwd op 29-11-1887 met Margaretha Dassie (gewettigd op 4-8-1873 als Margaretha Jahn), operazangeres. Omstreeks 1920 verkreeg hij het Franse staatsburgerschap.

afbeelding van Albers, Johan Hendrik

Henri Albers werd geboren in een eenvoudig Amsterdams gezin. Reeds op jonge leeftijd legde hij artistieke neigingen aan de dag, waarmee zijn ouders evenwel weinig op hadden. Eerst was hij als klerk werkzaam bij de consul-generaal van Frankrijk in de hoofdstad - waar hij zich de Franse taal eigen maakte -, daarna als kantoorbediende bij de distilleerderij Lucas Bols. In 1883 kwam hij in contact met de acteur Bertus Smith, die hem enthousiast maakte voor het toneel. Dit leidde ertoe dat Albers gedurende korte tijd aan de Tooneelschool lessen ging volgen bij Maria J. Kleine-Gartman, waarna hij in september 1884 een engagement accepteerde bij de Salon des Variétés van Eduard Bamberg en Jean Charlier in de Amsterdamse Amstelstraat. Hier kreeg hij na enige tijd vooral rollen waarin ook gezongen werd, omdat hij over een mooie baritonstem bleek te beschikken. In een dergelijke rol debuteerde hij in het voorjaar van 1885 in Delft in de vaudeville De dochter van den admiraal.

Nadat J.G. de Groot Albers had horen zingen in de Variétés, vroeg hij hem in 1886 toe te treden tot zijn nieuw gevormde operette- en operagezelschap, dat op 15 mei van dat jaar zijn voorstellingen begon met De scheepskapitein (Le canard à trois becs) van Emile Jonas. Zijn eerste operarol bij wat inmiddels de Hollandsche Opera heette, was 'Mefistofeles' in Faust van Charles Gounod, een uitvoering die op 16 oktober van hetzelfde jaar in de Amsterdamse Parkschouwburg in première ging. Te zamen met Jef Orelio, met wie hij alterneerde, werd Albers al gauw de publiekstrekker van De Groots gezelschap. In die tijd huwde hij met een collega-zangeres, Marguérite Jahn. Zij was de dochter van L.A. Jahn, de toenmalige directeur van de Fransche Opera in Den Haag. Van haar kreeg Albers zijn eerste zanglessen.

De Franse operacomponist Jules Massenet, die Albers in 1891, tijdens een bezoek aan ons land, hoorde zingen, was zeer opgetogen over zijn prestaties en wist hem te overreden naar Parijs te gaan. Daar ontving hij zanglessen van de beroemde bariton Jean-Baptiste Faure - bij wie hij door zijn schoonvader was geïntroduceerd -, later ook van Enrico Bevignani in Milaan. Vervolgens verbond Albers zich van 1891 tot 1894 als eerste bariton aan de Fransche Opera in Antwerpen, waar hij meteen al triomfen vierde. In 1894 kreeg hij een vaste aanstelling bij de opera van Bordeaux. In hetzelfde jaar zong hij voor het eerst in Londen, waar hij verscheidene malen optrad in Royal Opera House Covent Garden. Drie jaar later maakte hij met een aantal beroemde zangers en zangeressen, zoals Emma Calvé, Nellie Melba en Jean de Reszke, een geslaagde toernee door de Verenigde Staten, waarbij New Orleans, San Francisco en ook Mexico Stad werden aangedaan. In het seizoen 1898/1899 maakte hij opnieuw een concertreis door de Nieuwe Wereld. Bij de New Yorkse Metropolitan Opera Company was Albers op 29 november 1898 te horen als 'Wolfram' in een Franse uitvoering van Richard Wagners Tannhäuser. Voorts trad hij op in Chicago, Boston, Philadelphia en Washington, waar zowel Italiaanse, Duitse als Franse operapartijen door hem werden vertolkt.

Inmiddels waren Albers' talenten opgemerkt door Albert Carré, de directeur van de Parijse Opéra Comique, die er in 1899 in slaagde hem te contracteren. Tot zijn dood is Albers deze opera, met langere en kortere onderbrekingen, trouw gebleven. Hij zong er 29 rollen, waarvan 12 premières. Hoogtepunten waren zijn vertolkingen van 'Tonio' in I pagliacci van Ruggiero Leoncavallo en van 'Macbeth' in de gelijknamige opera van Ernest Bloch. Ook heeft Albers in 1908/1909 enige malen gezongen bij de Opéra de Paris. Daarnaast trad hij op in talrijke steden in Oostenrijk, Duitsland, Frankrijk en België. In dit laatste land zong hij onder meer van 1901 tot 1906 en in 1918/1919 baritonpartijen in de Koninklijke Muntschouwburg te Brussel. Hij werd er door het publiek eveneens op handen gedragen. Tot zijn grootste creaties in de Belgische hoofdstad behoorde de titelrol in Le roi Arthus van Ernest Chausson tijdens de wereldpremière in november 1903. In 1915 was hij te horen in het Gran Teatro del Liceo in Barcelona, en in 1917 gasteerde hij in de Scala van Milaan bij de première van Les cadeaux de Noël van Xavier Leroux. Verder nam hij in Parijs deel aan de Lamoureux-concerten.

In ons land heeft Albers niet veel meer gezongen; slechts af en toe trad hij hier op als gast. Zo zong hij in maart 1903 in Den Haag 'Hamlet' in de gelijknamige opera van Ambroise Thomas. Op 8 maart 1910 vierde hij in Amsterdam zijn 25-jarig zangersjubileum met de uitvoering van de titelrol in Le chemineau van Leroux. Toen hem een jaar later, op 31 januari 1911, in de Stadsschouwburg te Amsterdam ter huldiging zijn geschilderde portret werd aangeboden, schitterde de gevierde zanger als 'Athanael' in Thaïs van Massenet.

Aangezien men Albers in Frankrijk tijdens en na de Eerste Wereldoorlog nogal eens onaangenaam bejegende, omdat hij als Nederlander voor een halve 'boche' gehouden werd, liet hij zich tot Fransman naturaliseren. Van lieverlede raakte hij in zijn vaderland in de vergetelheid, maar in Frankrijk en België bleef Albers tot zijn dood een geëerd kunstenaar. In latere jaren beperkte hij zich vrijwel uitsluitend tot het Franse operarepertoire. Daarnaast was hij zangleraar. Waarschijnlijk door het eten van bedorven kreeft werd hij in 1926 plotseling ernstig ziek. Door het te laat inroepen van medische hulp overleed Albers, die alom bekend stond om zijn onvermoeibaar en ijzersterk gestel, aan voedselvergiftiging. Onder enorme belangstelling werd hij in Parijs begraven.

Henri Albers was de eerste belangrijke Nederlandse operazanger die zijn heil zocht in het buitenland, omdat de carrièremogelijkheden daar groter waren. Hoewel vooral befaamd als vertolker van het Franse repertoire, voelde hij zich eveneens thuis in Italiaanse opera's en in uitvoeringen van het werk van Wagner. Zijn internationale succes had hij te danken aan zijn mooie, donkere baritonstem, zijn kwaliteiten als acteur - een zeldzaamheid onder operazangers -, alsmede aan zijn kennis van vreemde talen. Albers' grote gestalte en zelfbewuste, sterke persoonlijkheid maakte hem bij uitstek geschikt voor de vertolking van krachtige mannenrollen.

P: Rien.... Mélodie. Op tekst van André Lenéka (Parijs [, 1899]). Albers' stem is vastgelegd op verschillende grammofoonplaten (G & T, Odéon, Pathé), met onder meer volledige uitvoeringen van Carmen van G. Bizet, Rigoletto van G. Verdi en Roméo et Juliette van Ch.F. Gounod.

L: Behalve herdenkingsartkelen in o.a. Nieuwe Rotterdamsche Courant, 18-9-1926 (av.); Algemeen Handelsblad, 18-9-1926 (av.) en 22-9-1926 (ocht.); Morks Magazijn, 28 (1926) 558-559: J.H. Letzer, Muzikaal Nederland 1850-1910 (Utrecht, 1911) 2; N. van Harpen, Menschen die ik gekend heb (Rotterdam, 1928) 68-72; Jules Salès, Théâtre Royal de la Monnaie 1856-1970 (Nivelles [1971]) 142-143; Leo Riemens, 'Zij, die niet vergeten zijn: Henri Albers', in Opera, 2 (1961) 7 (sept.) 24-26.

I: Website Dutch Divas in Opera & Concert: http://www.dutchdivas.net/frames/sopranos.html [5-3-2007].

A.W.J. de Jonge


Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013